Nederlandse grammatica

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dit artikel geeft een summier overzicht van de grammatica van de Nederlandse taal, waarbij de nadruk ligt op woord- en zinsdeelvolgorde en individuele woordsoorten.

Woordvolgorde[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Woordvolgorde voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Hoofdzinnen[bewerken]

Nederlands is in hoofdzaak een SOV-taal met in de hoofdzin de V2-regel, waardoor de persoonsvorm in stellende hoofdzinnen altijd op de tweede positie staat.[1]

onderwerp - persoonsvorm - meewerkend voorwerp - bijwoordelijke bepaling van tijd en plaats - lijdend voorwerp - werkwoordelijke - niet-werkwoordelijke rest.

Bijvoorbeeld:

Pieter heeft Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven.

Wel zijn in stellende hoofdzinnen ook andere volgordes mogelijk, maar ook dan staat de persoonsvorm op de tweede positie. De volgende woordvolgordes zijn dan ook grammaticaal correct:

Aan Jasper heeft Pieter gisteren in de tuin een appel gegeven
Gisteren heeft Pieter Jasper in de tuin een appel gegeven
In de tuin heeft Pieter Jasper gisteren een appel gegeven
Pieter heeft gisteren in de tuin een appel aan Jasper gegeven
Pieter heeft gisteren Jasper in de tuin een appel gegeven

In al deze zinnen is "Jasper" het meewerkend voorwerp (indien voorafgegaan door "aan" een zgn. omschreven meewerkend voorwerp).

Merk op dat de persoonsvorm vóór het onderwerp komt als het onderwerp niet aan het begin van de zin staat.

Als een ander zinsdeel dan het onderwerp aan het begin van de zin staat, gebeurt dit in de regelom het zinsdeel extra nadruk te geven.

Bijzinnen[bewerken]

In een bijzin is de basisvolgorde: voegwoord - onderwerp - meewerkend voorwerp - bijwoordelijke bepaling van tijd en plaats - lijdend voorwerp - persoonsvorm en werkwoordelijke - niet-werkwoordelijke rest.

Bijvoorbeeld:

(Ik weet) dat Kees Jan morgen in de stad een boek wil geven vanwege zijn verjaardag.

Deze volgorde, waarbij de persoonsvorm vóór de rest van het werkwoordelijk gezegde (de werkwoordelijke eindgroep) staat, wordt ook wel de rode werkwoordsvolgorde genoemd. Daarnaast is er in bijzinnen nog een tweede mogelijkheid, bekend als de groene werkwoordsvolgorde, waarbij de volgorde van de werkwoorden andersom is:

(Ik weet) dat Kees Jan morgen in de stad een boek geven wil vanwege zijn verjaardag.

Vragende vorm[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Vragende zin

Wanneer een zin vragend is, treedt normaal gesproken inversie op, wat betekent dat onderwerp en persoonsvorm van plek worden verwisseld:

Heeft Pieter Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven?

Wanneer het onderwerp toch vóór de persoonsvorm staat in een vragende zin, impliceert dat vaak een controlevraag:

Pieter heeft Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven?

In deze laatste vorm is de intonatie van een of meer laatste woorden erg belangrijk (namelijk hoger dan de rest). Hierdoor is voor de luisteraar duidelijk dat het een vraag betreft en niet een gegeven feit.

Werkwoorden[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Werkwoord (Nederlands) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Zoals in alle Germaanse talen zijn de werkwoorden naar vervoeging in 3 klassen onder te verdelen:

  1. onregelmatige werkwoorden,
  2. sterke werkwoorden,
  3. zwakke werkwoorden.

Sterke werkwoorden[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Sterk werkwoord voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Van sterke werkwoorden dient men drie vormen te kennen: de infinitief ofwel het hele werkwoord, de onvoltooid verleden tijd en het voltooid deelwoord.

Hieronder volgt als voorbeeld de vervoeging van het sterke werkwoord binden: binden - bond - gebonden

ik bind bond heb gebonden bind ik?
jij bindt bond hebt gebonden bind jij?
hij/zij/u/het bindt bond heeft gebonden bindt hij?
wij/jullie/zij binden bonden hebben gebonden binden wij?

Nederlandse sterke werkwoorden worden in de tegenwoordige tijd (o.t.t.) op dezelfde manier vervoegd als zwakke werkwoorden. In de onvoltooid verleden tijd krijgt alleen de meervoudsvorm een uitgang -en, de andere vormen krijgen géén uitgang in de verleden tijd.

1rightarrow blue.svg Zie de Lijst van sterke en onregelmatige werkwoorden in het Nederlands voor een zo volledig mogelijk overzicht van sterke en onregelmatige vervoegingen.

.

Onregelmatige werkwoorden[bewerken]

De belangrijkste onregelmatige werkwoorden zijn hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen.

1rightarrow blue.svg Zie verder de Vervoeging van onregelmatige Nederlandse werkwoorden

Zelfstandige naamwoorden[bewerken]

De belangrijkste verbuigingen zijn de meervoudsvorm en de verkleinvorm van zelfstandige naamwoorden.

Verbuigingen van het zelfstandig naamwoord[bewerken]

Meervoudsvorm[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Meervoud (Nederlands) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Zelfstandig naamwoord eindigend op een klinker[bewerken]

Zelfstandig naamwoorden die eindigen op een klinker krijgen als regel de uitgang -s in het meervoud:

agente - agentes

Wanneer verwarring zou kunnen ontstaan over de uitspraak van het meervoud wordt de uitgang -s voorafgegaan door een apostrof:

radio - radio's

Zelfstandige naamwoorden die eindigen op -ie of -ij en waarvan de klemtoon op de laatste lettergreep ligt, krijgen de uitgang -en in het meervoud:

boerderij - boerderijen
categorie - categorieën
Zelfstandig naamwoord eindigend op een medeklinker[bewerken]

Zelfstandige naamwoorden die eindigen op een medeklinker krijgen als regel de uitgang -en in het meervoud:

stoel - stoelen

Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op een s verandert deze s bij de meervoudsvorm in een z, behalve wanneer die s voorafgegaan wordt door een andere medeklinker of een korte klinker:

huis - huizen
arts - artsen
bus - bussen

Wanneer de laatste lettergreep van een zelfstandig naamwoord dat op een medeklinker eindigt een niet-beklemtoonde e bevat krijgt het meervoud de uitgang -s:

tafel - tafels
Uitzonderingen[bewerken]

Op bovenstaande regels zijn een aantal uitzonderingen. Zie daarvoor de lijst van onregelmatige meervouden.

Verkleinvorm[bewerken]

Zelfstandig naamwoorden kunnen verkleind worden door de uitgang -je achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen:

klas - klasje

In het zuidelijk deel van het Nederlandse taalgebied worden zelfstandige naamwoorden veeleer verkleind door de uitgangen -ke en -ken achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen:

glas - glaske(n)

Wanneer een zelfstandig naamwoord eindigt op een klinker of op een van de medeklinkers l, n en ren de laatste lettergreep bevat een lange klinker of een sjwa, krijgt de verkleinvorm de uitgang -tje:

radio - radiootje
paal - paaltje
fietser - fietsertje

Maar gaat het om een woord dat bestaat uit één lettergreep met een korte klinker, dan wordt de uitgang -etje:

pal - palletje

Wanneer een zelfstandig naamwoord eindigt op een m die wordt voorafgegaan door een lange klinker krijgt de verkleinvorm de uitgang -pje:

raam - raampje

Wanneer een twee- of meerlettergrepig zelfstandig naamwoord eindigt op ing krijgt de verkleinvorm doorgaans de uitgang -kje waarbij de g komt te vervallen :

buiging - buiginkje

Maar:

hebbeding - hebbedingetje (van: ding - dingetje)

en ook:

verandering - veranderingetje slappeling - slappelingetje

Uitzondering: Wanneer de laatste lettergreep van een zelfstandig naamwoord eindigend op l, m, n, ng of r een korte klinker bevat, krijgt het verkleinwoord de uitgang -etje:

lam - lammetje
kar - karretje
gang - gangetje

Naamvallen[bewerken]

In oudere fasen van het Nederlands werden in de geschreven taal naamvallen gebruikt. Tegenwoordig bestaan deze nagenoeg alleen nog in versteende taalvormen. Een aan de tweede naamval verwante vorm, de Saksische genitief, kent nog wel een actief gebruik.

1rightarrow blue.svg Zie verder #Verbuiging lidwoorden, Naamval#Nederlands, Genitief#De genitief in het Nederlands, Datief#Datief in het Nederlands en Accusatief#Oude accusatiefvormen in het Nederlands.

Lidwoorden[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Geslacht (Nederlands)

Bepaalde lidwoorden[bewerken]

Het Nederlands kent twee bepaalde (of bepalende) lidwoorden:

  • de, mannelijk of vrouwelijk (overkoepelend ook wel "zijdig" genoemd)
  • het, onzijdig. In gesproken taal vaak klemtoonloos uitgesproken als 't.

Het wordt enkel gebruikt voor een enkelvoudig onzijdig woord. Om een meervoud aan te duiden wordt altijd de gebruikt. Voorbeelden:

  • de sleutel (mannelijk enkelvoud, dus de)
  • de vakantie (vrouwelijk enkelvoud, dus de)
  • het gebouw (onzijdig enkelvoud, dus het)
  • de bomen (meervoud, dus de)
  • de bossen (meervoud, dus de, hoewel in het enkelvoud onzijdig het bos)

Onbepaald lidwoord[bewerken]

Het Nederlands kent slechts één onbepaald (of onbepalend) lidwoord:

  • een, in gesproken taal vaak uitgesproken als 'n.

Het onbepaalde lidwoord een wordt in het Nederlands alleen gebruikt voor een enkelvoud, om een onbepaald meervoud aan te duiden wordt simpelweg géén lidwoord gebruikt. Voorbeeld:

  • Daar staat een huis (onbepaald enkelvoud, dus een)
  • Daar staan huizen (onbepaald meervoud, dus geen lidwoord)

De zuidelijke dialecten van het Nederlands kennen drie onbepaalde lidwoorden:

  • ne of nen voor een onbepaald mannelijk enkelvoud (ne man)
  • een voor een onbepaald vrouwelijk enkelvoud (een vrouw)
  • e voor een onbepaald onzijdig enkelvoud (e kind)

Ontkennend lidwoord[bewerken]

Het ontkennend lidwoord geen duidt op de afwezigheid van iets of op een ontkenning:

  • We hebben geen kaas meer (duidt op de afwezigheid van kaas)
  • Dat is geen goede grap (Dat is niet een goede grap)

Verbuiging lidwoorden[bewerken]

Daarnaast kent het Nederlands nog enkele oudere verbuigingsvormen die gedicteerd worden door de verschillende naamvallen. In principe worden de bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn, haar, ons, uw, jullie en hun) en het ontkennend lidwoord geen vervoegd zoals het onbepaalde lidwoord een, bijvoorbeeld: Dat is zijns inziens een slecht idee (eens inziens). In het meervoud bestaat er geen onbepaald lidwoord in het Nederlands, daarom is in het schema het woord geen gebruikt.

lidwoorden[2]
enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig alle geslachten
bepaald onbepaald bepaald onbepaald bepaald onbepaald bepaald onbepaald ontkennend
nominatief de een de een (ene) het een de - geen (gene)
genitief des eens der ener des eens der - gener
datief de(n) een (enen) de(r) een (ener) het (den) een (enen) de(n) - geen (genen)
accusatief de (den) een (enen) de een (ene) het een de - geen (gene)


Verbogen lidwoorden (ene, ener, enes/des, der, den) worden nauwelijks nog gebruikt (daarom staan de oorspronkelijke verbuigingen tussen haakjes in het schema). Sinds de jaren tachtig is bijvoorbeeld commissaris van de Koning(in) gangbaarder dan commissaris der Koningin of des Konings (CdK). Bij procureur des Konings is echter alles bij het oude gebleven, net als in bepaalde namen en staande uitdrukkingen:

Lidwoord voor een bezittelijk voornaamwoord[bewerken]

Bij een aantal (zelfstandig gebruikte) bezittelijke voornaamwoorden, waaronder mijne, jouwe, zijne, hare, onze en hunne, kunnen ook lidwoorden staan.

  • Dat huis is het mijne.
  • Mijn zus is groter dan de jouwe.

Andere regels[bewerken]

1rightarrow blue.svg Voor een uitgebreid overzicht, zie Geslacht (Nederlands)#Typologie in het Nederlands
  • Zelfstandige naamwoorden kunnen een specifieke uitgang hebben waardoor hun geslacht wordt bepaald.
  • Bij samengestelde woorden wordt altijd het lidwoord gebruikt van het grondwoord. Meestal is dit het laatste deel van de samenstelling. Bijvoorbeeld: de krant + het artikelhet krantenartikel; het boek + de kaftde boekenkaft. Hetzelfde gebeurt bij letterwoorden.

Bijvoeglijke naamwoorden[bewerken]

Een bijvoeglijk naamwoord wordt altijd geplaatst vóór het naamwoord waar het betrekking op heeft, meestal is dit een zelfstandig naamwoord. Een eventueel lidwoord wordt vóór het bijvoeglijk naamwoord geplaatst:

Een lekkere maaltijd.
Een vieze man.

Verbuigingen van het bijvoeglijk naamwoord[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Bijvoeglijk naamwoord met of zonder buigings-e

Bijvoeglijke naamwoorden krijgen in principe de uitgang -e:

De lekkere maaltijd.

Er zijn vier situaties waarin een bijvoeglijk naamwoord niet de uitgang -e krijgt:

1. Wanneer het onderwerp onzijdig enkelvoud is krijgt het bijvoeglijk naamwoord bij de onbepaalde vorm géén uitgang:

Een mooi meisje

Let op: bij de bepaalde vorm krijgt het bijvoeglijk naam woord gewoon de uitgang -e:

Het mooie meisje

2. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een materiaal aanduidt krijgt het de uitgang -en:

De houten stoel

3. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een essentieel deel is van de combinatie met het zelfstandig naamwoord, krijgt het geen -e. Bijvoorbeeld:

Het openbaar vervoer
Het lijdend voorwerp

4. Soms wordt tussen een onbepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord een vorm van het bijvoeglijk naamwoord zonder -e gebruikt. In dat geval drukt het een bewonderenswaardige eigenschap uit:

Een groot man
Een talentvol schrijver

Trappen van vergelijking[bewerken]

Een bijvoeglijk naamwoord kan drie vormen aannemen om de "sterkte" van het naamwoord aan te geven.

De trappen van vergelijking worden gewoonlijk gevormd door de achtervoegsels -er en -st aan een bijvoeglijk naamwoord toe te voegen. Bijvoeglijke naamwoorden die op -r eindigen, krijgen in de vergrotende trap een tussengevoegde -d- (bijvoorbeeld raar - raarder, ver – verder).

Voorbeelden:

  • groot – groter – grootst
  • belangrijk – belangrijker – belangrijkst
  • oud – ouder – oudst.

Een aantal veel voorkomende bijvoeglijke naamwoorden vormen hun trappen van vergelijking onregelmatig, met suppletie:

  • goed – beter – best
  • veel – meer – meest
  • weinig – minder – minst
  • graag – liever – liefst.

Woorden die een samenstelling zijn van bijwoord en een bijvoeglijk naamwoord worden gesplitst. Alleen het bijwoord verschijnt dan in de vergrotende of overtreffende trap:

  • dichtbevolkt – dichter bevolkt – dichtst bevolkt.

Bij woorden die al een uiterste aanduiden worden vaak geen trappen van vergelijking gevormd. Algemener gezegd: er zijn meestal geen gradaties van termen die inhoudelijk een dichotomie vormen, wat het geval is wanneer iets een zekere eigenschap heeft of niet en er geen tussenweg bestaat. Het algemeen bekende voorbeeld daarvan is "zwangerschap". Men kan niet een beetje of heel erg zwanger zijn en alle termen die een uiterste aanduiden vallen ook in die categorie: iets heeft die uiterste staat of heeft deze niet en daarom is er geen tussenweg, geen gradatie.

Desondanks worden bij sommige van dergelijke woorden toch trappen van vergelijking gevormd. Voorbeelden zijn "de meer/meest ideale" of "minder ideaal", terwijl het "ideale" doorgaans al het hoogst denkbare is. Ook "heel uniek" is een voorbeeld, met de gedachte dat als iets uniek is, dat er maar één van bestaat.

Gebruik van dan of als[bewerken]

In het Standaardnederlands volgt na vergrotende trap (of meer algemeen na een ongelijkheid) het woord dan. Na een gelijkheid volgt als. Voorbeelden:

  • Thomas is groter dan Maxim (ongelijkheid);
  • Marjan is kleiner dan Dieter (ongelijkheid);
  • Kim is even vrolijk als Els (gelijkheid).

Na een gelijkheid binnen een ongelijkheid volgt als. Voorbeelden:

  • Piet is twee keer zo lang als Jan (gelijkheid binnen een ongelijkheid);
  • Sneeuwwitje is duizendmaal zo mooi als de boze heks (gelijkheid binnen een ongelijkheid).

In sommige streken en dialecten wordt als in beide gevallen gebruikt: "Hij is groter als ik". Dit gebruik geldt in het Standaardnederlands als onjuist en/of onverzorgd.

Gebruik van meer of meest[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Engelse ziekte (taal)

Niet in alle talen bestaan de trappen van vergelijking zoals in het Nederlands. Het Engels kent de trappen wel (great, greater, greatest), maar niet voor alle bijvoeglijke naamwoorden. Voor de vergrotende en overtreffende trap worden vaak respectievelijk de bijwoorden "more" en "most" geplaatst. Bijvoorbeeld recent, more recent, most recent (In het Nederlands zou dit zijn recent, recenter, recentst).

In sommige gevallen wordt echter ook in het Nederlands standaard de toevoeging meer of meest gebruikt. Een voorbeeld is wanneer het een meer bijwoordelijke functie heeft:

  • Ze zijn meer bereid tot extra financiële steun dan tot een wijziging van het beleid.

Ook bij voltooide deelwoorden die bijvoeglijk worden gebruikt:

  • Zij is de meest verdorven persoon die ik ooit ontmoet heb.

In het Nederlands wordt dus traditioneel de voorkeur gegeven aan een niet-samengestelde constructie. Er valt onder Nederlandstaligen echter een trend waar te nemen om, tenminste in het mondeling taalgebruik, de Engelse regels toe te passen: meest bekende in plaats van bekendste, e.d. Het gebruik van uitdrukkingen als de tweede grootste in plaats van het van oudsher gebruikelijke de op één na grootste wijst ook op dat fenomeen. Dit gebruik lijkt zich tevens uit te breiden tot constructies die in het Engels niet voorkomen, zoals meest goede in plaats van beste. Dit laatste valt moeilijk te verklaren uit de behoefte om de samengestelde constructie te gebruiken als middel om zeer lange woorden of woorden die met het achtervoegsel een onduidelijk woordbeeld zouden krijgen, leesbaarder of beter uitspreekbaar te maken.

Bijwoorden[bewerken]

Als een bijwoord betrekking heeft op een werkwoord, wordt het achter het betrokken werkwoord geplaatst.

Hij schrijft veel in Wikipedia.

Als een bijwoord betrekking heeft op een bijvoeglijk naamwoord of op een ander bijwoord, wordt het vóór het betreffende woord geplaatst.

Het is een erg boeiende discussie.
Gerard liep zeer snel.

Als een bijwoord informatie over tijd of plaats geeft, heeft dit geen vaste plaats in de zin, aangezien het bijwoord meestal niet op een ander woord betrekking heeft.

Ik heb altijd al van kaas gehouden.
Mijn moeder heeft mijn vader overal gezocht.

Een bijwoord wordt altijd als één woord geschreven, ook als het bestaat uit elementen die in andere gevallen als afzonderlijke woorden voorkomen (dichtbij, vlakbij, waarheen, ...).

1rightarrow blue.svg Zie Voornaamwoordelijk bijwoord en Voorzetselbijwoord voor meer informatie

Persoonlijk voornaamwoord[bewerken]

Overzicht[bewerken]

In het Nederlands is de vorm van het persoonlijk voornaamwoord afhankelijk van het perspectief, het aantal en bij de derde persoon ook het geslacht. Bij de tweede persoon bestaat een aparte beleefdheidsvorm. Bijna alle vormen kennen een gereduceerde vorm, dat wil zeggen een niet-beklemtoonde vorm die dichter bij de spreektaal ligt. De gereduceerde vorm staat hieronder steeds tussen haakjes.

onderwerpsvorm
voorwerpsvorm
genitief
(archaïsch)
opmerkingen
eerste persoon enkelvoud ik ('k †) mij (me) mijner
meervoud wij (we) ons onzer In dialecten worden voor het onderwerp ook vormen als wullie en ons gebruikt.
tweede persoon enkelvoud jij (je)
u
gij (ge)
jou (je)
u
u
uwer U is de beleefdheidsvorm, vroeger vaak met een hoofdletter geschreven, of de voorwerpsvorm van gij. Gij geldt thans als verouderd, maar is in het Brabants, het Vlaams en verschillende andere dialecten de normale vorm. Zie ook tutoyeren.
meervoud jullie (je)
u
gij (ge)gijlieden††††
jullie (je)
u
u, ulieden††††
uwer In dialecten worden voor het onderwerp ook vormen als gullie en voor het voorwerp ook vormen als ullie gebruikt.
derde persoon enkelvoud hij (ie †, die †)
zij (ze)
het ('t)
hem ('m)
haar ('r †, d'r †, ze ††)
het ('t) †††
er
er
er
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud zij (ze) hen (lijdend voorwerp en vorm na een voorzetsel), hun (meewerkend voorwerp), of voor beide voornoemde vormen ze

(zie verder het hen/hun-onderscheid)

er In delen van Nederland wordt in de spreektaal hun ook als onderwerpsvorm gebruikt.

In dialecten worden voor het onderwerp ook vormen als hun en zullie gebruikt.

In archaïsch Nederlands wordt als meervoudig bezittelijk voornaamwoord ook wel haar gebruikt in plaats van hun.

† wordt meestal niet geschreven
†† Vlaams
††† niet na een voorzetsel
†††† verouderd

Meervoud[bewerken]

De meervoudsvormen van de persoonlijke voornaamwoorden zijn vaak geen nauwkeurige meervouden en er zijn dan ook talen die daar verschillende woorden voor hebben.

De eerste persoon ik duidt op de spreker. Het meervoud wij duidt echter niet op de sprekers, want er is meestal maar een persoon aan het woord. De betekenis van wij is dan ook: ik en een of meer andere personen. Die andere personen kunnen de aangesproken personen zijn maar ook anderen.

Wij kan betekenen:

  • ik en jij
  • ik en jullie
  • ik en mijn vriend(en)

De tweede persoon jij of u duidt op de aangesproken persoon. Het meervoud jullie kan duiden op de aangesproken personen en dat is een nauwkeurig meervoud. Het kan echter ook duiden op anderen die niet aanwezig zijn.

Jullie kan betekenen:

  • jij en jij
  • jij en jouw vriend(en)

'Er'[bewerken]

Het woordje 'er' heeft meerdere functies en kan zowel een bijwoord als een persoonlijk voornaamwoord zijn.

  1. Er zit een kat in de tuin.
  • Als er een persoonlijk voornaamwoord is, verwijst het soms ook naar een hoeveelheid en wordt dan veelal gecombineerd met van en een kwantor:
  1. Heb jij maar één bloem? Ik heb er veel. (Ik heb er veel van.)
  2. Daar zie ik centen. Ik pak er tien. (Ik pak er tien van.)
  • Als er bijwoord is, fungeert het als min of meer vage bepaling van plaats:
  1. Hij is er.
  2. Ik heb er gewoond.

Wederkerig voornaamwoord[bewerken]

Het Nederlands kent vier wederkerige voornaamwoordenelkaar, elkander, mekaar en mekander – die in de praktijk hetzelfde betekenen. Het gebruik is echter registerbepaald.

Externe link[bewerken]

  • E-ANS: de elektronische ANS: elektronische versie van de tweede, herziene editie van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) uit 1997.
Wikibooks Wikibooks heeft meer over dit onderwerp: Nederlands/Grammatica.
  1. http://www.dbnl.org/tekst/kost007dutc01_01/kost007dutc01_01.pdf
  2. H. Coppé: Nederlandsche spraakkunst in drie leergangen voor de middelbare scholen, colleges, athenea en normaalscholen, Brugge 1920, achtste druk, p. 14 en 15.