Naar inhoud springen

Nederlandse publieke omroep tijdens de Tweede Wereldoorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Propagandaposter voor het radioprogramma Stem der SS. (1940)

De geschiedenis van de Nederlandse publieke omroep tijdens de Tweede Wereldoorlog betreft het handelen van de verzuilde radio-omroepen in Nederland onder Duitse bezetting. In de twintigste eeuw was de Nederlandse samenleving een verzuilde samenleving, waarin maatschappelijke en religieuze groepen (zuilen) apart van elkaar leefden. Elke zuil had zijn eigen voorzieningen, zoals politieke partijen, scholen en kranten. Met de introductie van de radio bracht elke zuil ook een eigen radio-omroep voort, namelijk de AVRO, KRO, NCRV, VARA en VPRO.

Vanaf het begin vochten de omroepen onderling om zendtijd, wat in 1930 werd beslecht met de invoering van het Zendtijdbesluit. Tegelijk golden strikte censuurregels, waardoor kritische radio-uitzendingen ontbraken, ook over ontwikkelingen in nazi-Duitsland. Na de Nederlandse capitulatie in 1940 namen de Duitsers in Hilversum de radio over. De omroepen verzetten zich nauwelijks en pasten zich vrijwillig aan, onder meer door op eigen initiatief Joodse medewerkers te ontslaan.

In 1941 vervingen de Duitsers alle omroepen door de Nederlandsche Omroep, die openlijk nationaalsocialistische propaganda uitzond. Het merendeel van het personeel stapte zonder veel weerstand over naar de NO, terwijl vrijwel alle Joodse werknemers werden ontslagen. Na de bevrijding volgden zuiveringen, maar meerdere aanvankelijk geweerde medewerkers keerden later toch terug, nadat een van de commissies hen alsnog goedkeurde.

Na de oorlog werd er bij de publieke omroepen overwegend gezwegen over het oorlogsverleden. Hoewel in 1973 het boek Radio Hilversum 1940-1945 verscheen, bleef brede aandacht uit. Dat veranderde in 2024 door de EO-documentaire Het verraad van Hilversum, die leidde tot nieuw onderzoek door de gemeente Hilversum en KRO-NCRV, en tot het besluit van de NPO om een monument op het Media Park op te richten ter nagedachtenis aan vermoorde omroepmedewerkers.

Voorgeschiedenis

[bewerken | brontekst bewerken]
Radiotoestel van Phillips uit 1935.

In de jaren 1920 werd de radio in Nederland geïntroduceerd. Nadat de firma Philips in 1924 besloot radio’s te produceren, was het directe gevolg dat verscheidene radio-amateurs, geïnteresseerden in het medium radio, zich gingen verenigen in radioverenigingen. Vanwege de verzuiling, die in die tijd nog erg sterk was, werd er door elke zuil een radiovereniging opgericht. Er ontstonden toen vijf radio-omroepen, verdeeld over vier zuilen. De NCRV en de VPRO behoorden tot de protestantse zuil. De katholieke zuil verenigde zich in de KRO. De socialisten richtten de VARA op en de liberalen stichtten de Algemene Vereniging Radio Omroep, de AVRO.

Vanaf 1926 zonden de omroepen uit via de zendmasten van de radiofabrikant NSF. De politiek was betrokken bij het verdelen van zendvergunningen, verdeeld over de vijf radio-omroepen. Omdat radio steeds populairder werd en hierdoor schaarste aan zendtijd ontstond, werd in 1930 het Zendtijdbesluit ingevoerd. Het besluit hield in dat de vier grote omroepen ieder 20% van de zendtijd kregen. 15% kwam er vrij voor neutrale programmering en 5% voor de kleinere omroep VPRO.[1] De AVRO, die de meeste zendtijd bezat en nu een deel van haar zendtijd moest inleveren, was hierop tegen. Op 6 september 1930 demonstreerde de AVRO daarom ook tegen het Zendtijdbesluit. Ondanks de massale opkomst en vele handtekeningen bleef het besluit van kracht.[2]

Na de invoering van het Zendtijdbesluit, werd de Radio Omroep Controle Commissie (ROCC) in het leven geroepen. De commissie stelde strenge regels in voor de omroepen en voerde een censuurbeleid. Er mocht bijvoorbeeld niet gevloekt worden en andere bevolkingsgroepen en omroepen mochten niet gekwetst worden. De commissie zou binnen tien jaar tijd 398 programma’s verbieden die de regels overtraden.[3] Daarnaast richtte de overheid in 1935 NOZEMA op, die de verantwoordelijkheid kreeg over het beheren van de radiozenders Hilversum I en Hilversum II. Hierdoor konden de omroepen meer uitzenden, omdat er meer radiogolven beschikbaar kwamen.[4]

De omroepen waren nog geen publieke omroepen. De omroepen werden namelijk niet gefinancierd vanuit de overheid en waren afhankelijk van betaalde lidmaatschappen. Doordat de omroepen aan een zuil verbonden waren, ging het werven van leden eenvoudig. In een zuil was lidmaatschap aan de omroep die aan die zuil verbonden was vanzelfsprekend.

Jaren voor WOII

[bewerken | brontekst bewerken]
Foto van AVRO-verslaggever Gustav Czopp. (1939)

In aanloop naar de Tweede Wereldoorlog en de Duitse inval in Nederland in 1940, werd er op de radio nauwelijks kritische duiding gegeven over de ontwikkelingen in Duitsland, sinds de machtsovername van Adolf Hitler in 1933. De reden waarom echte kritiek uitbleef, was omdat volgens het censuurbeleid de omroepen noch kritiek mochten geven op andersdenkenden, waaronder nationaalsocialisten, noch op voor Nederland bevriende naties, waaronder nazi-Duitsland.[3] Dat laatste was wegens het feit dat Nederland een neutraliteitspolitiek voerde en daarom kritiek op andere landen verbood.[5] Alleen de VARA gaf, voor zover het mocht, kritiek op nazi-Duitsland, maar verdere kritiek door anderen bleef uit.[6]

Een van de weinigen die kritiek gaf op de manier hoe de radio-omroepen nieuws berichtten, was AVRO-verslaggever Gustav Czopp. In zijn boek De Wereld kreeg radio, verschenen in 1939, gaf hij felle kritiek op het omroepbestel en de manier waarop de overheid met de omroepen omging. Ook liet Czopp geen spaan heel van het censuurbeleid, de manier van nieuws verslaan en de journalistieke berichtgeving. Willem Vogt, de oprichter en directeur van de omroep AVRO, was niet te spreken over het boek van Czopp. Uiteindelijk werd Czopp door Vogt ontslagen, vanwege de kritieken in zijn boek.[5]

De manier waarop de radio over nazi-Duitsland en de opkomende oorlog berichtte, leidde ertoe dat Nederlanders slecht geïnformeerd waren over de gebeurtenissen en mentaal slecht voorbereid waren op een eventuele oorlog. Dit ging gepaard met de geestelijke ondermijning door de crisisjaren van de jaren 1930 en de Nederlandse neutraliteitspolitiek die tot 1940 door de overheid gevoerd werd.[7]

Verzuilde omroepen tijdens WOII

[bewerken | brontekst bewerken]
Duitse troepen arriveren bij de AVRO-Studio. (1940)

Op 10 mei 1940 viel nazi-Duitsland Nederland binnen. Na een gewapende strijd van vijf dagen gaf Nederland zich op 15 mei over. Na de capitulatie bleef de radio zwijgend stil. Het enige wat uitgezonden werd was het tikken van de AVRO-klok. Het tikken van de klok werd uitgezonden als reactie op de capitulatie en zou uren te horen zijn, totdat er weer een programma op de zender uitgezonden kon worden.[6]

Direct na de capitulatie kreeg de Rundfunkbetreuungsstelle (RBS), de instantie die verantwoordelijk was voor het omzetten van de Nederlandse radio naar een pro-Duitse radiozender, onder leiding van Arthur Freudenberg, het bevel om de volgende dag naar Hilversum te reizen, om de radio in Nederland over te nemen. De omroep waar de RBS als eerste arriveerde, was de AVRO. In een interview uit 1973 lichtte Freudenberg toe dat men eerst naar de AVRO ging, omdat die voor de oorlog al had samengewerkt met de RRG, de overkoepelende organisatie van regionale staatsomroepen in nazi-Duitsland.[8]

Uit angst dat de Nederlandse omroepen de zendmasten hadden gesaboteerd, had de RBS als voorzorgsmaatregel eigen zendapparatuur meegenomen. Achteraf bleek dat de zorgen onterecht waren, omdat de Nederlandse omroepen de Duitsers juist vriendelijk ontvingen.[9] Na het bezoek aan de AVRO vervolgde Freudenberg zijn rondgang bij de KRO. Bij de KRO was er verontwaardiging over het feit dat de RBS eerst bij de AVRO was langsgegaan.[10][5]

Beginjaren bezetting

[bewerken | brontekst bewerken]

De verzuilde organisaties in het algemeen hadden vanaf het begin van de bezetting het beleid zich niet tegen de Duitsers te verzetten, maar ze te gehoorzamen. Ze wilden daarmee voorkomen dat hun zuil, en de daarbij behorende organisaties, opgeheven zouden worden. Deze manier van handelen was ook terug te zien bij de omroepen, ook met het idee dat het beter was dat de omroepen bleven bestaan, dan dat er een nazi-staatsomroep voor in de plaats kwam.[5][11]

De eerste opdracht die de RBS aan de omroepen gaf, was het maken van Auflagesendungen. Dat waren propaganda-uitzendingen, bedoeld om het Nederlandse volk ervan te overtuigen dat de nieuwe bezetter het beste met de Nederlanders voor had. Ook kwam er een verbod op Engelstalige muziek en bepaalde andere soorten muziek, zoals jazz. Er werd daarnaast een gids gepubliceerd, waarin alle musici en componisten van Joodse komaf vermeld werden, die niet op de radio gedraaid mochten worden.[5]

Wybrands Marcussen interviewt Carel Piek. (1941)

Een bekend programmamaker, die verantwoordelijk was voor het maken van auflagesendungen, was Louis Wybrands Marcussen. Hij was sinds 1940 in dienst van de AVRO en kreeg van AVRO-directeur Willem Vogt direct de opdracht naar Berlijn te reizen, om NSB’er Max Blokzijl te interviewen. Marcussen stond bekend om zijn bewondering voor Hitler en zijn pro-Duitse sympathieën; redenen voor Vogt om hem ook in dienst te nemen, vanuit strategisch opzicht.[12] Marcussen werd bovendien verantwoordelijk voor de uitzendingen over Winterhulp Nederland, een door de Duitsers ingestelde, zogenoemde humanitaire organisatie.[13]

Op 20 juli 1940 werd de NSB’er Meinoud Rost van Tonningen liquidatie-commissaris van alle socialistische organisaties, waardoor hij ook automatisch commissaris werd van de socialistische omroep VARA.[14] De taak van Rost van Tonningen als liquidatie-commissaris was om alle socialistische organisaties gelijk te schakelen naar nationaalsocialistische organisaties. Nadat Rost van Tonning op 24 juli een radiorede had gehouden over de opstelling van het socialisme tegenover de ‘Nieuwe Orde’, ontstond er veel verontwaardiging bij de socialistische organisaties, waarna ze besloten zichzelf op te heffen.[15] Het VARA-bestuur kwam echter met een verklaring, waarin het schreef dat de omroep, ondanks een moeilijke tijd, voortgezet moest worden en bereid was de ordes van de Duitsers op te volgen. De verantwoordelijken voor deze verklaring waren onder anderen VARA-voorzitter Arend de Vries en omroepsecretaris Arie Pleysier.[16] Uiteindelijk zou deze verklaring leiden tot vele ontslagen en opzeggingen van lidmaatschappen. Wel hielden De Vries en Pleysier voet bij stuk door geen nationaalsocialistische propaganda uit te zenden en geen onderscheid te maken tussen Joodse en niet-Joodse medewerkers. Dit keurde de RBS goed, met de voorwaarde dat de VARA geen programma’s ging maken die de Wehrmacht kon schaden.[5]

Ook de confessionele omroepen KRO, NCRV en VPRO besloten zich direct aan te passen aan de nieuwe situatie en geen slechte indruk te maken bij de bezetter en de RBS. Zo schreef NCRV-bestuurder Köning in de NCRV Gids dat de NCRV de Duitsers zou gehoorzamen, omdat de NCRV altijd trouw was aan de wil van de overheid en God. En omdat in deze situatie de Duitsers ‘de huidige overheid’ waren, ging de NCRV ook aan hun gehoorzamen.[17][7] Bij de KRO nam directeur Paul Speet de NSB’er George Bosman aan. Bosman moest in zijn functie de band tussen de KRO en de RBS goed houden, om zo een wit voetje bij de Duitsers te krijgen. Bosman kreeg vanwege zijn functie vrij snel de bijnaam ‘fuifcontact’.[18] Bij de VPRO was de situatie anders dan bij de overige omroepen. Omdat de VPRO een kleinere omroep was, met beperkte zendtijd, deed zij niet aan auflagesendungen.[7] Wel besloot de omroep in de omroepgids Vrije Geluiden de Duitsers en hun ideologie goed te praten, met verschillende artikelen die aan deze eis voldeden.[19]

Er waren wel kritische geluiden te horen over de manier waarop de omroepen meegingen met de bezetter. Zo schreef Johan Scheps, die werkzaam was bij omroep VARA, felle brochures waarin hij pleitte om de VARA op te heffen, zodat de VARA geen gehoor meer zou geven aan de bevelen van de Duitse bezetter. Echter wees de VARA de kritiek van Scheps af. De VARA beredeneerde ervan overtuigd te zijn dat, als de omroep zichzelf zou opheffen, er ook geen neutrale programma’s, zoals cursussen, meer uitgezonden zouden worden.[20]

Opheffing omroepen

[bewerken | brontekst bewerken]
AVRO-directeur Willem Vogt in 1939. Vogt zou volgens het AVRO/KRO-voorstel directeur-generaal worden van de nieuwe nationale omroep.

De Duitse bezetter reageerde achteraf verbaasd over de vrijwillige medewerking van de radio-omroepen. In plaats van verzet, zoals in de overige bezette gebieden, stonden de omroepen open om te luisteren naar de Duitse bevelen, wat de Duitsers ook beviel. Tegelijkertijd had de bezetter de wens het verzuilde omroepbestel te vervangen naar een nationaalsocialistische staatsomroep. Vanaf de zomer van 1940 begon de RBS met het proces tot het concentreren van de omroepen tot een nationale omroep. Ook de NSB sprak zich uit voor een nationale omroep. De omroepen zelf behielden uiteraard de wens hun identiteit te behouden en wilden definitieve opheffing voorkomen.

Ondertussen kwam er meer druk vanuit het gezag in Berlijn om de concentratie van de omroepen te versnellen. RRG-leider Glasmeier bracht in augustus en in oktober een bezoek aan de RBS met het klemmende beroep om de omroepen op te heffen. Ook na een bezoek van de RBS aan Berlijn, werd deze oproep herhaald. Freudenberg zelf liet in het najaar van 1940 aan de omroepen herhaaldelijk weten tot november de tijd te hebben om met een eigen plan te komen.[21]

De omroepen AVRO, KRO, NCRV en VARA waren voor de oorlog al verenigd in het Centraal Bureau voor den Omroep, wat als overlegorgaan functioneerde. Toen de bezetting in Nederland begon, ontstonden in dat overlegorgaan direct twee kampen. Het ene kamp bestond uit de AVRO en de KRO en het andere uit de NCRV en de VARA. Het kamp van de NCRV en VARA was principiëler en verzette zich het meest tegen de voorstellen, terwijl de AVRO en KRO bereid waren toe te geven aan de plannen.[7] De AVRO en KRO waren bereid zichzelf op te heffen, om plaats te maken voor een geconcentreerde omroep. De NCRV en VARA hadden juist het streven naar een omroep, waarin de identiteiten van de verschillende omroepen nog zichtbaar waren en wezen opheffing af. Uiteindelijk ontstond een strijd om wie het beste voorstel voor de Duitsers kon inleveren.

De AVRO en KRO dienden als eerste een plan in voor een nationale omroep. Hun voorstel was dat Willem Vogt directeur-generaal zou worden van de nieuwe omroep en dat George Bosman de functie van secretaris-generaal zou bekleden. Het plan werd ingediend als een voorstel van alle vier de omroepen gezamenlijk, terwijl de NCRV en VARA niet op de hoogte waren van het plan. Zij reageerden woedend op het voorstel van de AVRO en KRO.[22] Nadat de NSB had aangegeven zelf maatregelen te nemen, kwamen de omroepen alsnog met een gezamenlijk plan, dat veel weg had van het voorstel dat de AVRO en de KRO eerder indienden. Het enige verschil met het vorige voorstel, was dat Bosman niet meer genoemd werd als eventuele secretaris-generaal.[23] Het gezamenlijke plan leidde echter niet tot succes, want de Duitsers hadden zelf al het besluit genomen om de omroepen op te heffen. Op 12 december stelde de RBS Antoine Dubois, voormalig directeur van radiofabrikant NSF, aan om leiding te geven aan de concentratie van de omroepen.[24] De dag daarvoor werd het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) opgericht, onder leiding van Tobie Goedewaagen, die de verantwoordelijkheid voor de nieuwe omroep op zich nam.

Het duurde een tijd voordat de omroepen definitief werden opgeheven. Ook na het besluit van de RBS tot concentratie van de omroepen, waren de namen en de programma’s van de omroepen nog steeds op de radio te horen, ook al hadden de omroepen zelf daar geen controle meer op.[7] Dubois wilde wel gerealiseerd hebben dat de nieuwe omroep geen nationaalsocialistische en antisemitische propaganda en geen programma’s tegen het koningshuis zou gaan uitzenden, vanwege zijn wens voor een omroep die neutraliteit moest uitstralen. De RBS had de voorstellen van Dubois wel meegenomen, totdat in februari duidelijk werd dat de nieuwe omroep het tegenovergestelde zou worden dan hoe Dubois het voor zich zag. Daarop besloot Dubois ontslag te nemen.[7] Begin maart 1941 kregen de abonnees van de verschillende omroepgidsen het bericht te lezen, dat de aan de gids verbonden omroep kort daarop opgeheven zou worden. Op 12 maart 1941 vaardigde rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart een verordening uit, waarmee officieel een einde kwam aan de verzuilde radio-omroepen.

Nederlandsche Omroep

[bewerken | brontekst bewerken]
Logo van de Nederlandsche Omroep.

Op 9 maart 1941, drie dagen vóór de officiële opheffing van de omroepen, werd de Rijks Radio-Omroep opgericht, die later de Nederlandsche Omroep (NO) zou gaan heten. De NO zou haar programmering volledig in het teken zetten van het uitzenden van nationaalsocialistische propaganda, in tegenstelling tot de verzuilde radio-omroepen. De NSB’er Willem Herweijer werd benoemd tot directeur-generaal van de nieuwe omroep, op voordracht van de NSB zelf. Ondanks zijn NSB-lidmaatschap werd Herweijer binnen de omroep geaccepteerd, omdat Herweijer een beleid voerde zonder strenge eisen en druk. Volgens oud-werknemers stelde Herweijer zich ‘idealistisch en correct’ op tegenover de omroepmedewerkers.[25]

De programmering van de Nederlandsche Omroep stond volledig in het teken van het maken van propaganda voor de NSB en de SS, met daarnaast het maken van propaganda die antisemitisch van aard was. Als directeur-generaal wilde Herweijer de programmering in het teken zetten van ‘informering en opvoeding’. Het Nederlandse volk moest volgens hem ‘goed op de hoogte zijn van actuele gebeurtenissen’ en ‘kennis hebben van de Nederlandse cultuur en volksaard’. Ook wilde Herweijer de omroep meer collectivistisch opstellen, in plaats van dat de omroep zich individualistisch opstelde, wat hij de verzuilde omroepen verweet. De idealen van Herweijer en de NSB waren het tegenovergestelde van wat de Duitsers van de NO verwachten. De Duitse bezetter gaf juist de voorkeur aan een meer groot-Duitse culturele programmering, terwijl de NSB van mening was dat er duidelijke verschillen bestonden tussen de Duitse en de Nederlandse cultuur.[26]

Omslag van de luistergids van de Nederlandsche Omroep. (1943)

Bepaalde procedures die waren ingesteld bij de verzuilde omroepen bleven van kracht bij de Nederlandsche Omroep. Zo was ook de Nederlandsche Omroep verantwoordelijk voor het maken van verplichte auflagesendungen. Maar ook regelementen en componenten die al vóór de oorlog waren ingesteld, zoals de censuurcommissie, bleven ook bij de NO bestaan. Het personeel van de Nederlandsche Omroep bestond voor een groot deel uit werknemers die daarvoor bij de verzuilde omroepen in dienst waren geweest. Bij de werknemers waren er diverse redenen om te blijven werken bij de nieuwe nationale omroep.[27] Sommigen deden dat uit veiligheidsredenen, omdat ze bijvoorbeeld door Herweijer werden weggehouden van de arbeitseinsatz.[28] Anderen deden het uit financiële motieven, om toch nog aan inkomen te komen. Bij anderen was de overtuiging groot dat zij beter bij de NO in dienst waren, dan mensen die trouw waren aan de bezetter en de NSB. Daarnaast vonden sommige werknemers dat ze hun baan bij de omroep ook konden gebruiken om stiekem verzet te plegen in de vorm van sabotage.[5] Overigens was het ook voor de NO zelf van belang dat de oude werknemers in dienst bleven. Dit om technische kennis en kunde te behouden en om te zorgen voor continuïteit voor de luisteraar.[26][29] Slechts enkele werknemers namen daadwerkelijk ontslag, vanwege principiële redenen. Zo nam voormalig AVRO-omroeper Frits Thors ontslag, omdat hij vanwege principiële bezwaren niet wilde werken voor een nationaalsocialistische omroep.[30]

Toenemende propaganda binnen de NO

[bewerken | brontekst bewerken]

Halverwege 1941 kreeg de propaganda een steeds prominentere rol binnen de Nederlandsche Omroep. Zo zond de NO het tienjarige jubileum van de NSB uit en kwam er een uitzending speciaal gewijd aan de verjaardag van Adolf Hitler.[26] Een belangrijke afdeling binnen de NO was de afdeling Reportage en Staatspolitiek. Bij Reportage en Staatspolitiek was propaganda superieurder en essentiëler aanwezig dan bij overige afdelingen. De afdeling had bijvoorbeeld de taak propaganda te maken, waarin er bewust valse informatie vermeld werd over acties die uitgevoerd werden door de geallieerde troepen. Zo berichtte de NO het bombardement van Den Briel in 1943 als een bewuste actie van de geallieerden, terwijl het bombardement in feite per ongeluk uitgevoerd werd.[26]

Ook het maken van antisemitische propaganda kreeg een prominente plek in de programmering. Deze propaganda bestond uit verschillende soorten programma’s, waarin het doel was de Joden af te schilderen als een gevaarlijk ras, dat uitgeroeid moest worden. Een voorbeeld van deze antisemitische propaganda waren de zogenaamde colleges over het Jodendom van NSB’er Robert van Genechten, waarin hij onder andere zei dat het Jodenprobleem alleen opgelost kon worden als de Joden vernietigd zouden worden.[31][26]

Affiche van het Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter. (1942)

De propaganda werd daarnaast ook de inhoud van andere, op het eerste oog onschuldige, programma’s, waaronder amusementsprogramma's. Het bekendste amusementsprogramma van de Nederlandsche Omroep was het Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter, pseudoniem van tekstdichter Jacques van Tol. Van Tol had de opdracht van de Duitse bezetter aanvaard om voor de Duitse kant, elke zondagmiddag, satire te bedrijven in de vorm van liedjes en conferences.[5] Deze conferences waren erg antisemitisch van aard. Een bekend voorbeeld van Van Tols antisemitische bijdragen was een bewerking van een lied dat hij ooit voor de Joodse revueartiest Louis Davids had geschreven, De kleine man. Van Tol vormde De kleine man, een lied over een man die altijd pech had, om naar De Jodenman, wat in feite een puur antisemitisch lied was.[32]

Laatste jaren (1943-1945)

[bewerken | brontekst bewerken]

In mei 1943 verdween zo’n 75% van de luisteraars van de Nederlandsche Omroep.[26] Oorzaak was het Duitse bevel om alle radiotoestellen in te leveren. De Duitse bezetter wilde namelijk voorkomen dat berichten, die uit Londen afkomstig waren, de Nederlandse bevolking zouden bereiken. Ondanks de inlevering van de radio’s mocht de Nederlandsche Omroep gewoon doorgaan met uitzenden. Dit kwam doordat de NO niet alleen via de ether uitzond, maar ook via kabel, wat nog wel toegestaan was. Het aantal luisteraars bleef echter laag, ook omdat de omroep onder de bevolking niet meer populair was.[33] Vanwege papierschaarste hield ook de omroepgids van de Nederlandsche Omroep op te bestaan.

Vanaf 1944, toen het einde van de oorlog steeds meer in zicht kwam, werd de Nederlandsche Omroep steeds feller in haar programma’s, doordat de invloed van de SS, zowel bij de werknemers als bij de omroep zelf, steeds groter werd.[34] Zo werden verslaggevers van de afdeling Reportage, op bevel van de SS, naar Berlijn gestuurd en opgeleid tot oorlogsverslaggevers, om later naar het Oostfront gezonden te worden om daar verslag te doen van de laatste ontwikkelingen. Ook kreeg de SS de mogelijkheid om, via de Nederlandsche Omroep, mensen te werven voor de Waffen-SS voor de strijd tegen de Sovjet-Unie. Tot slot ging de NO het programma Neerlands Stem voor het Oostfront uitzenden, waarin reportages werden uitgezonden die gemaakt werden door NO-verslaggevers die naar het Oostfront gestuurd waren.[26][35]

Nadat Dolle Dinsdag in 1944 had plaatsgevonden werd de Nederlandsche Omroep opgeheven, maar niet volledig. In Hilversum, waar de NO ook gevestigd was, was de omroep nog tot de bevrijding in 1945 te beluisteren. Op 6 mei 1945 werd de laatste uitzending van de NO uitgezonden. De uitzending bestond uit een toespraak van NSB’er Max Blokzijl, die na de bevrijding gefusilleerd werd. Directeur-generaal Willem Herweijer had al in maart 1945 zijn ontslag ingediend, en was met zijn gezin naar Zwitserland gevlucht. Hij stierf daar in 1996.

Joodse omroepmedewerkers

[bewerken | brontekst bewerken]
Han Hollander geeft commentaar tijdens de voetbalwedstrijd Nederland - Schotland. (1938)

Van oudsher waren er veel Joodse werknemers actief bij de AVRO en de VARA. Dit had te maken met het feit dat de Joden in de verzuilde samenleving zich vaker aan de liberale of socialistische zuil verbonden. Bij de overige omroepen waren er ook Joodse werknemers in dienst, maar daar was sprake van kleine percentages in vergelijking met de niet-religieuze omroepen.[5]

Een bekende Joodse omroepmedewerker was Han Hollander. Hollander werd, op initiatief van Willem Vogt die Hollander nog kende van zijn militaire dienst, in 1928 bij de AVRO aangenomen als sportverslaggever en als commentator bij sportevenementen. Met name als sportcommentator verwierf Hollander grote bekendheid en won hij aan populariteit. Zijn eerste grote evenement, de voetbalwedstrijd Holland - België, werd zo’n enorm succes, dat Hollander in de periode daarna meer wedstrijden mocht verslaan, in totaal meer dan 50 interlands. Ook bij het WK voetbal van 1934 en de Olympische Spelen van 1936 was Hollander commentator.

Naast Hollander waren ook Max Tak (componist en recensent) en Jetty Cantor (zangers) bekende Joodse werknemers die in dienst waren van de AVRO. De VARA kende ook veel werknemers met een Joodse achtergrond, waarvan er een, Meyer Sluyser, zelfs in het VARA-bestuur zat. Ook het Amsterdamse jazz-duo Johnny & Jones, die bij de VARA te horen waren, waren beiden Joods. Bij de religieuze omroepen KRO, NCRV en VPRO waren weinig Joden in dienst, omdat deze omroepen de voorkeur hadden voor mensen die het christelijk geloof beleden. Toch namen de omroepen Joden aan om voor hun te werken. Zo waren bij de KRO Joden actief in het KRO-orkest, omdat de vraag naar personeel bij de KRO groot was en er weinig mensen in de katholieke zuil gerekruteerd konden worden.[36]

Joodse omroepmedewerkers tijdens WOII

[bewerken | brontekst bewerken]
Johnny & Jones (Nol van Wesel en Max Kannewasser) op een prentbriefkaart uit 1938.

Maatregelen tegen Joodse omroepmedewerkers volgden niet alleen op de Duitse bezetting, maar ook voor de Tweede Wereldoorlog had de KRO al maatregelen genomen tegen Joodse werknemers. Deze volgden niet uit druk van of uit angst voor de Duitsers, maar vanwege andere, antisemitische redenen. De KRO gaf de voorkeur aan ‘goede katholieken' in dienst bij de katholieke omroep, en mede door het oplaaiende antisemitisme in de jaren 1930 groeide ook het religieus-antisemitisme bij de KRO sterk. Ook de orthodox-katholiek Hendrikus Schaffers, programmaleider bij het KRO-orkest, had de wens dat zijn orkest enkel en alleen uit katholieken bestond, en ontsloeg daarom zeven Joodse orkestleden. Officieel vanwege een wisseling in de muziek, maar in feite was deze maatregel discriminerend en antisemitisch te noemen. Naast het ontslaan van Joodse musici, werden ook critici van dat besluit ontslagen.[36]

Direct nadat de capitulatie in 1940 begonnen de omroepen met het ontslaan van Joodse omroepmedewerkers, zelfs voordat de Duitsers daar opdracht voor gaven.[5] Er valt te betwijfelen of daarbij werkelijk sprake was van antisemitisme of pro-Duitse sympathieën. Het belang van de omroepen was om de omroepen draaiende te houden, en daarmee te voorkomen dat er een nationaalsocialistische omroep in hun plaats zou gaan komen.[21]

De Joodse werknemers die werden ontslagen, hadden na hun ontslag recht op wachtgeld. Deze speciale regeling werd door Antoine Dubois ingevoerd en werd bij de latere Nederlandsche Omroep door Willem Herweijer gehandhaafd. Ook werknemers die vanwege bezwaren tegen de NO werden ontslagen, hadden recht op wachtgeld. Joodse werknemers maakten van het wachtgeld gebruik en werden doorbetaald, zelfs als ze ondergedoken waren. Nadat de Joodse werknemers werden opgepakt en afgevoerd werden, werd hun wachtgeld stopgezet.[37]

AVRO-muzikant Hans Mossel in 1937. Mossel werd in 1944 in Auschwitz vermoord.

In 1940 werd Han Hollander door Willem Vogt ontslagen bij de AVRO. Ook in dit geval is het echter niet gezegd dat Vogt het ontslag op antisemitische dan wel pro-Duitse grond nam;[21] Vogt was immers ook de persoon die Hollander in 1928 bij de omroep had gehaald. Hollander zelf meende dat hij niet opgepakt zou worden, omdat hij een oorkonde van Adolf Hitler, die hij kreeg als dank voor het geven van commentaar tijdens de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn, als vrijbrief zag om niet opgepakt te worden.[5] Toch werd Hollander naar Kamp Westerbork afgevoerd, waar hij overigens niet in Westerbork zelf, maar in de barakken van het nabijgelegen Kamp Hooghalen woonde, waar de bewakers sliepen. Hollander werd in 1943, als strafmaatregel, op deportatie gezet, omdat zijn vrouw bij een aanvaring de Duitsers had uitgescholden.[38] Hij werd afgevoerd naar Kamp Sobibór in Polen, waar hij op 9 juli 1943 werd vermoord. Overige Joodse AVRO-medewerkers die de oorlog niet hebben overleefd, waren verslaggever Gustav Czopp (overleden in 1944 in Dachau), muzikant Hans Mossel (overleden in 1944 in Auschwitz) en componist Dolf Karelsen (overleden in Midden Europa in 1944).

Ook bij de omroep KRO ging men steeds meer Joodse werknemers ontslaan, waaronder het ontslaan van Joodse orkestleden. Wederom nam Hendrikus Schaffers het initiatief en ontsloeg de laatst overgebleven Joodse orkestleden. Deze ontslagen hadden betrekking tot de ariërverklaring, waar men moest aangeven geen Jood te zijn. Hierdoor was er vanaf 1941 geen Jood meer actief in het KRO-orkest. Van de vijftien Joodse orkestleden die uit het KRO-orkest werden ontslagen, werden er tien uiteindelijk vermoord in concentratiekampen.[36]

Bij de VARA werden pas veel later Joden ontslagen, omdat de VARA haar Joodse werknemers wilde beschermen, totdat het niet meer kon.[7] Voor het Joodse jazz-duo Johnny & Jones, bestaande uit Nol van Wesel en Max Kannewasser, gold dat zij in de begindagen van de oorlog alleen mochten optreden voor een Joods publiek. Na de opheffing van de VARA werden zij ontslagen. Later zouden zowel Van Wesel als Kannewasser afgevoerd en op deportatie gezet worden. Beiden overleden in 1945 in concentratiekamp Bergen-Belsen.

Een aantal Joodse omroepmedewerkers overleefde de oorlog, waaronder AVRO-werknemers Max Tak en Jetty Cantor en VARA-bestuurder Meyer Sluyser. Sluyser had tijdens de Duitse invasie Nederland weten te vluchten naar Engeland. In Engeland ging hij, in dienst van de Nederlandse regering, aan de slag als chef Radioluisterdienst en later als medewerker bij de radiozenders Radio Oranje en De Flitspuit.

Sabotage en verzet

[bewerken | brontekst bewerken]
Voorkant van het personeelsblad Wij van den Omroep uit 1942. Als tegenreactie, richtte omroepmedewerkers het blad Zij van den Omroep op.

De omroepen stuitten tijdens de Tweede Wereldoorlog soms op verzet en sabotage. Met name bij de Nederlandsche Omroep vond er veel sabotage plaats, maar ook bij de verzuilde omroepen was er al, op enkele momenten, sprake van (plannen voor) verzet.

Een enkele keer hebben de omroepen gezamenlijk verzet gepleegd tegen de RBS. Freudenberg had aan de omroepen de opdracht gegeven verslag te doen van een NSB-parade. De omroepen reageerden hier fel op en weigerden principieel een verslag over de parade uit te zenden. Deze verzetsactie wist de RBS met gemak te negeren, door voor een kwartier lang zendtijd van de omroepen te kapen voor de NSB-reportage. Na deze actie vielen de omroepen weer terug in hun oude rol, uit angst nog zo’n reactie van de RBS te krijgen, wat voor de omroepen nadelig zou uitpakken.[5]

De Nederlandsche Omroep werd na de oprichting onder de omroepenmedewerkers over het algemeen niet met enthousiasme ontvangen. Voor enkelen was indiensttreding bij deze nieuwe omroep een bewuste keus om vanuit hun functie verzet te plegen tegen de NO. Er werd echter nooit iemand opgepakt voor het plegen van verzet bij de omroep, omdat het lastig te achterhalen was of een actie per ongeluk of met opzet had plaatsgevonden.[5] Er was soms sprake van grote verzetsacties, maar de meeste daden hadden meer weg van plaagstootjes en waren laagdrempelig van aard.

De NO gaf vanaf de herfst van 1941 het personeelsblad Wij van den Omroep uit, waarmee de omroep hoopte de medewerkers het nationaalsocialisme te laten omarmen. Als tegenreactie richtten medewerkers het blad Zij van den Omroep op. In dat geheime blad werd allerlei vertrouwelijke informatie gepubliceerd, waarvan de NO zelf liever niet wilde dat het naar buiten kwam. Ook de mededelingen, dat de omroepmedewerkers verantwoordelijk waren voor het maken van nazi-propaganda, stonden in het blad vermeld. Er zijn nooit medewerkers verantwoordelijk gehouden voor het maken en verspreiden van het blad Zij van den Omroep.[39]

De overige verzets- en sabotageacties die gepleegd werden, waren kleinschalig en kende geen grote risico’s. Zo stal het omroeppersoneel pistolen van NSB’ers en werd er gesjoemeld met de plaat waar de 1 mei-toespraak van Anton Mussert opstond. Ook wisten de omroepmedewerkers erin te slagen de Vijfde Symfonie van Ludwig van Beethoven uit te zenden, waar het begin van het stuk overeenkwam met de morsecode voor de letter V, wat voor Victory stond. Omdat het nooit precies te achterhalen was of het ging om een incident of een sabotageactie, werden er nooit omroepmedewerkers voor deze acties aangeklaagd of vervolgd.[40]

Grootschalige sabotage- en verzetsacties

[bewerken | brontekst bewerken]

Een van de omroepmedewerkers die verzet pleegden was programmatechnicus Adrie Lievense. Hij was een van de omroepmedewerkers die betrokken waren bij grote verzet- en sabotageacties bij de VARA en de NO. In 1973 vertelde Lievense in een interview van Dick Verkijk over de verzetsacties bij de omroep.

Toen op 25 februari 1941 naar aanleiding van de Jodenvervolging een staking begon, die later de Februaristaking genoemd zou worden, wilde VARA-programmatechnicus Adrie Lievense de VARA overtuigen om ook deel te nemen aan de actie en de VARA ook te laten staken, uit solidariteit met de stakers. De volgende dag maakten de omroepmedewerkers van de VARA, samen met de werknemers van de NCRV, de afspraak om de geplande programmering terug te draaien en volledig te gaan staken. Dit bericht kwam ook terecht bij het VARA-bestuur, en leidde ertoe dat het bestuur een spoedvergadering organiseerde, met de vraag wel of niet deel te nemen aan de staking. Er leek groen licht te komen voor het plan, maar Antoine Dubois wist het bestuur alsnog te overtuigen geen staking te houden door ze te herinneren aan eventuele consequenties.[41]

Op 29 april 1943 zond de Duitse bezetter een memo uit om via de radio de oproep te verspreiden aan alle voormalige soldaten uit het Nederlandse leger om zich te melden, om in krijgsgevangenschap te worden genomen. Adrie Lievense had al eerder vernomen dat de Duitsers de omroep het bevel gingen geven om deze oproepen via de radio te verspreiden. Hij besloot actie te ondernemen. Lievense had veel eerder al, als voorzorgsmaatregel, speciale memo’s gestolen, waar speciale omroepberichten op geschreven werden. Op zijn persoonlijke typemachine schreef Lievense vervolgens een nieuwe memo waarin vermeld stond dat de omroepen de oproepen niet hoefden uit te zenden, in de hoop verwarring en vertraging te veroorzaken. De memo's werden voorzien van valse handtekeningen en werden vervolgens in enveloppen gestopt. Om te zorgen dat de enveloppen bij de loopjongen terecht zouden komen, liet Lievense de enveloppen achter op de plek vanwaar ook de oorspronkelijke memo's waren verstuurd. De memo's zouden de omroepen echter nooit bereiken. De enveloppen werden ontdekt en kwamen in handen van een NSB-functionaris, die er direct melding van maakte. De Duitsers reageerden woedend op de valse berichten. Het achterhalen van de auteur van de valse berichten bleek echter een onmogelijke opgave. Er werd ontdekt dat de memo's op oude papieren waren getypt, en de aanwezige typemachines toonden geen overeenkomsten met de memo. De zaak bloedde daardoor dood, en er werd niemand verantwoordelijk gehouden voor de actie.[42]

Voorkant van De Radiobode, de omroepgids van de AVRO. Na de bevrijding publiceerde de omroepen weer hun omroepgids, voordat de zuiveringscommissie werd ingesteld.

Nadat op 5 mei 1945 Nederland officieel na vijf jaar bezetting bevrijd werd, vonden er grote zuiveringen plaats bij de omroepen en werd er afgerekend met de mensen die schuldig waren aan collaboratie. Ook had men het streven om na de oorlog de verzuilde omroepen te vervangen door een nieuwe nationale omroep. De Stichting Radio Nederland in den Overgangstijd, die door de regering vanuit Londen werd opgericht, had het doel de verzuilde omroepen te vervangen. In 1947 werd besloten dat de verzuilde omroepen toch mochten terugkeren, omdat na de oorlog de verzuiling weer sterk toenam en zowel de omroepen als de politiek het idee van een nationale omroep niet (meer) zagen zitten.[5][21][43]

In de periode tussen 1945 en 1947 vonden er grote zuiveringen plaats bij de verzuilde radio-omroepen, waardoor leidinggevende van voor de oorlog niet meer terugkeerden op hun oude posities. Bij de VARA vertrokken Arie Pleysier en Arend de Vries uit het bestuur en bij omroep KRO werd voorzitter pater Dito uit zijn ambt gezet. Ook overige KRO-medewerkers, die samen hadden gewerkt met de Duitsers, mochten niet meer terugkeren. Zo mocht Hendrikus Schaffers niet meer bij de KRO terugkeren als programmaleider, vanwege zijn collaboratie.[36] In eerste instantie mocht ook KRO-directeur Paul Speet niet meer terugkeren bij de KRO, vanwege zijn samenwerking met de Duitsers. Maar na een tweede onderzoek, mocht Speet toch terugkomen, wegens gebrek aan bewijs. In 1947 keerde Paul Speet weer terug op zijn oude positie en zou de functie van directeur tot zijn dood in 1956 vervullen.

Willem Vogt in 1968.

Bij de AVRO werd er ook een zuiveringscommissie ingesteld, waarin alle medewerkers werden verhoord. Sommige werknemers mochten terugkeren bij de omroep en werden ‘gezuiverd’. Anderen kregen een tijdelijk of een geheel verbod om bij de AVRO te werken. AVRO-directeur Willem Vogt werd, vanwege het onderzoek naar zijn handelen in de oorlog, uit zijn functie gezet. Uiteindelijk werd in het rapport geconcludeerd dat Vogt zijn functie als directeur toch weer mocht herpakken en hij niet vervolgd hoefde te worden. Op dit besluit volgde jaren later kritiek, met het verwijt dat het ontslaan van Joodse werknemers niet was meegenomen in het onderzoek.[21] Vogt bleef tot 1952 directeur van de AVRO. In 1953 werd hij ereburger van Hilversum en werd hij opgenomen in het Gulden Boek van de gemeente Hilversum. Later werd Vogt benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Na 1947 en Radio Hilversum 1940-1945

[bewerken | brontekst bewerken]

In de jaren daarna kregen de omroepen te maken met grote veranderingen. In 1951 werd de televisie in Nederland geïntroduceerd en richtten de omroepen de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) op. Omdat de omroepen vanwege hun televisie-activiteiten inmiddels betaald werden door middel van kijk- en luistergeld, werden de verzuilde radio-omroepen vanaf toen publieke omroepen.

In de jaren na de oorlog heerste er bij de omroepen een taboe op hun oorlogsverleden. De rol van de omroepen tijdens de bezetting werd in de eerste decennia na de oorlog ook nauwelijks in boeken of documentaires over de oorlog vermeld.

Dick Verkijk in 2008.

In het werk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1969) behandelde Loe de Jong de radio in het bezette Nederland wel in beperkte mate. In 1973 verscheen het boek Radio Hilversum 1940-1945 van journalist Dick Verkijk. Hij vatte op basis van onderzoek en interviews met betrokkenen de geschiedenis van de omroep tijdens de bezetting samen, en uitte stevige kritiek op het handelen van de omroepen in de Tweede Wereldoorlog. Het boek kreeg veel aandacht in de kranten. Bij de omroepen werd het boek niet met enthousiasme ontvangen en hoopte men dat de aandacht snel zou verdwijnen. In 1974 werd, op basis van Verkijks boek, een vijfdelig, gelijknamig radioprogramma door de NOS uitgezonden.[44]

Het verraad van Hilversum (2024)

[bewerken | brontekst bewerken]

In 2024 werd de tv-documentaire Het verraad van Hilversum uitgezonden door de EO. Daarin werden de handelingen van de omroepen tijdens de bezetting uitgebreid behandeld en ook de gebeurtenissen van de omroepen na de oorlog. De betrokken omroepen verleenden hun medewerking aan de documentaire, met uitzondering van AVROTROS. De omroep reageerde nadien in een verklaring dat de oorlog een zwarte bladzijde was in de geschiedenis van AVROTROS.[5] De overkoepelende organisatie NPO wilde niet meewerken aan de documentaire.[45]

De uitzending leidde tot geschokte reacties. Er werd verbijstering uitgesproken over het feit dat de omroepen uit eigen initiatief meewerkten met de Duitse bezetter. Omroepen en andere organisaties gingen direct over tot maatregelen. Zo besloten AVROTROS en KRO-NCRV de naam van Willem Vogt te verwijderen uit de naar hem genoemde Willem Vogt-zaal in Hilversum.[46] Daarnaast besloot KRO-NCRV een onderzoek te starten naar de Joodse orkestleden uit het KRO-orkest.[47] De gemeente Hilversum besloot een onderzoek te starten naar Willem Vogt, om op basis van het onderzoek te besluiten of Vogt nog genoemd mocht worden in het Gulden Boek van de gemeente.[48] De NPO kwam later ook met een reactie en maakte bekend om, naar aanleiding van de documentaire, een monument op het Media Park op te richten ter nagedachtenis aan de vermoorde omroepmedewerkers.[49]

In april 2025 publiceerde mediahistoricus Huub Wijfjes, die de opdracht van de gemeente Hilversum kreeg om het handelen van Vogt te onderzoeken, het eindrapport van het onderzoek. Wijfjes concludeerde dat Vogt slechts pragmatisch handelde, om de AVRO overeind te houden, en er geen bewijs is dat Vogt met de Duitsers heulde en antisemitisch handelde.[50] Op basis van het onderzoek besloot de gemeente Hilversum Vogt niet te verwijderen uit het Hilversumse Gulden Boek.[51] In mei van dat jaar kwam het journalistieke programma Pointer van KRO-NCRV met een uitzending over de Joden die ontslagen werden uit het KRO-orkest. Uit de reconstructie bleek dat er bij de KRO al vóór de oorlog sprake was van antisemitisme, vanwege een pro-katholieke houding, en dat KRO-medewerkers die met de Duitsers meewerkten na de oorlog, onder wie programmadirecteur Hendrikus Schaffers en dirigent Pierre Reinards, gestraft werden om hun pro-Duitse sympathieën en collaboratie met de Duitsers.[36]

Onder historici bleef de discussie bestaan of het handelen van de omroepen en het ontslaan van Joden pragmatisch of openlijk pro-Duits en antisemitisch was. Met name over hoe Willem Vogt tijdens de oorlog te werk ging, is bij historici een twistpunt. Volgens Huub Wijfjes handelde Willem Vogt uit het belang om de AVRO in de lucht te houden,[50] terwijl historicus Marnix Koolhaas van mening is dat Vogt wel degelijk Joodse werknemers ontsloeg vanwege hun Joods-zijn.[52]

Bronnen en referenties

[bewerken | brontekst bewerken]