Neoliberalisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Neoliberalisme was oorspronkelijk het streven naar een gereguleerde markt, waarbij marktinvloeden gecombineerd worden met overheidsinvloeden. Hiermee onderscheidde het neoliberalisme zich van het klassiek-liberalisme dat minimale overheidsinvloed beoogt en het socialisme dat méér overheidsinvloed nastreeft. Oorspronkelijk werd het neoliberalisme derhalve geplaatst tussen het socialisme en het klassiek-liberalisme.

De term neoliberalisme stamt uit de jaren dertig van de twintigste eeuw[1] en is sindsdien meermaals van betekenis veranderd.[2][3] Tegenwoordig wordt de term vooral op negatieve wijze gehanteerd[2] als politieke slogan[4] of 'politiek scheldwoord',[5][6] waarbij onduidelijk blijft wat er exact mee bedoeld wordt, waarmee 'neoliberalisme' een essentially contested concept is geworden.[2] De term wordt tegenwoordig vaak op negatieve wijze gebruikt door mensen die zich tegen vrije markten keren.[2]

Definitie en ontwikkeling van het neoliberalisme[bewerken]

Oorspronkelijk, van de jaren dertig tot de jaren vijftig van de twintigste eeuw, was het neoliberalisme een nieuwe, liberale filosofische stroming. In de jaren zestig verdween deze filosofische stroming en werd het begrip nauwelijks meer gehanteerd. In de jaren zeventig werd de term nieuw leven ingeblazen, maar nu op nadrukkelijk negatieve wijze. In de eenentwintigste eeuw, is neoliberalisme geen duidelijk omlijnd begrip meer; wat onder het begrip verstaan wordt, verschilt bovendien langs ideologische lijnen. Hiermee is de term verworden tot een essentially contested concept[2]. In het algemeen wordt de term, anders dan in de eerste helft van de twintigste eeuw, op negatieve wijze gebruikt[2] als politieke slogan[4] of 'politiek scheldwoord'.[5][6]

Oorspronkelijk neoliberalisme: Walter Lippmann Colloquium[bewerken]

De term neoliberalisme is in 1938 gelanceerd op het Walter Lippmann Colloquium in Parijs.[1] Op uitnodiging van de Franse filosoof Louis Rougier kwamen liberale intellectuelen en economen bijeen om een alternatief te ontwikkelen voor het in populariteit afgenomen klassiek-liberalisme en de als bedreigend ervaren opkomst van het collectivisme en socialisme. De Franse econoom Bernard Lavergne introduceerde de term 'néo-liberalisme'. De Duitse econoom Alexander Rüstow populariseerde deze term ('neoliberalismus'). Het colloquium definieerde neoliberalisme als "de prioriteit van het prijsmechanisme, het vrije ondernemerschap, het systeem van concurrentie en een sterke en onpartijdige staat."[7]

Met de term neoliberalisme werd afstand genomen van het 19e-eeuwse laissez-faire-liberalisme. Deze beweging stond haaks op de tijdgeest van de jaren dertig die gekenmerkt werd door vergaand overheidsingrijpen in de economie (keynesiaanse theorie en totalitarisme in nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie). Het neoliberalisme omvatte verschillende economische en politieke concepten die een opleving van het liberalisme nastreefden. Overeenkomstig het klassiek-liberalisme keerden ook de meeste vertegenwoordigers van het neoliberalisme zich tegen actief ingrijpen van de staat in de economie, maar pleitte het neoliberalisme, anders dan het klassiek-liberalisme, voor overheidsbeleid dat beoogt concurrentie te bevorderen door het bestrijden van monopolies en oligopolies, met de nadruk op de onderlinge afhankelijkheid van de economische vrijheid en politiek beleid. Met neoliberalisme werd derhalve het streven naar een gereguleerde markt bedoeld, waarbij marktinvloeden gecombineerd worden met overheidsinvloeden. Hiermee onderscheidde het neoliberalisme zich van het klassiek-liberalisme dat minimale overheidsinvloed beoogt en het socialisme dat méér overheidsinvloed dan enkel regulering nastreeft. De nadruk lag hier zoals later ook op economische aspecten van het liberalisme en niet op burgerlijke vrijheden.

Ontwikkeling van de term door de Oostenrijkse School[bewerken]

De Oostenrijkse School, waaronder met name Friedrich Hayek en Ludwig von Mises, heeft in de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog het neoliberalisme verder ontwikkeld. Bezorgd om het verlies van vrijheid als gevolg van de opkomst van socialistische en fascistische overheden in Europa, probeerde men een nieuw pleidooi voor vrijheid te houden.

Hayeks pleidooi[8] voor het neoliberalisme komt voort uit de gedachte dat geen enkel individu (of groep, inclusief de overheid) in staat is om een volledig begrip te krijgen van de economie of maatschappij dat noodzakelijk is om de beste overheidsvorm en het beste beleid te ontwikkelen. De enige oplossing voor dit probleem is volgens Hayek om verschillende systemen naast elkaar uit te proberen waardoor concurrentie de betere van de slechtere systemen kan onderscheiden. In een vrije samenleving zouden burgers dan van hun vrijheid gebruik kunnen maken om nieuwe systemen uit te proberen. De succesvolle varianten zouden uiteindelijk ook door andere samenlevingen overgenomen worden zodat uiteindelijk de maatschappij als geheel profiteert.

Hayek beredeneerde voorts dat een individu, door zijn per definitie onvolledige begrip van de economie en maatschappij, niet in staat is om in te zien welke economische of sociale regels bijgedragen hebben aan zijn succes. Derhalve, zijn de tradities van een samenleving van groot belang aangezien ze, naar alle waarschijnlijkheid, op één of andere wijze hebben bijgedragen aan het succes van het individu. Dit is met name het geval in een succesvolle maatschappij, waar de tradities naar alle waarschijnlijkheid de betere tradities zijn die zich over tijd hebben ontwikkeld om optimaal te profiteren van nieuwe omstandigheden. Echter, Hayek beredeneert hiermee niet dat tradities gerespecteerd dienen te worden enkel omdat het tradities zijn; tradities die niet meer bij de tijdsgeest passen dienen aangepast te worden. Hiermee combineert het klassieke neoliberalisme het respect voor het oude, zoals dat bestaat in het conservatisme, met het progressieve streven naar verandering.

Verandering van betekenis vanaf de jaren zestig[bewerken]

In de jaren zestig van de twintigste eeuw raakte het begrip neoliberalisme in de vergetelheid. Sindsdien bestaat er ook geen politieke stroming meer die zichzelf als neoliberaal beschouwt. In de jaren zeventig werd het begrip door Chileense wetenschappers nieuw leven ingeblazen, waarbij het begrip tegelijkertijd veranderde van betekenis. Zij gebruikten het woord met een nadrukkelijk negatieve connotatie om de door de ideeën van de Chicago School beïnvloede economische hervormingen in Chili te bekritiseren. Ook tegenwoordig wordt de term vooral op negatieve wijze gehanteerd[2] als politieke slogan[4] of 'politiek scheldwoord',[5] waarbij onduidelijk blijft wat er exact mee bedoeld wordt, waarmee de term een essentially contested concept is geworden.[2]

Critici van het neoliberalisme[bewerken]

Op internationaal vlak kan de econoom Joseph Stiglitz vermeld worden als criticus van wat hij als neoliberalisme beschouwt.[9][10] Breed onderbouwde kritiek op de neoliberalistische staatsopvatting wordt voorts geleverd door de Franse socioloog en publicist Loïc Wacquant.

Een ander criticus van het neoliberalisme is Naomi Klein. Naomi Klein gebruikte de term neoliberalisme voor het streven naar privatisering, deregulering en bezuinigingen op de sociale uitgaven”, die zij de “drie-eenheid van de vrije markten” noemde.[11] Naomi Klein beschouwde Milton Friedman en Friedrich Hayek als belangrijke ideologische pleitbezorgers van minder staatsinvloed in de economie na de Tweede Wereldoorlog. Volgens Klein vonden Friedman en Hayek dat er in de Westerse wereld een keynesiaans beleid werd gevoerd met te veel staatbemoeienis in de economie.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Neoliberalismus, Wirtschaft und Schule, oktober 2011
  2. a b c d e f g h Neoliberalism: From New Liberal Philosophy to Anti-Liberal Slogan, Taylor C. Boas en Jordan Gans-Morse, Studies in Comparative International Development (SCID), Volume 44, Nummer 2 (21 februari 2009), p. 137-161
  3. Neoliberalism and Higher Education, Stanley Fish, New York Times, 8 maart 2009
  4. a b c Der Neoliberalismus – Entstehung, Kampfbegriff und Meinungsstreit, Hans Willgerodt, in: Ordo, Bd. 57, 2006, S. 47–89, ISSN 0048-2129
  5. a b c Neoliberalism: The Genesis of a Political Swearword, Oliver Marc Hartwich, The Centre for Independent Studies, Occasional, Paper 114 (21 mei 2009)
  6. a b Was bedeutet "neoliberal"?, Uwe Jean Heuser, Die Zeit, 1 december 2010
  7. Philip Mirowski, Dieter Plehwe, The road from Mont Pèlerin: the making of the neoliberal thought collective, 2009, p. 13-14
  8. The Constitution of Liberty, Fredrick Hayek, Routledge Classics 2006 (Routledge 1960), ISBN 0-415-40424-X
  9. Joseph Stiglitz, Perverse globalisering, Utrecht, Het Spectrum, 2002, passim
  10. Joseph Stiglitz, Eerlijke globalisering, Utrecht, Het Spectrum, 2006, passim
  11. Naomi Klein: De Shockdoctrine; De opkomst van rampenkapitalisme, Breda, De Geus, 2007, blz. 100