Nephilim

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nephilim (Hebreeuws: נְפִלִים, nəfilîm of נְפִילִים, nəfîlîm, betekenis onzeker, mogelijk "gevallenen", maar vaak weergegeven als "giganten" of "reuzen") waren mythologische helden die voorkomen in de Hebreeuwse Bijbel.

Hebreeuwse Bijbel[bewerken]

In Genesis 6:4 wordt gezegd over de periode voor de zondvloed in de tijd van Noach:

"In die tijd en ook daarna nog, zolang de zonen van de goden gemeenschap hadden met de dochters van de mensen en kinderen bij hen kregen, leefden de giganten [נְפִלִים, nəfilîm] op aarde. Dat zijn de befaamde helden [הַגִּבֹּרִים, gibborîm] uit het verre verleden."

In Numeri 13:33 worden de zogenaamde Enakieten ook nəfîlîm, "giganten" genoemd, omdat ze enorm groot waren.[1] Vermoedelijk leidde de toenmalige interpretatie van de onduidelijke term tot de vertaling tot γίγαντες gigantes, "reuzen" in de Septuagint.

Interpretatie en etymologie[bewerken]

De nephilim uit Genesis 6 werden meestal geïdentificeerd als de nakomelingen van (gevallen) engelen (de "godenzonen") die seksuele betrekkingen met vrouwen hadden. Ze werden met de gibborîm ("befaamde helden") gelijkgesteld. De oude joodse literatuur, vooral het "Boek van de wachters" in 1 Henoch, was dominant in de interpretatie van nephilim als reuzen en kwaadaardige bastaardkinderen van gevallen engelen.[2] Ook dit droeg bij aan de vertaling van nǝfilîm en gibborim met γίγαντες, gigantes, "reuzen" in de Septuagint. Het citaat uit 1 Henoch in Judas 14,15 bevestigde voor velen dat in het Nieuwe Testament de interpretatie van 1 Henoch werd omarmd, maar niet iedereen was het daarmee eens.[3]

Hoewel oude interpretaties en de meeste Bijbelvertalingen de nephilim bijna uniform beschouwen als "reuzen" of in ieder geval "grote en sterke mensen", blijft de etymologie onduidelijk. Waarschijnlijk is er een verband tussen de nephilim en het werkwoord נפל, npl, "vallen". Maar in welke semantische context wordt "vallen" hier ingedeeld? De speculaties variëren van "(uit de hemel) vallen" tot "doodvallen" of "in de strijd vallen".[4] Dit zou ondersteund kunnen worden door een tweede terminologische parallel, namelijk die tussen Genesis 6:4 en Ezechiël 32:27. Deze passage is een klaaglied en beschrijft de afdaling van Farao naar Sheol. Onder de daar verzamelde volken bevinden zich ook Mesech en Tubal uit Klein-Azië, die echter gescheiden van de "gevallen helden" worden gehouden:[5]

"Ze [d.w.z. Mesech en Tubal] liggen niet met de helden [גִּבּוֹרִים, gibborim] uit het verre verleden [נֹפְלִים, nofǝlîm, "gevallenen", in de MT: "onder onbesneden"] die met wapenrusting en al naar het dodenrijk zijn afgedaald."

Hier staat gibbôrîm in verbinding met een vorm van נפל. Het is dus goed voorstelbaar dat de nephilim in Genesis 6:4 helden van het verleden zijn, die al lang "in de strijd" zijn gevallen.

Godsdiensthistorische achtergrond[bewerken]

Net als de etymologie is ook de godsdiensthistorische achtergrond van het verhaal over de nephilim onduidelijk. Onderzoek richt zich vooral op overeenkomsten met Mesopotamische mythes, maar er wordt ook gekeken naar de Griekse mythologie, vooral naar die rond de Titanen.[6] Maar al deze overwegingen blijven meestal speculatief.

Misschien kan de achtergrond het beste worden bepaald door verwante generieke namen. Met name de aanduiding Refaïeten (רְפָאִים, rǝfā'îm) in Deuteronomium 2:11 zou hier een aanwijzing kunnen vormen. Er staat namelijk over de lange Emieten: "een groot en machtig volk van reuzen zoals de Enakieten." Omdat de Enakieten werden aangeduid als nəfîlîm (zie boven over Numeri 13:33), lijkt er een nauwe relatie te bestaan tussen de rǝfā'îm en nəfîlîm. Luther vertaalde naar aanleiding van de Septuagint ook רְפָאִים, rǝfā'îm met "reuzen". De term zelf suggereert echter een verwijzing naar het Ugaritische rp'(m). Dit was een aanduiding voor "doodsgeesten" of "geesten van de voorouders", overleden helden en koningen.[7] Dit aspect laat een opmerkelijke parallel zien naar de nǝfilîm in Genesis 6:4, waar die ook worden aangeduid als gibborim: "de befaamde helden [הַגִּבֹּרִים, gibborîm] uit het verre verleden."

Op basis van deze overwegingen, is het mogelijk dat met nephilim ook boomlange, heroïsche figuren werden aangeduid uit het verleden en die al lang dood zijn.[8] Dit zou ook aansluiten bij de beschouwingen over de terminologische parallel in Ezechiël 32:27. De nephilim zouden dan duidelijk worden geïdentificeerd met de gibborîm in Genesis 6:4.[6]

Hedendaagse interpretatie[bewerken]

Hedendaags onderzoek heeft aangetoond dat de interpretatie van nephilim als reusachtige, kwaadaardige bastaardzonen van gevallen engelen op meerdere problemen stuit. Zoals eerder vermeld is die interpretatie vooral gebaseerd op het "Boek van de wachters" in 1 Henoch. Hier werd over de nephilim gezegd: "kwade geesten zullen zij genoemd worden op aarde".[9] Het kan zijn dat de verwantschap met de rǝfā'îm hieraan ten grondslag ligt. In de oorspronkelijke teksten is er echter geen sprake van een kwalificatie als "slecht" voor de nephilim. In Deuteronomium weerklinkt de afkeer van een vreemd volk, maar uit niets in Genesis 6:1-4 blijkt dat de nephilim als "slecht" werden beschouwd.

Vervolgens is de term "godenzonen" in Genesis 6 een vertaling van bne elohim en wordt in sommige vertalingen weergegeven als "zonen van God", d.w.z. engelen. Dit is niet de meest waarschijnlijke vertaling, omdat bne vaak een aanduiding is van iemands oorsprong. Bne elohim duidt daarom waarschijnlijk aan dat deze wezens van oorsprong goddelijk, goden waren. In teksten uit Ugarit komt deze term ook in die betekenis voor.[10]

In een minimalistische, hedendaagse interpretatie staat er in Genesis 6: nephilim leefden in het verre verleden, in de periode dat zonen van goden gemeenschap hadden met vrouwen en met hen kinderen kregen; zij waren befaamde helden. Er staat niet dat de nephilim deze kinderen waren en niet dat ze reuzen of slecht waren.[6][11] Toch zijn er ook hedendaagse onderzoekers die vasthouden aan de interpretatie dat nephilim de nakomelingen waren van gevallen engelen, zoals Richard Hess[12] en P.W. Coxon.[13]

Doorwerking[bewerken]

In het postmodernisme komen de nephilim regelmatig voor in esoterische en fantasy literatuur. Een voorbeeld hiervan is de populaire fantasiecyclus "Kronieken van de Onderwereld" van de Amerikaanse auteur Cassandra Clare. Hoewel de weergave van de nephilim als schaduwjagers die met demonen strijden, wijst op een zeer rudimentaire receptie van het Bijbelse oerverhaal, grijpt de verwijzing naar deze wezens als "half-rassen" (deels engel, deels mens) terug op een oude interpretatie van Genesis 6:1-4.