Naar inhoud springen

Nereocystis luetkeana

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Nereocystis)
Nereocystis luetkeana
Nereocystis luetkeana
Taxonomische indeling
Rijk:Chromista
Stam:Heterokontophyta
Klasse:Phaeophyceae (Bruinwieren)
Orde:Laminariales
Familie:Laminariaceae
Geslacht:Nereocystis
Postels & Ruprecht, 1840
Soort
Nereocystis luetkeana
(K.Mertens) Postels & Ruprecht, 1840[1]
Originele combinatie
Fucus luetkeanus
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Nereocystis luetkeana op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Nereocystis luetkeana (ook wel als leenvertaling uit het Engels "stierkelp" genaamd) is een bruinwier uit de orde van de Laminariales en de familie van de Laminariaceae en het geslacht Nereocystis. Nereocystis luetkeana is de enige soort van dit geslacht. Dit tot 40 meter hoge bruinwier vormt uitgestrekte kelpwouden aan de kusten van de noordoostelijke en noordwestelijke Stille Oceaan.

De soort werd voor het eerst beschreven in 1829 door Karl Heinrich Mertens onder de naam Fucus luetkeanus. De eerste vondst is afkomstig van de Norfolksund bij Sitka, Alaska. De soortnaam is een eerbetoon aan de Russische marineofficier Friedrich Benjamin von Lütke (1797 - 1882). In 1840 plaatsten Alexander Postels en Franz Josef Ruprecht de soort in een apart, monotypisch geslacht Nereocystis.[2]. De geslachtsnaam Nereocystis betekent bel van de zeegod Nereus. Dit is Oudgrieks Νηρεύς (Nereus) en κύστις (kýstis) = "bel". Bel verwijst naar de bolvormige organen die op het wateroppervlak drijven (zie beschrijving).

Het thallus van Nereocystis luetkeana kan wel 40 meter hoog worden. Het bruine zeewier is verankerd aan de rotsachtige ondergrond met een halfbolvormig klevend orgaan (rhizoïde), waarvan de klauwachtige vertakte haken in kransen rond de steelbasis ontstaan. Het zeer lange, cilindrische, donkerbruine "steel" (cauloïde) lijkt op een zweep, daarom wordt de alg in Amerika ook wel "bull-whip kelp" (bullepeeskelp) genoemd. De stengel kan tot 35 meter lang worden, afhankelijk van de waterdiepte. Naar de top toe wordt het geleidelijk dikker en eindigt in een holle, knotsachtige zwelling (apophysis) met een diameter van twee tot zeven centimeter. Deze draagt, gescheiden door een vernauwing, een bolvormige tot eivormige, met gas gevuld orgaan (de pneumatocyst) met een doorsnede van 9 tot 14 centimeter. Hun vezelige wand is ongeveer vijf centimeter dik. Het hele drijflichaam kan tot drie liter gas bevatten en houdt de pneumatocyst op het wateroppervlak. Dit zijn de "bellen van de zeegod".

Nereocystis_luetkeana met bolvormige pneumatocyst en fylloïden ("bladeren").
Nereocystis_luetkeana. Drijvende "bellen van Nereus" in Icon Bay Alaska.

Een bosje van 50 (tot 100) bladachtige organen (fylloïden) ontstaat aan de top van de pneumatocyst. Deze fylloïden zijn goudbruin, dun, breed lintvormig, tot vier meter lang en 15 centimeter breed en met gladde randen. Ze zijn met gevorkte vertakkingen aan de pneumatocyst bevestigd. Hun drijfvermogen houdt de fylloïden op of nabij het wateroppervlak. Op locaties in de luwte worden brede, golvende fylloïden gevormd, terwijl op plaatsen met veel hoge golven zich smalle lintvormige fylloïden ontwikkelen

Zoals bij alle Laminariales, is het zichtbare zeewier de sporofyt. Het zeewier begint te groeien in het vroege voorjaar en bereikt met zijn fylloïden het wateroppervlak rond midzomer. Het zeewier groeit razendsnel, wel 6 tot 10 centimeter per dag. De groei van de stengel wordt gereguleerd door een fytochroom. Als aan het wateroppervlak de roodlichtcomponenten van het zonlicht toenemen, stopt de snelle groei. De fotosynthesesnelheid van de bladorganen is het hoogst in de zomer en vroege herfst. In de winter, vooral na stormen, sterven de meeste fylloïden. Uit een vastgehecht exemplaar kan geen nieuw zeewier groeien; Nereocystis is dus meestal eenjarig. Sommige exemplaren kunnen op beschutte plaatsen onbeschadigd overwinteren en een tweede groeiseizoen meemaken.

Geslachtelijke voortplanting

[bewerken | brontekst bewerken]

Haploïde sporen met twee zweepstaartjes worden gevormd in de sporangia op de fylloïden, de zogenaamde (sori). De rijpe sori scheiden zich af van de rest van de fylloïde, drijven in het water en bereiken uiteindelijk de bodem. Eén tot vier uur na de afscheiding komen grote hoeveelheden sporen vrij. Deze sporen zijn enkele dagen levensvatbaar en kunnen uitgroeien tot microscopisch kleine, mannelijke of vrouwelijke gametofyten, die bestaan uit vertakte celdraden. Na twee tot drie maanden ontwikkelen zich daarop de gameten (eicellen en zaadcellen). Na bevruchting van de vrouwelijke gameet (eicel) door de mannelijke gameet (zaadcel) hecht de zygote zich vast en ontwikkelt zich vervolgens tot een jonge sporofyt.

Deze zeewieren kunnen zich over grotere afstanden verspreiden via de sporen in de afgescheurde delen van het zeewier of door de afgescheiden sori.

Nereocystis luetkeana komt voor in de noordoostelijke Stille Oceaan van Alaska tot midden Californië. Daar vormt het uitgestrekte kelpbossen aan rotskusten bij waterdiepten van 10 tot 20 meter. Zij worden ook gevonden in het noordwesten van de Stille Oceaan, nabij de Komandorski-eilanden en Kamtsjatka.

Waar Nereocystis ieder jaar samen met de reusachtige grote soort kelp (Macrocystis pyrifera) voorkomt wordt Nereocystis verdrongen, want Macrocystis is een overblijvende soort. Nereocystis verplaatst zich dan naar de meest aan golven blootgestelde plaatsen.

De zee-egels Strongylocentrotrus franciscanus en Strongylocentrotus purpuratus voeden zich met Nereocystis en hebben daarmee een sterke invloed op de populatieomvang. Ook de zeeoorslak Haliotis rufescens, andere slakken (Tegula, Callistoma, Collisella pelta) en diverse kreeftachtigen eten dit bruinwier. Meer dan 50 soorten epifytische algen koloniseren de "stengels" en fylloïden van Nereocystis, bijvoorbeeld Porphyra nereocystis, ulva of antithamnion-soorten, evenals vastzittende ongewervelde dieren zoals mosdieren (Fijne vliescelpoliep Membranipora membranacea) en hydroïdpoliepen of zeepokken. Dit alles veroorzaakt schaduw en bij overmatige groei, kan het gewicht zo groot worden dat de fylloïden wegzakken in diepere, duistere waterlagen. Dan is er nog een parasitaire alg (Streblonema) die vervormingen veroorzaakt en de "stengel" doet afbreken.

Verschillende soorten vissen (Synchirus gilli, Liparis sp., Phytichthys chirus) leven op de stengels en fylloïden van Nereocystis. De stekelbaarsachtige Aulorhynchus flavidus legt zijn eieren op hun pneumatocysten.

Nereocystis wordt nauwelijks economisch geëxploiteerd. In Californië en British Columbia wordt het zeewier geoogst voor de productie van mest en sinds de jaren 1980 ook als voer voor de teelt van eetbare slakken (Haliotis-soorten). Hierdoor kunnen deze bruinwierbestanden ernstig worden aangetast, vooral als de oogst plaatsvindt vóór de sporenvorming. Om de kelpbossen te behouden, is de oogst nu aan beperkingen onderworpen. Dit bruinwier is eetbaar, in Alaska worden de dikke stengels gepekeld en als specialiteit op de markt gebracht. De gedroogde delen van de kelp worden ook gebruikt voor kunstnijverheid. In Korea wordt Nereocystis gebruikt in de volksgeneeskunde.