Nicolas-Claude Fabri de Peiresc

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nicholas-Claude Fabri de Peiresc.jpg

Nicolas Claude Fabri de Peiresc (gelatiniseerde naamPeirescius; Belgentier1580 - Aix-en-Provence1637) was een Frans geleerde, astronoom, verzamelaar, antiquaar en mecenas.

Leven[bewerken]

Peirescs interesses als geleerde waren sterk uiteenlopend. Hij verzamelde antieke cameeën en munten en ondersteunde jonge kunstenaars, door hen opdrachten te verschaffen. Hij bestelde bij hen onder andere aftekeningen en afgietsels van kunstwerken uit de oudheid, waarbij hij zorgvuldige nauwkeurigheid verlangde, zodat de ene of andere kopie als origineel kon worden behandeld. Hij bezat een verzameling van werken van kunstenaars uit zijn eigen tijd, zoals Simon Vouet, Claude Mellan (1596/1598 - 1688) en Adriaen de Vries. Maar hij zou ook een van de eerste zijn die een Turkse angora als luxehuisdier hield, hetgeen kort daarop een rage zou worden onder de Franse elite.[1]

Van eenzelfde belang was zijn interesse voor de natuurwetenschappen. Zo werd hem in 1916 door Guillaume Bigourdan[2] de ontdekking van de Orionnevel in november 1610 toegeschreven.[3] Daarenboven interesseerde hij zich voor de ontcijfering van de hiërogliefen. Een deel van zijn Egyptische verzameling schonk hij aan de Jezuïet Athanasius Kircher en legde daarmee de basis voor het beroemde Museum Kircherianum aan de Pauselijke Universiteit Gregoriana in Rome.

Peiresc onderhield een uitgebreide briefwisseling met geleerden, kunstenaars en hoogwaardigheidsbekleders in hele Europa, waaronder kardinaal Francesco Barberini, Galileo Galilei, Giambattista della Porta, Cassiano dal Pozzo, Peter Paul Rubens, Francis Bacon, William Camden, de bevriende dichter en antiquaar Girolamo Aleandro en de secretaris van de apostolische bibliotheek in Rome, Lucas Holsten. Hij was ook met de filosoof en astronoom Pierre Gassendi bevriend, die in 1641 zijn biografie onder de titel Viri illustris Nicolai Claudii Fabricii de Peiresc, senatoris aquisextiensis vita uitgaf.

Eerbewijzen[bewerken]

Charles Plumier vernoemde de soort Pereskia[4] uit de plantenfamilie van de cactusgewassen (Cactaceae) om hem te eren naar hem. Carolus Linnaeus nam deze naam niet over, maar gebruikte als soortnaam Cactus.[5] Philip Miller nam de naam echter weer op.[6]

Ook Peirescius, een krater op de maan, en de planetoïde (19226) Peiresc werden naar hem vernoemd.

Externe link[bewerken]

Referenties[bewerken]

  • Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) vertaald vanaf de Duitstalige Wikipedia, die onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
  • J. Helling Nicolas-Claude Fabri de Peiresc: 1580–1637, Brussel, 1980.
  • J.-F. Lhote - D. Joyal (edd.), Correspondance de Peiresc et Aleandro, 2 dln., Clermont-Ferrand, 1995.
  • P. Tamizey de Larroque (ed.), Lettres de Peiresc à Guillemin, Holstenius et à Menestrier. 1610–1637, 7 dln., Parijs, 1888-1898.
    • Deel 1: Aux frères Dupuy: Décembre 1617 – Décembre 1628. 1888, (online).
    • Deel 2: Aux frères Dupuy: Janvier 1629 – Décembre 1633. 1890, (online).
    • Deel 3: Aux frères Dupuy: Janvier 1634 – Juin 1637. 1892, (online).
    • Deel 4: Lettres de Peiresc à Borrilly, à Bouchard et à Gassendi. Lettres de Gassendi à Peiresc. 1626–1637. 1893, (online).
    • Deel 5: Lettres de Peiresc à Guillemin, à Holsteinius et à Menestrier. Lettres de Menestrier à Peiresc. 1610–1637. 1894, (online).
    • Deel 6: Lettres de Peiresc à sa famille et principalement à son frère. 1602–1637. 1894, (online).
    • Deel 7: Lettres de Peiresc à divers. 1602–1637. 1898, (online).
  • H. Siebert, Peirescs Nebel im Sternbild Orion – eine neue Textgrundlage für die Geschichte von M42, in Annals of Science 66 (2009), pp. 231-246. DOI:10.1080/00033790801968857
  • C. Zittel, Die Lunatiker von Aix-en-Provence: Peiresc-Mellan-Gassendi, in U. Feist - M. Rath (edd.), Et in imagine ego. Facetten von Bildakt und Verkörperung (Festschrift für Horst Bredekamp), Berlin, 2012, pp. 276-300.