Noen (mythologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Noen of Nun, ook Nau, Noe of Nu, was in de Egyptische mythologie de aanduiding voor het oerwater met als vrouwelijke tegenhanger Nunet of Naunet. Samen vormden zij het belangrijkste van de vier oergodenparen van de Ogdoade van Hermopolis.

Het werd beschreven als 'de onmetelijke duisternis'. Daarin verscheen een bliksemflits, die zorgde dat het licht ontstond waaruit al het leven kon ontstaan. Ook de goden kwamen hieruit pas later tot bestaan.

Uit de oeroceaan dook een eiland op, de wereldberg Benben, en daarop verscheen Atum of Tem (het niet-zijn' of het 'al' ). De wereld werd gecreëerd door masturbatie van de god Min.

Regeneratie is niet mogelijk in de geordende gedefinieerde wereld, zij is alleen mogelijk indien wat oud en afgedragen is in de grenzeloze regionen wordt gedompeld die de geschapen wereld omringen, namelijk de helende en oplossende kracht van de oeroceaan Nun. Zo wordt de zonnengod iedere ochtend in zijn boot verheven, zoals in het Boek der Poorten wordt geïllustreerd. Ook zij die slapen worden verjongd in Nun. En in een Ramessidische hymne roepen overledenen tot de zonnengod dat zij ook verjongd worden door in Nun af te dalen. Ze trekken hun vroeger bestaan uit en trekken er een ander aan zoals een slang met haar huid doet. Het is dan ook niet te verwonderen dat het omcirkelend verjongend element in de Amduat als een slang wordt afgeschilderd.[1] Dit mysterieus proces wordt in talrijke beelden voorgesteld die elkaar niet uitsluiten: de verjongende doortocht van de zon door de nacht kan in het lichaam van de hemelgodin plaats hebben of in dat van een gigantische krokodil.

Los van het concept van godinnen die specifieke andere godheden voort brachten ("baarden") is er ook de idee van een "Moeder van de goden die alle goden voort bracht". Zo draagt de godin Noet, die volgens de Piramide Teksten de zon voortbracht[2] en volgens de Coffin Teksten ook de maan[3] vaak het epitheton "zij die de goden baarde". Dit verwijst naar de hemellichamen welke de hemelgodin dagelijks "draagt" en weer "verzwelgt" (een idee dat leidt tot de voorstelling van Nut als een "hemelse zeug").

De god Nun krijgt, vooral vanaf het Middenrijk, het gelijkwaardig epitheton "vader van alle goden", dat ook op Atum, Geb, Shu en Amon, Ptah en Horus van toepassing was, dat wil zeggen op scheppingsgoden. Nun wordt inderdaad beschouwd als het oerwater waarin alle goden hun oorsprong vinden, en hun goddelijke vorm. Echnaton zal zijn oppergod Aten zelfs "moeder en vader van wat gij hebt geschapen" noemen.

Noten[bewerken]

  1. Hornung, The One and Many, p. 161
  2. PT§§1688b, 1835, CT II, 38c, 398a; VI, 270a
  3. CT III, 397b

Literatuur[bewerken]

  • Hornung, Erik The One and the Many - Conceptions of God in Ancient Egypt, 1982 & 1996, Cornell University Press, New York, ISBN 9780801483844
  • Heerma van Voss, M.S.H.G. De oudste versie van Dodenboek 17a, Leiden, 1963