Nooit meer slapen (roman)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nooit meer slapen
Auteur(s) Willem Frederik Hermans
Land Nederland
Taal Nederlands
Onderwerp geologische expeditie naar meteorietkraters in het uiterste noorden van Noorwegen
Genre Psychologische roman, Filosofische roman, avonturenroman
Uitgever De Bezige Bij
Uitgegeven 1966
Pagina's 256
ISBN-code 90 234 0173 5
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Beluister

(info)

Nooit meer slapen is een in 1966 gepubliceerde roman van Willem Frederik Hermans over een wetenschappelijke expeditie naar Noors Lapland. Hoofdpersoon Alfred Issendorf doet verslag van de geologische expeditie waarmee hij meteorieten hoopt te vinden in Finnmark, een onherbergzaam gebied dat zo noordelijk gelegen is dat 's zomers de zon niet ondergaat. Ten behoeve van zijn dissertatie onderneemt geoloog Alfred Issendorf een expeditie door Noorwegen, in de hoop meteorietkraters te vinden. Samen met zijn gids Arne en twee andere begeleiders, Qvigstadt en Mikkelsen, trekken ze door het onherbergzame landschap. Kort nadat Qvigstadt en Mikkelsen zich afgescheiden hebben, krijgen Arne en Alfred onenigheid over de te volgen richting en gaan ook uit elkaar. Alfred ziet zijn vergissing in en keert op zijn schreden terug om Arne te vinden, maar deze blijkt van een helling te zijn gevallen en overleden te zijn. Alfred is nu op zichzelf aangewezen. Hij slaagt erin de weg naar de bewoonde wereld terug te vinden, maar het zoeken naar meteorietkraters is vruchteloos gebleven. Reeds kort na verschijnen werd het boek in brede kring als een meesterwerk beschouwd.[1]

De roman is gebaseerd op een expeditie die de auteur in 1961 door Noorwegen maakte, gedeeltelijk samen met drie Noren en gedeeltelijk in zijn eentje. Autobiografische betrouwbaarheid was niet het doel: de personages zijn twintig jaar jonger dan de werkelijke en ook vielen er in het echt geen doden. Er is veel gepubliceerd over de roman, waarbij de vertelsituatie aanvankelijk verwarring stichtte vanwege de combinatie van een reportagestijl met een onmiskenbaar hechte, cyclische structuur. Ook de mythologische, psychologische, filosofische en geologische facetten trokken de nodige aandacht van de literatuurbeschouwing.

Het boek werd in 1967 bekroond met de Vijverbergprijs en vertaald in onder meer het Noors, Zweeds, Duits en Engels.

Inhoud[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Alfred Issendorf is een 25-jarige student geologie die een expeditie naar Noors Lapland (Finnmarken) onderneemt voor zijn promotieonderzoek. Doel van het onderzoek en zijn voettocht is om de hypothese van zijn promotor, professor Sibbelee, te bewijzen, die inhoudt dat de ronde gaten die ter plekke overal in de bodem te vinden zijn, veroorzaakt zijn door meteorietinslagen. De persoonlijke motivatie van Alfred zelf ligt in het verlangen met een ontdekking zijn overleden vader, een bioloog, te overtreffen.

Alfred bezoekt volgens een afspraak gemaakt door zijn promotor professor Sibbelee, in Oslo professor Ørnulf Nummedal om de benodigde luchtfoto's van het gebied in ontvangst te nemen. Alfred twijfelt niet aan het welslagen van zijn onderzoek. Met de daaropvolgende glanzende promotie zal hij in het voetspoor treden van zijn vader, een succesvol bioloog die bij een expeditie om het leven is gekomen. Nummedal blijkt niet van zijn komst op de hoogte en ook niet over luchtfoto's te beschikken. Deze zouden bij de geologische dienst in Trondheim zijn. Wel neemt de professor Alfred mee op excursie langs lokale geologische verschijnselen, en ook moet hij absoluut de Noorse specialiteit gravlaks proeven. De geologische verschijnselen hebben niets met zijn onderzoek te maken en de gravlaks is helaas uitverkocht. Alfred verneemt van Nummedal, die zich laat ontvallen niet te begrijpen wat Nederlanders met hun kleigrond in de geologie te zoeken hebben, dat Sibbelee in zijn jonge jaren heeft geprobeerd een theorie van Nummedal te ontkrachten.

Bij de geologische dienst blijkt men midden in een verhuizing naar een gloednieuw pand. Er moeten wel ergens luchtfoto's opgeslagen liggen, maar iedereen is druk met de verhuizing, en niemand zou kunnen zeggen welke luchtfoto's waar te vinden zijn. Zijn mededeling door professor Nummedal gestuurd te zijn maakt geen indruk: Nummedal is een oude man die niet meer serieus wordt genomen. Alfred reist zonder luchtfoto's door naar het expeditiegebied.

Daar voegt hij zich bij zijn drie Noorse expeditiegenoten, eveneens promovendi, van wie hij er een, Arne Jordal, al kent van een eerdere expeditie. Deze zoon van een rijke vader legt zichzelf materiële beperkingen op. Qvigstadt en Mikkelsen zijn oudere, goed uitgeruste en zelfbewuste figuren. De expeditie is een lange voettocht over de Laplandse toendra, een heide- en moerasachtig gebied met grote hoogteverschillen. Alfred merkt dat hij zijn collega's nauwelijks kan bijhouden door gebrek aan training, en de altijd aanwezige muggen houden hem uit de slaap. Zonder luchtfoto's kan hij de gaten die hij moet onderzoeken niet eens vinden. Als Arne van zijn onderzoeksonderwerp hoort, schrikt hij: dat is die idiote hypothese waar Sibbelee al twintig jaar de risee van de geologie mee is! Nu voelt Alfred zich totaal belachelijk.

Wanneer Mikkelsen de luchtfoto’s in zijn bezit blijkt te hebben, wakkert deze constatering niet alleen Alfreds onzekerheidsgevoelens aan, maar ook diens achterdocht. Hij vraagt zich af of Nummedal zijn onderzoek soms met opzet probeert te dwarsbomen. Mikkelsen laat hem de luchtfoto's zien, en daarop ziet Alfred meteen dat er voor meteorietinslagen geen enkele aanwijzing te vinden is. Hij kan het wel opgeven. Hij realiseert zich dat geoloog-worden hem eigenlijk helemaal niet interesseert: het is niet zijn eigen droom, maar die van zijn moeder, die hij verafschuwt.

Het gezelschap splitst zich en Alfred gaat alleen met Arne verder. Na onenigheid over de te volgen richting raakt hij Arne kwijt. Als ook zijn kompas in een rotsspleet valt, weet Alfred niet waar hij is of naartoe moet om Arne terug te vinden. Dan merkt hij dat het hem toch lukt zijn weg te vinden, vooruit te komen en in leven te blijven, door vis te vangen en rauw op te eten. Zijn zelfvertrouwen keert terug. Later vindt hij Arne inderdaad, maar die is verongelukt. Kennelijk uitgegleden, heeft hij in een ravijn de dood gevonden.

Alfred loopt terug naar de bewoonde wereld, waar hij totaal uitgeput aankomt, om Arnes lichaam te laten ophalen. In de bus terug ziet hij een lichtflits en hoort een harde klap: de inslag van een meteoriet! Hij heeft er geen enkele belangstelling voor. Thuis heeft zijn moeder een verrassing voor hem: een stel manchetknopen, gemaakt uit een doorgesneden meteoriet, een cadeau dat zijn vader hem voor zijn zevende verjaardag had willen geven.

Autobiografische achtergrond[bewerken]

In juli-augustus 1960 woonde Hermans in Stockholm het negentiende Internationaal Geografisch Congres bij en daaraan voorafgaand in Abisko (Noord-Zweden) een aardrijkskundig symposium over 'glaciale morfologie en periglaciale processen'.[2] Op dit congres maakte hij kennis met de vier jaar jongere Torbjørn Fjellang (op wie Alfreds gids Arne Jordahl is gebaseerd), met wie hij een kamer deelde.

In juli en augustus 1961 trok Hermans met onder meer Fjellang op studiereis door Finnmarken in Noorwegen. Deze tocht vormt de basis voor de roman. Op 8 juli kwamen Hermans en Fjellang aan in Skoganvarre, waar hun twee reisgenoten Harald Skålvoll (die model stond voor Qvigstadt) en Per Akselsen (Mikkelsen) al enkele dagen verbleven. Skålvoll en Tjellang hadden deze tocht samen al eerder gemaakt, terwijl Akselsen, die geologie studeerde, de assistent van Skålvoll was.[3] Het viertal maakte drie tochten. De langste, aldus Fjellang, 'was van 8 tot 18 juli van Skoganvarre via het Lievnasjavrre-meer, de Vuorje en de Rævokløften naar Ravnastua en Assebakte, en vervolgens over het water naar Karasjok. Een afstand van ongeveer honderdvijftig kilometer. Per dag liepen we gemiddeld vijftien kilometer met zware bepakking: rugzakken, slaapzakken, tent, voedsel en instrumenten. Later liepen we nog vijf dagen in het Kautokeino-district en tot slot nog vier dagen in het Solovomi-gebied ten zuiden van Alta.'[4] Hermans had aanvankelijk moeite de anderen bij te houden: 'Het was duidelijk dat hij niet gewend was om in deze terreinomstandigheden te lopen met zware bepakking,' aldus Skålvoll. 'Bij het oversteken van een van de riviertjes is hij zelfs gevallen, maar gelukkig raakte hij niet gewond.'[5] Net als in de roman bestond het gezelschap ook in werkelijkheid uit twee duo's: Fjellang en Hermans beklommen de Vuorje, de andere twee niet. Wel bezochten ze alle vier de Rævo-kløften (het kloofdal uit hoofdstuk 34 van de roman), terwijl in de roman Alfred en Arne zich dan al van Qvigstadt en Mikkelsen afgesplitst hebben.[3] Tijdens de expeditie beschikte Skålvoll over luchtfoto's, hem ter beschikking gesteld door de Noorse Geologische Dienst te Trondheim, de Norges Geologiske Undersøkelse (NGU). De directeur heette Hvalheim (in de roman Hvalbiff).[6]

Noorwegen, Finnmark - Karasjok waar Hermans in 1961 de tocht uit de roman maakte

Na deze drie tochten, waarbij het veldwerk glaciale afzettingen en glaciale erosie tot onderwerp had, trok Hermans in zijn eentje nog verder, vermoedelijk naar de Noordkaap en dan via Bergen en het bergachtige zuiden naar Asker.[7] Hij meldde zich halverwege augustus weer bij Fjellang thuis. De beschrijving van de tochten in de roman, zoals de muggen, beantwoordt volgens Fjellang in hoge mate aan de werkelijkheid. Ook het Noorse meisje Inger-Marie dat voor Alfred het dagboek van Arne vertaalt is niet verzonnen.[8]

Tijdens het Zweedse congres uit 1960 maakte Hermans ook kennis met de Amerikaanse fotograaf en bergbeklimmer Barry C. Bishop, die drie jaar later, in 1963, de Mount Everest beklom. Na de terugtocht moesten zijn pinken en enkele tenen geamputeerd worden. Bishop stond model voor Brandel die in de roman ter sprake komt.[9]

Ondanks de treffende overeenkomsten is het verhaal dat zich in dit decor afspeelt in essentie verzonnen. In 1974 schreef Hermans aan Fjellang: 'The story in the book is entirely ficticious—the characters are fifteen years younger than we were in 1961.'[8] Volgens Skålvoll, in wiens herinneringen Hermans voortleeft als een aardige man met veel humor, zijn er in werkelijkheid tijdens de expeditie geen uitgebreide filosofische gesprekken gevoerd zoals in de roman en ook is er 'geen dode gevallen. Evenmin is er na het vertrek van Hermans een meteoriet ingeslagen in Finnmarken.'[10]

Schriftelijke bronnen[bewerken]

Achterin heeft de auteur enige aantekeningen toegevoegd, waaronder een vermelding van de herkomst van het krantebericht over de Himalaya-expeditie. Waarschijnlijk door een zetfout staat de datum daar verkeerd vermeld, want het bewuste artikel verscheen niet op 3 maar 30 oktober in het Algemeen Handelsblad.[11]

Boeken over de geologie van Noorwegen die de auteur heeft gebruikt voor zijn roman zijn in elk geval Ø. Vorren (red.), Norway North of 65 (1960) en Olaf Holtedahl (red.), Geology of Norway (1960). Een van de andere auteurs uit de laatste titel heette Christoffer Oftedahl. De talrijke verwijzingen naar de Noorse mythologie in de roman zijn allemaal afkomstig uit: H. Hveberg, Of Gods and Giants. Norse Mythology (1962).[12]

Publicatiegeschiedenis[bewerken]

In februari 1966 verscheen de eerste druk van de roman bij uitgeverij De Bezige Bij als Literaire Reuzenpocket 173 met een omslag van Leendert Stofbergen, in een oplage van 19.400 gebrocheerde en 490 gebonden exemplaren (JS 229).[13] reeds de tweede druk van juni dat jaar bevat varianten (JS 230). Vanaf de zesde druk (1969, JS 234) gebruikte Stofbergen voor het omslag een door Hermans gemaakte foto, waarop een grote steen in een kaal landschap en een reiziger met rugzak te zien is. De elfde druk (JS 239), verschenen juli 1973, is op tal van plaatsen herzien. In de vijftiende, uitgebreide druk (1979, JS 244) bracht de auteur nog veel meer wijzigingen aan. Ook veranderde het omslag, waarvoor nu een door de auteur gemaakte foto van een door smeltijs veroorzaakte beek met kiezels werd gebruikt. Na deze druk bracht de auteur geen grote herzieningen meer aan. Tijdens het leven van de auteur behaalde de roman 25 drukken (JS 229-253).

Stijl[bewerken]

Het reportagekarakter van de roman blijkt uit de pregnante formuleringen in korte zinnetjes met weinig komma's. Maar beschouwingen over bepaalde onderwerpen zijn in een 'gebruikelijker, meer coherente stijl gesteld', terwijl veel beschrijvingen ironisch zijn. De vele witregels geven vaak, maar lang niet altijd een sprong in het tijdsverloop aan en zijn vergelijkbaar met het wisselen van camerashot in een film.[14]

Veel beschouwers menen dat Alfreds verslag een nauwgezette registratie is. Volgens essayist J. Fontijn is er sprake van 'een exactheid die "wetenschappelijk" aandoet': 'Tijd, plaats, fysionomie van personen met wie hij geconfronteerd wordt, kleuren, getallen, worden zeker in de eerste helft van het boek tot in details weergegeven.'[15] Van dergelijke exactheid is volgens onderzoeker G.F.H. Raat geen sprake, want hij meent dat 'de noterende stijl' een imitatie is van het registrerend bewustzijn: 'Alfreds waarnemingen worden vaak terstond bij gekleurd door gedachten en associaties.' Als voorbeeld noemt hij Alfreds vermoedens, op de eerste pagina, aangaande 'de oorzaak van de verminking en de vergelijking van het oor met een navel.' Elders in de roman nemen dergelijke gedachten zelfs de omvang aan van 'een monologue intérieur, bij voorbeeld als Alfred een kranteartikel heeft gelezen over iemand die hij kent.'[16]

De scherpe waarneming door de ik-verteller is op twee manieren te verklaren. Ten eerste is Alfred 'geoefend in het zorgvuldig observeren van zijn werkelijkheid, inclusief de plaats die hij daarin inneemt.' Ten tweede is hij 'zeer egocentrisch', want hij streeft fanatiek een doel na en onderwerpt zijn doen en laten 'steeds weer aan een meedogenloze analyse', een gewoonte die nog wordt versterkt 'door de angst inferieur te zijn aan zijn tochtgenoten'.[17] Raat ziet een verband tussen deze observatiewijze en andere eigenschappen van de hoofdpersoon. Alfred doet van moment tot moment verslag, is sterk op zichzelf geconcentreerd en 'inspecteert zichzelf doorlopend, in het kader van zijn speurtocht naar wie hij is en kan zijn. Zijn geologische onderzoek is in feite zelfonderzoek'.[18] Alfred kijkt bij wijze van spreken voortdurend in de spiegel, een houding die een equivalent vindt in de verteltechniek van de roman: eerste persoon, onvoltooid tegenwoordige tijd. De gelijktijdigheid van ervaren en vertellen 'vertoont een opvallende analogie met de situatie waarin iemand zijn spiegelbeeld gadeslaat.'[19]

Structuur[bewerken]

Criticus Paul de Wispelaere onderscheidt een dubbele structuur. De eerste structuur is het van moment tot moment registrerende en denkende bewustzijn van Alfred dat zich uit in 'notities, inwendige monologen en gesprekken' en zich ontwikkelt 'naar een onbekende afloop.' De tweede structuur komt voor rekening van de auteur die het geheel overziet en gebruik maakt van 'anticiperende en terugblikkende elementen, haast onmerkbare suggesties doet meetrillen en een ordening van contrasterende effecten aanbrengt buiten het bewustzijnsverloop van het personage om.'[20] Van deze hechtheid geeft essayist J. Fontijn een voorbeeld. In het begin zegt professor Nummedal tegen Alfred: 'Theorieën heb ik zien gaan en komen als de wilde ganzen en de zwaluwen.' Tegen het slot van de roman, wanneer Alfred doordrongen is van de mislukking van zijn poging om bewijs te vinden voor de theorie van Sibbelee, signaleert Alfred: 'Een troep wilde ganzen vliegt laag over mij heen.' Volgens Fontijn gaat het niet zomaar om een natuurbeschrijving, maar moet deze worden bezien in verband met Nummedals eerdere woorden.[21] Wat op het eerste gezicht lijkt op 'een spannend reisverhaal, blijkt ten slotte een hecht gecomponeerde "klassieke" roman.'[22] In zijn boekje over de roman meent ook August Hans den Boef dat 'het reportagekarakter bij nadere beschouwing van oppervlakkige aard is.'[23]

Ook Hella Haasse sluit zich aan bij de karakterisering dat achter het feitelijke reisverslag van Alfred een organiserende hand verantwoordelijk is voor de hechtheid die bij een roman en niet bij een reisverslag hoort.[24] Dit bewustzijn manifesteert zich eenmaal 'op zeer expliciete wijze, als hij de leek aanraadt zelf maar op te zoeken wat schisteus gesteente is.'[25] Ook volgens Raat komt deze passage niet voor Alfreds rekening.[26]

Eenmaal wordt het perspectief van Alfred doorbroken, namelijk wanneer het meisje Inger-Marie de Noorse notities van Arne voor Alfred vertaalt. 'Het boekje van Arne stelt de lezer, opgesloten in Alfreds wereld, in staat de hoofdpersoon te zien door de ogen van een ander.'[27] Raat noemt dit dagboekje het enige 'corrigerend perspectief' op Alfreds visie.[28] Naast deze correctie, die erop neerkomt 'dat Arne een veel positiever beeld van Alfred had dan deze zelf verwachtte', signaleert Den Boef ook nog de brief aan Alfred van zijn moeder als doorbreking van het perspectief.[29]

Met het tijdsverloop als uitgangspunt ziet Haasse een drievoudige structuur: behalve de reisreportage zijn er Alfreds herinneringen, die de gegevens verschaffen dat het grondpatroon van zijn leven duidelijk maakt, en nog een derde vorm van bewustzijn, namelijk de gemoedstoestand waarin Alfred zich bevindt als hij Arne kwijt is en geheel op zichzelf is aangewezen.[24]

Datering van de verhaalwerkelijkheid[bewerken]

In de roman wordt niet vermeld welk jaar het is. Alfreds vader is kort na juli 1947 overleden en toen was Alfred zeven jaar oud. Alfred is dus in 1940 geboren. Ten tijde van de expeditie is hij 25 jaar oud, zodat het 1965 moet zijn.[30] Berekening aan de hand van buitentekstuele gegevens levert een andere uitkomst op. Op vrijdag 15 juni bezoekt Alfred Nummedal. Die datum viel dertien keer op een vrijdag in de twintigste eeuw, maar niet in 1965. Aangezien het Modern Jazz Quartet ter sprake komt en Alfred in hoofdstuk zeven op zijn hotelkamer naar een transistorradio luistert, moet 1962 het jaar zijn.[31]

Wel bestaat overeenstemming over de vraag hoeveel tijd er verstrijkt tussen het bezoek aan Nummedal en Alfreds aankomst in de familiekring aan het slot, namelijk drie weken. Precies is dat niet vast te stellen, omdat de zon in het gebied niet ondergaat en Alfreds horloge, het enige oriëntatiepunt hieromtrent, onklaar raakt. Het bezoek aan Nummedal vindt volgens Den Boef op 15 juli plaats en volgens het Hermans-magazine op 15 juni, zodat Alfreds aankomst rond 5 augustus respectievelijk omstreeks 7 juli plaatsvindt.[32][33]

Het tijdsverloop in de roman wordt benadrukt doordat Alfred vaak op zijn horloge kijkt en zich ook verder overmatig van de tijd bewust is. Als zijn horloge onklaar raakt, heeft Alfred geen besef, maar ook geen zorg, meer van tijd.[34]

Motieven[bewerken]

Een netwerk van samenhangende motieven verleent de roman hechtheid en de details functionaliteit. Onderzoeker Den Boef levert de volgende inventaris:[35]

  • Wetenschap: omdat de roman een wetenschappelijke expeditie beschrijft, is de wetenschap een regelmatig gespreksonderwerp van de personages. Er vallen namen als Heiskanen (geoloog), Sauerbruck (chirurg), Buys Ballot, Christiaan Huygens, Galilei.
  • Ontdekkingsreizigers: genoemd worden Columbus, Zuidpoolpioniers Scott en Amundsen, Stanley en Livingstone, Thor Heyerdahl. Oftedahl stelt dat geologen de laatste overgebleven ontdekkingsreizigers zijn. Alfred zelf is van plan tijdens zijn reis een opzienbarende ontdekking te doen.
  • Alchemie: volgens Nummedal verloochent de ware geoloog zijn afkomst van goudzoeker nooit helemaal. Alfred overdenkt dat hij 'de steen der wijzen' tracht te vinden.
  • Vrijmetselarij: symbolen hiervan zijn bouwkundige en architectonische voorwerpen zoals piramides, kathedralen, hamer, passer, meetlint.
  • Sagen: passanten worden vergeleken met figuren uit de Edda van Snorre Sturlason. Zie ook het motief Reuzen.
  • Klassieke mythologie:Aeneas en Dido, Alfreds moeder heet Aglaia, in de Griekse mythologie de moeder van een koning. Ook overweegt Alfred het trieste lot van een leraar Grieks, die slechts enkele leerlingen met werkelijke interesse treft.
  • Psychoanalyse en zelfbeeld (spiegel): Qvigstad heeft een omgekeerd Oedipuscomplex, hij is alleen potent bij negerinnen, volgens hem omdat hij in blanke vrouwen zijn moeder ziet. De Amerikaanse toeriste Wilma legt Alfred uit dat mannen ritssluitingen bij vrouwen opwindend vinden omdat dat appelleert aan hun verdrongen homoseksualiteit.
  • spiegel: Alfred ziet in de opklapbare bril van Nummedal vier spiegeltjes, terwijl het instituut van Oftedahl geheel uit spiegelglas is opgetrokken. Ook haalt hij voortdurend zijn kompas tevoorschijn om in het spiegeltjes daarvan te kijken.
  • Godsdienst: Alfred vindt zijn zusje Eva dom omdat zij gelovig is, Arne heeft het over een boek getiteld Het gezicht van God na Auschwitz, er is sprake van gebouwen met een religieuze functie (hunebedden, kathedralen, piramides), Arne mijmert over een muggenhiernamaals met op een hoge troon het mond- en klauwzeervirus dat over alles de baas is, Alfred overweegt dat zwarte Amerikanen strijden voor gelijke rechten onder leiding van een dominee, vertegenwoordiger van de godsdienst die de verdrukking juist legitimeert. In de gesprekken met Qvigstad en Mikkelsen worden ook nog een aantal scheppingsmythen besproken.
  • Vis: gravlaks, zalm die enige tijd begraven is, zou een doodssymbool zijn, Hvalbiff blijkt walvissenvlees te betekenen, bovendien vangt Alfred eenmaal alleen honderden vissen in zijn net.
  • Kunst: herhaaldelijk worden wetenschap en kunst met elkaar vergeleken; recensenten van romans, zoals de moeder van Alfred, worden met oplichters vergeleken; als jongetje wilde Alfred fluitist worden.
  • Stenen: uiteraard verwijzingen naar meteorieten, maar ook naar het Stenen Tijdperk met hunnebedbouwers; mannen met het woord steen in hun naam: Wittgenstein, Livingstone en Flintstone, bij de laatste speelt ook het Stenen Tijdperk mee; Arne vertelt over de Noorse gewoonte een spoor met steentjes te markeren.
  • Reuzen: het landschap wordt geregeld beschreven alsof het door reuzen is gemaakt. Zo is het kloofdal een soort amfitheater voor reuzen, is het net of een reusachtige hand de begroeiing van de berg heeft weggemaaid en is Alfreds visnet precies een enorm spinneweb.
  • Een klein land: herhaaldelijke vergelijking tussen Nederland en Noorwegen over het nadeel klein te zijn.
  • Taal: Engels neemt een bijzondere plaats in, omdat de Noren zich in die taal tegen Alfred richten. Ook probeert hij onderweg naar Noorwegen iemand te helpen die Engels uit een boekje probeert te leren. Het niet verstaan van het Noors leidt tot onzekerheid en wantrouwen bij Alfred, die niet alles kan volgen wat zijn medereizigers tegen elkaar zeggen.
  • Vallen: Herhaaldelijk wordt op (bijna) vallen gezinspeeld. De vader van Arnold stierf als gevolg van zijn val. Ook Arne stierf als gevolg hiervan. Alfred scheurde zijn been open door zijn val.

De verhouding tussen Alfred en Arne[bewerken]

Als Alfreds gids vervult Arne 'duidelijk de rol van diens meerdere'. Hij beweegt zich vaardiger door het ruwe landschap.[36] Zodra ze met zijn tweeën zijn overgebleven, wordt het overwicht ondraaglijk voor Alfred. Arne neemt steevast de zwaarste last op en ook is Alfred jaloers op het tekentalent van zijn kompaan, in wiens gezelschap Alfred zich een 'brekebeen' voelt.[37] Toch signaleert Haasse ook parallellen tussen de twee: beiden lijken op kinderen, omdat zij, anders dan Mikkelsen en Qvigstadt, met hun voornaam worden aangeduid, beide voelen het gewicht van hun vader zwaar op hen drukken en hebben een onvolledige uitrusting. Beiden zijn zich er zeer van bewust afkomstig te zijn uit kleine landen die in de wereld geen rol spelen. Hun eigen talen zijn een soort kindertalen, alleen in gebrekkig Engels kunnen ze enigszins met elkaar communiceren.[38] Ook Den Boef merkt parallellen tussen de twee op, terwijl hij in Arne ook een soort vaderfiguur ziet waarvan Alfred zich probeert te bevrijden.[39]

Raat taxeert de houding van Alfred tegenover Arne als een geval van 'gemengde gevoelens', waarbij het verlangen naar Arnes goedkeuring soms met de nodige humor onder woorden wordt gebracht, zoals wanneer Alfred een rivier oversteekt: 'Ik ben er over. Ik sta naast Arne. Hij houdt fototoestel en kaartentas vast aan de riemen en hangt ze mij om alsof het ridderorden waren.' De tweede zin moet hier ook worden verstaan in de betekenis: gelijkwaardig zijn.[40]

Thematiek[bewerken]

Haasse acht de hoofdpersoon Alfred Issendorf, 'zijn naam zegt het al', 'te dorps' voor zijn taak en daarom 'niet opgewassen tegen de listen en lagen van de Natuur'.[41] Hij moet vele ontberingen doorstaan en krijgt nauwelijks greep op zijn Noorse collega's en de onherbergzame natuurlijke omgeving. Het ontluisterende slot van deze roman kan als typerend voor Hermans' oeuvre worden gezien. Ook op een dieper liggend niveau past het werk binnen de algemene thematiek van Hermans' werk: uiteindelijk blijkt de mens niet in staat om de wereld echt te kennen.

De drie stadia in de ontwikkeling der mensheid[bewerken]

Hoofdstuk 7 bevat een belangrijke passage voor de psychologische interpretatie van de roman; Alfreds theorie over de drie stadia waarin de ontwikkeling van de mensheid te verdelen is:

Aanhalingsteken openen

Als je mij vraagt zijn er drie belangrijke stadia in de geschiedenis van de mens.
In het eerste kende hij zijn eigen spiegelbeeld niet, evenmin als een dier dat kent. Laat een kat in een spiegel kijken en hij denkt dat het een raam is waarachter een andere kat staat. Blaast ertegen, loopt er omheen. Op den duur is hij niet meer geïnteresseerd; sommige katten tonen zelfs nooit enige belangstelling voor hun spiegelbeeld. Zo zijn de eerste mensen ook geweest. Honderd procent subjectief. Een 'ik' dat zich vragen kon stellen over een 'zelf' bestond niet.
Tweede stadium: Narcissus ontdekt het spiegelbeeld. Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus. Voor het eerst ziet 'ik' zich 'zelf'. Psychologie was in dit stadium een overbodige wetenschap, want de mens was voor zichzelf wat hij was, namelijk zijn spiegelbeeld. Hij kon ervan houden of niet, maar hij werd niet door zichzelf verraden. Ik en zelf waren symmetrisch, elkaars spiegelbeeld, meer niet. Wij liegen en het spiegelbeeld liegt met ons mee. Pas in het derde stadium hebben wij de genadeslag van de waarheid gekregen.
Het derde stadium begint met de uitvinding van de fotografie. Hoe dikwijls gebeurt het dat er een pasfoto van ons gemaakt wordt waarvan wij evenveel houden als van ons spiegelbeeld? Hoogst zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet schilderen en het beviel hem niet, kon hij de schuld aan de schilder geven. Maar de camera, weten wij, kan niet liegen. En zo kom je in de loop van de jaren, via talloze foto's, erachter dat je meestal niet jezelf bent, niet symmetrisch met jezelf, maar dat je het grootste deel van je leven in een aantal vreemde incarnaties bestaat voor welke je alle verantwoordelijkheid van de hand zou wijzen als je kon.
De angst dat andere mensen hem zien zoals hij is op die foto's die hij niet kan endosseren, dat ze hem misschien nooit zien zoals het spiegelbeeld waarvan hij houdt, heeft de menselijke individu versplinterd tot een groep die uit een generaal plus een bende muitende soldaten bestaat. Een Ik dat iets wil zijn - en een aantal schijngestalten die het Ik onophoudelijk afvallen. Dat is het derde stadium: het voordien vrij zeldzame twijfelen aan zichzelf, laait op tot radeloosheid.

De psychologie komt tot bloei.[42]
— Alfred Issendorf
Aanhalingsteken sluiten

Alfred begint in het derde stadium en bereikt het tweede als hij Arne kwijtraakt, zijn fototoestel is dan net onklaar geraakt. Er is weer sprake van een symmetrische verhouding tussen het ik en het zelf. Wanneer hij ook zijn kompas en daarmee het spiegeltje kwijtraakt, bevindt hij zich in het eerste stadium: zijn omstandigheden zijn primitief als die van de eerste mensen, hij piekert minder en komt voor het eerst in harmonie met de natuur. Hij baadt nu in 'liefderijk water' waar aan het begin de douche 'een harde borstel van water' was.[43]

Communicatie[bewerken]

Taalproblemen spelen een grote rol. Alfred spreekt geen Noors en veel andere personages spreken een voor hem onverstaanbaar Engels. Zijn Noorse reisgenoten spreken uit beleefdheid meestal Engels, maar soms ook Noors en dat versterkt Alfreds achterdocht. De taalproblematiek strekt bij Hermans altijd verder dan de concrete situatie en is 'van meer algemene aard, een sterke exponent van de geringe mogelijkheden voor mensen om met elkaar te communiceren.'[44]

Waardering[bewerken]

Bij de publicatie in 1966 oefenden een viertal besprekers, onder wie Adriaan Morriën, kritiek uit op de opbouw van de roman. Zij zagen de dood van Arne aan voor de climax van de roman en beschouwden het vervolg als overbodig. Volgens onderzoeker Den Boef zijn daar argumenten tegen aan te voeren. Zo zou deze kritiek de cyclische structuur van de roman miskennen: juist het vervolg wijst uit dat Alfred er niet in geslaagd is te ontsnappen uit het gezin. Wanneer de roman met de dood van Arne zou eindigen, zou het boek veel meer de gedaante van een avonturenroman gekregen hebben. De roman gaat in Den Boefs optiek dan ook niet zozeer over een mislukte geoloog, maar over 'iemand die uiteindelijk de geologie als zodanig niet meer belangrijk vindt'.[45] Ten slotte wijst hij nog op de hechte wijze waarop het gedeelte na de dood van Arne met motieven en verwijzingen met de rest van de roman samenhangt.[46] Binnen enkele jaren werd de roman in brede kring als een meesterwerk beschouwd.[45]

Vijverbergprijs[bewerken]

In maart 1967 kende de Jan Campertstichting Hermans de Vijverbergprijs van ƒ 2500 toe voor Nooit meer slapen. Hermans reageerde per brief:

Aanhalingsteken openen Wilt u zo goed zijn dit bedragje even over te schrijven op postgiro 100200 ten name van Eten voor India? Dit bespaart mij een hoop rompslomp en vrijwaart, mogelijkerwijs, een of twee leden van uw jury voor een slecht geweten. Ik dank u voor de te nemen moeite. Ik zal een roman over u schrijven onder de titel "Wel te rusten". Met vriendelijke groet,[47]
— Willem Frederik Hermans
Aanhalingsteken sluiten

Vertalingen[bewerken]

De roman is vertaald in het Zweeds (Aldrig mera sova, 1968), Duits (Nie mehr schlafen, 1982 en 2002), Noors (Aldri sove mer, 1992), Estisch (Igavene uni, 2004)[48] en Engels (Beyond Sleep, 2006). De Zweedse vertaling was aanleiding voor de criticus Rolf Yrlid om zich af te vragen of de Nobelprijs voor de literatuur naar Nederland zou gaan. De Duitse vertaling (1982) werd door criticus Joseph Quack omschreven als niet alleen vol met 'fonkelende observaties', maar 'voor alles een spannend verhaal'.[49]

Trivia[bewerken]

Noten[bewerken]

Referenties
  1. August Hans den Boef, over Nooit meer slapen van W.F. Hermans, De Arbeiderspers, Amsterdam 1984, p. 81.
  2. Arno van der Valk, Hermans: Het grootste gelijk buiten Nederland, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2002, 28-29.
  3. a b Baartse (1995), p. 55.
  4. Fjellang geciteerd bij Baartse en Polak (1994), p. 10.
  5. Skålvoll geciteerd bij Baartse (1995), p. 55.
  6. Baartse (1995), p. 56.
  7. Baartse en Polak (1994), p. 10-11.
  8. a b Baartse en Polak (1994), p. 11.
  9. Van der Valk (2002), p. 36-37.
  10. Skålvoll geciteerd bij Baartse (1995), p. 56.
  11. Den Boef (1984), p. 67.
  12. Van der Valk (2002), p. 45-46 en p. 207, n. 64 en n. 68
  13. De JS-nummers verwijzen naar de nummering in de bibliografie van Janssen en Van Stek, 2005. Ook de datering is daaraan ontleend. Geraadpleegd op 23 november 2013.
  14. Den Boef (1984), p. 61-62.
  15. Fontijn (1970), p. 479.
  16. Raat (1989), p. 211.
  17. Raat (1989), p. 213.
  18. Raat 1989, p. 221.
  19. Raat 1989, p. 221-222.
  20. De Wispelaere geciteerd bij Raat (1989), p. 214; ook aangehaald bij Fontijn (1970), p. 475.
  21. Fontijn (1970), p. 476.
  22. Fontijn (1973), p. 171.
  23. Den Boef (1984), p. 59.
  24. a b Haasse (2000), p. 164.
  25. Fontijn (1973), p. 170.
  26. Raat (1989), p. 216.
  27. Fontijn (1973), p. 173.
  28. Raat (1989), p. 221.
  29. Den Boef (1984), p. 60.
  30. Den Boef (1984), p. 45.
  31. An., 'Laplandiana', (1994), p.4.
  32. Den Boef (1984), p. 46-47.
  33. An., 'Nooit meer slapen - van dag tot dag', (1994), p. 7-8.
  34. Den Boef 1984, 44-45.
  35. Den Boef 1984, p. 31-52.
  36. Haasse (2010), p. 166.
  37. Haasse (2010), p. 167-168.
  38. Haasse (2010), p. 165-166.
  39. Den Boef (1984), p. 28-29.
  40. Raat (1989), p. 218.
  41. Haasse 2000, 162.
  42. Geciteerd bij Den Boef 1984, p. 37.
  43. G.F.H. Raat (1989). 'Alfred en zijn spiegelbeeld', p. 224-225.
  44. Den Boef (1984), p. 52.
  45. a b Den Boef (1984), p. 81.
  46. Den Boef (1984), p. 82.
  47. An., 'Auteur Hermans geeft prijs van ƒ 2500 aan "Eten voor India".' De Friese koerier, 11 maart 1967. Geraadpleegd op 9 november 2013
  48. Janssen en Van Stek (2005), online. Geraadpleegd op 12 april 2015.
  49. Geciteerd bij Den Boef 1984, 81.

Bronnen[bewerken]

  • An. (1994). 'Laplandiana.' Hermans-magazine, Nooit meer slapen-nummer, december 1994, p. 4-5.
  • An. (1994). 'Nooit meer slapen - van dag tot dag.' Hermans-magazine, Nooit meer slapen-nummer, december 1994, p. 7-8.
  • Baartse, Dirk en Bob Polak (1994). 'Torbjørn Fjellang: "Bijna verloren Wim en ik elkaar toen uit het oog."' Hermans-magazine, Nooit meer slapen-nummer, december 1994, p. 10-11.
  • Baartse, Dirk (1995). 'Harald Skålvoll: "Hermans had moeite om ons bij te houden."' Hermans-magazine, maart 1995, p. 5-56.
  • Fontijn, J (1970). 'Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde.' Tirade 14, 1970, p. 474-491.
  • Fontijn, J. (1973). 'Willem Frederik Herman: Verleden, heden en toekomst.' In: Kees Fens, H.U. Jessurun d'Oliveira en J.J. Oversteegen, Literair lustrum 2. Een overzicht van vijf jaar Nederlandse literatuur 1966-1971. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 165-176.
  • Haasse, Hella S. (1971). 'Doodijs en hemelsteen.' Oorspronkelijk in Hermans-nummer van tijdschrift Raster, 1971. Herdrukt in: Hella S. Haasse, Lezen achter de letters, Querido, Amsterdam, 2000, 153-182.
  • Huygens ING (2011). Tekstgeschiedenis en tekstbezorging Nooit meer slapen (1966)
  • Janssen, Frans A. en Sonja van Stek (2005). Bibliografische beschrijving van alle drukken van Nooit meer slapen. Frans A. Janssen en Sonja van Stek, Het bibliografische universum van Willem Frederik Hermans. Tweede, herziene en uitgebreide versie in samenwerking met Peter Kegel, Willem Frederik Hermans Instituut, 2005, 122-134.
  • Raat, G.F.H. (1989). "Alfred en zijn spiegelbeeld. Over de vertelsituatie in Nooit meer slapen". In: Wilbert Smulders (red.), Verboden toegang. Essays over het werk van Willem Frederik Hermans gevolgd door een vraaggesprek met de schrijver. De Bezige Bij, Amsterdam 1989, p. 204-228.
  • Valk, Arno van der (2002). Hermans: Het grootste gelijk buiten Nederland, Soesterberg: Uitgeverij Aspekt. ISBN 905911048X

Externe links[bewerken]