Noord-Brabant

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Noord Brabant)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Noord-Brabant
Provincie van Nederland Vlag van Nederland
Provincievlag Provinciewapen
(Details) (Details)
Kaart: Provincie Noord-Brabant in NederlandZeelandZuid-HollandBaarle-HertogNoord-BrabantGroningenDuitslandLimburgFrieslandFlevolandDrentheNoord-HollandIJsselmeerUtrechtOverijsselGelderlandFrankrijkBelgiëNoordzee
Over deze afbeelding
Geografie
Hoofdstad 's-Hertogenbosch
Oppervlakte
- Land
- Water
5.082,06 km²
4.905,46 km²
176,6 km²
Coördinaten 51° 38′ NB, 5° 6′ OL
Bevolking
Inwoners (januari 2019) 2.544.806
Bevolkingsdichtheid 519 inw./km²
Aantal gemeenten 62
Politiek
Commissaris van
de Koning
(lijst)
Ina Adema (VVD)
Overige informatie
Volkslied geen
Religie (2015[1]) 48,0% Rooms-katholiek
38,8% geen gezindte
5,6% Protestant
4,4% Moslim
3,3% overige gezindten
ISO 3166 NL-NB
Website www.brabant.nl
Detailkaart
Provincie Noord-Brabant, impressie van het landschap en indeling van gemeenten (2016)
Portaal  Portaalicoon   Nederland

Noord-Brabant (Brabants: Noord-Braobant)[2] (Geluidsfragment uitspraak (info / uitleg)) is een provincie in het zuiden van Nederland. De hoofdstad van de provincie is 's-Hertogenbosch. Eindhoven is met ruim 234.000 ingezetenen de gemeente met het grootste aantal inwoners; de grootse gemeente qua oppervlakte is Altena dat ruim 200 km² meet. Noord-Brabant telt circa 2,5 miljoen inwoners.

Historisch maakte de provincie deel uit van het Hertogdom Brabant, dat in de middeleeuwen ontstond. Het strekte zich uit van 's-Hertogenbosch tot Brussel en was een welvarend en toonaangevend gewest. Aan die situatie kwam een eind door het uitbreken van de Nederlandse opstand. Het noordelijk deel van Brabant werd veroverd door de Staatse troepen. Bij de Vrede van Münster in 1648 kwam het veroverde gebied onder de naam Staats-Brabant bij de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, terwijl het zuidelijke gedeelte Spaans bleef. Ten tijde van de Republiek was Staats-Brabant een zogeheten generaliteitsland, waarmee het lange tijd geen eigen stem had in het landsbestuur. Deze situatie duurde tot 1796, toen het gewest met autonome status toetrad tot de Bataafse Republiek.

Na de Franse tijd, bij de stichting van Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815, werden er op het grondgebied van het voormalige hertogdom Brabant drie provincies gevormd: Noord-Brabant, Antwerpen en Zuid-Brabant. Nadat België zich in 1830 afscheidde van het koninkrijk, bleef Noord-Brabant bij Nederland, terwijl beide andere provincies Belgisch grondgebied werden. Noord-Brabant maakte later in de 19e eeuw een geleidelijke groei van de welvaart mee. De landbouw was sterk bepalend voor de economie, tot aan de industriële revolutie. Onder meer de opkomst van het Philipsconcern markeerde de groeiende dynamiek van de provincie.

Het Noord-Brabant van de 21e eeuw bezit nog een herkenbaar eigen karakter, wat onder meer blijkt uit de Brabantse dialecten en tradities als het carnaval en de schuttersgilden. Het katholicisme dat eeuwenlang een maatschappelijk dominante factor was, heeft door de grote geloofsafval sterk aan invloed ingeboet. De provincie is de derde economie van Nederland, na Noord-Holland en Zuid-Holland. De agrarische sector heeft een bovenproportioneel aandeel in de Nederlandse landbouw. Van economisch belang zijn verder onder meer de petrochemische industrie bij Moerdijk, het grote aantal distributiecentra, en de maak- en kennisindustrie in de Metropoolregio Eindhoven.

Naam[bewerken | brontekst bewerken]

De naam Brabant is afgeleid van de Karolingische benaming pagus Bracbatensis (‘Brabantgouw’). De herkomst van Bra(c)- is onduidelijk; dit woorddeel houdt mogelijk verband met bracha, een oud woord voor ‘nieuw land’, of met braec, ‘drassig land’. In het tweede deel is bant (‘gebied’) te herkennen.[3]

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Een ringwalgrafheuvel, ca. 1350 v. Chr., nabij Toterfout in de gemeente Veldhoven
1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van Noord-Brabant voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Prehistorie[bewerken | brontekst bewerken]

De oudste menselijke bewoning van het huidige Noord-Brabant dateert van 10.000 v.Chr. De eerste bewoners waren jager-verzamelaars die in kleine groepen rondtrokken. Rond 3000 v.Chr ontstonden de eerste agrarische nederzettingen. De boeren gebruikten aanvankelijk nog stenen werktuigen, maar rond 1900 v.Chr. deed brons zijn intrede in het gebied en rond 800 v.Chr. verschenen er de eerste ijzeren objecten. Veel archeologische vondsten getuigen van de vroege historie. Er zijn in Noord-Brabant uit het stenen tijdperk en de bronstijd honderden grafheuvels gevonden, evenals urnenvelden uit de ijzertijd. Verder zijn op een groot aantal plekken grondsporen gevonden van nederzettingen uit de ijzertijd. Op vele plaatsen zijn vuurstenen pijlpunten en bronzen bijlen opgegraven. Door de hele provincie zijn duizenden artefacten aangetroffen van aardewerk, bouwkeramiek, natuursteen, vuursteen, been, metaal en glas.[4]

Romeinse tijd[bewerken | brontekst bewerken]

De Peelhelm, 320 n.Chr., gevonden in 1910 in Helenaveen

De legers van het Romeinse Rijk veroverden het gebied dat nu Noord-Brabant heet in 57 v.Chr. Dat gebied was in die tijd nagenoeg geheel bedekt met oerbos, afgewisseld door moerassen. Een van de overwonnen volken was de stam van de Eburonen. Zij leefden onder andere in de streek waar nu de Kempen ligt en in 54 v.Chr. kwamen zij in opstand. Negenduizend Romeinse soldaten verloren daarbij het leven. De Romeinen namen wraak door de Eburonen vrijwel geheel uit te roeien. Ruim een eeuw later kwamen de Bataven in opstand. Ook nu wisten de Romeinen hun gezag te herstellen.[5]

Daarna brak een lange periode van welvaart aan waarin de inheemse bevolking romaniseerde en in omvang toenam. Veel bos werd gekapt om als akker te dienen waarop graan werd verbouwd dat werd verhandeld met de Romeinen. Naar Romeins voorbeeld werden hier en daar villa's gebouwd. Vanaf eind 3e/begin 4e eeuw deden Germaanse stammen steeds vaker invallen in het Romeinse territorium. Hoewel veel Salische Franken zich in het gebied vestigden, wisten de Romeinen hun gezag te handhaven. Tot het Romeinse rijk door interne machtsstrijd zo verzwakt was dat het zich in 406 v.Chr. genoodzaakt zag het noordelijke deel van het rijk op te geven. Veel geromaniseerde bewoners volgden het terugtrekkende leger waarna de landstreek in bezit werd genomen door de Salische Franken.[6]

De Romeinse periode heeft veel sporen nagelaten in het huidige Noord-Brabant. Bij Cuijk zijn resten gevonden van een Romeinse brug. In Hoogeloon is een Romeinse villa opgegraven en bij Oss een aan een villa verwante boerderij. In Nispen werd een potstalboerderij uit de 2e of 3e eeuw gevonden. Onder andere in Kessel, Empel en Lieshout zijn crematie-graven blootgelegd, met in de naaste omgeving ruimtes met altaarstenen en bijgiften, onder andere van 'terra sigillata’ (rood aardewerk), en militaire uitrustingstukken. In de Deurnese Peel is in 1910 nabij Helenaveen een Romeinse ruiterhelm gevonden. De vergulde zilveren helm werd waarschijnlijk door een Romeinse officier in een ven achtergelaten als zoenoffer aan de goden.[7][8]

Middeleeuwen[bewerken | brontekst bewerken]

Kaart van hertogdom Brabant in 1477

Vanaf de 5e eeuw werden de gronden in het latere Brabant – met toestemming van de koning der Franken – in bezit genomen door leden van de lagere adel. De edelen brachten die nieuw verworven gronden in cultuur in domeinen. Zo'n domein bestond uit het landgoed van de heer, hof of vroonhof genaamd, met daaromheen hoeven die in gebruik werden gegeven aan horigen, halfvrije boeren. Ook vrije boeren sloten zich aan bij domeinen, op zoek naar bescherming tegen rondtrekkende bendes. Zo ontstonden overal dorpen die later, omdat ze eigendom waren van een heer, heerlijkheden werden genoemd.[9]

Na de dood van Karel de Grote in 814 viel het Frankische Rijk uiteen. Eeuwenlang streden edellieden om de macht over de verschillenden delen van het oude rijk. In het gebied waar nu Noord-Brabant is gelegen, ontstond rust toen in 1183 het hertogdom Brabant werd gevormd. Brussel werd de hoofdstad van het hertogdom dat was verdeeld in vier kwartieren, te weten Leuven, Brussel, Antwerpen en ’s-Hertogenbosch. De hertog stelde in het laatst genoemde kwartier een meier aan als bewindhebber. Het kwartier, dat werd aangeduid als Meierij van 's-Hertogenbosch, was weer onderverdeeld in vier kwartieren: Peelland, Kempenland, Oisterwijk en Maasland, en omvatte daarnaast enkele oostelijk van de Meierij gelegen gebieden. De Baronie van Breda en het Markiezaat Bergen op Zoom ressorteerden onder het kwartier Antwerpen. De stad Grave, het land van Cuijk en de heerlijkheden Steenbergen en Willemstad vielen niet onder een van de kwartieren maar behoorden wel tot het hertogdom Brabant.[10]

Door innovaties in de landbouw als de haam, de keerploeg en het drieslagstelsel, nam de voedselproductie sterk toe. Boeren verhandelden overschotten aan voedsel op marktplaatsen die uitgroeiden tot steden. Door de uitbreiding van het landbouwareaal en het gebruik van hout voor de bouw van steden en voor het koken, verdween bijna het gehele Brabantse oerbos. Dit zorgde voor het ontstaan van heidegronden die door de vele schapen werden kaalgevreten, waardoor grote zandverstuivingen ontstonden. Om de schaarste aan hout te bestrijden introduceerde de hertog van Brabant rond 1400 het recht van voorpoting. Dit hield in dat hij aan de ingezetenen van dorpen het recht verleende om bosbouw te plegen op woeste grond die hem toebehoorde. Meestal betrof dat bermen van wegen en delen van zandverstuivingen.[11]

De hertogen van Brabant verleenden in het gebied dat thans tot de provincie behoort aan enkele tientallen steden stadsrechten, in ruil voor steun. Om hun macht te consolideren voerden de Brabantse hertogen vele oorlogen, zowel binnen als buiten Brabant. Dat leidde tot de aanleg van kastelen, en het versterken van steden met grachten, stadsmuren en poorten.[12] In 1270 lukte het de hertog van Brabant om voor zijn steden het recht te verwerven Engelse wol te kopen en het daarmee geweven laken in Engeland af te zetten. Brabant werd een bloeiende textielproducent met naast Engeland ook Italië, Spanje en de Oostzeelanden als afzetgebied. Belangrijke handelscentra waren 's-Hertogenbosch en Bergen op Zoom. De welvaart die ontstond mondde uit in de Brabantse Gouden Eeuw, een bloeiperiode die viel tussen 1430 en 1550. In Brabant floreerden architectuur, schilderkunst, literatuur en muziek, en het hertogdom was het bestuurlijk en economisch kerngebied van de Nederlanden.[13]

Veel bouwwerken uit de Brabantse Gouden Eeuw zijn bewaard gebleven zoals de Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch, het Markiezenhof in Bergen op Zoom, de Grote- of Onze Lieve Vrouwekerk in Breda, de Sint-Petrusbasiliek in Oirschot en het kasteel van Helmond.

Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648)[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Tachtigjarige Oorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Kaart met in geel het hertogdom Brabant en in rood de scheidingslijn uit 1648 tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden

Vanaf omstreeks 1560 kreeg het calvinisme in Brabant steeds meer aanhang. De Beeldenstorm die in de zomer van het jaar 1566 in West-Vlaanderen losbarstte en zich over de gehele Nederlanden verbreidde, was in Brabant bijzonder hevig. De Spaanse koning Filips II, die ook de titel 'heer der Nederlanden' voerde, stuurde het Spaanse leger naar de Lage Landen met de opdracht de opstand te onderdrukken. In de Tachtigjarige Oorlog die toen uitbrak heeft Brabant een centrale rol gespeeld, al vonden de belangrijke gevechten de eerste tien jaar buiten Brabant plaats.[14]

Als gevolg van langdurige problemen met soldijbetaling sloeg het Spaanse leger in 1576 aan het muiten. Antwerpen werd door Spaanse troepen geplunderd en in brand gestoken. De onlusten duurden drie dagen en kostten volgens schattingen 7000 mensen het leven. Daarop riepen de Staten van Brabant de Staten-Generaal van de Nederlanden bijeen. Brabant wist in samenwerking met Willem van Oranje de gematigde en de radicale opstandelingen op één lijn te krijgen. Zij sloten de Unie van Brussel en eisten het vertrek van de Spaanse troepen. Spanje zwichtte en trok zijn troepen terug.[14]

De rust duurde slechts kort en in 1579 hervatten de Spanjaarden de strijd, die zich naar Brabant uitbreidde. Er ontstond een scheuring in de Unie van Brussel. Enkele gewesten kozen de kant van de Spanjaarden en stichtten de Unie van Atrecht. De opstandige gewesten verenigden zich in de Unie van Utrecht. Breda sloot zich aan bij de Unie van Utrecht. 's-Hertogenbosch twijfelde aanvankelijk, maar na een mislukte machtsgreep van de Bossche calvinisten, koos de stad voor de Unie van Atrecht. Twee jaar later, op 25 juli 1581, namen de Staten-Generaal van de Nederlanden het Plakkaat van Verlatinghe aan, de onafhankelijkheidsverklaring van de Nederlanden. Een van de ondertekenaars was het hertogdom Brabant.[14]

De dag daarna, op 26 juli 1581, namen de Spanjaarden Breda in. De hoofdstad van Brabant, Brussel, viel in maart 1585 in Spaanse handen en Antwerpen in augustus van dat jaar. Als gevolg van die ontwikkeling moesten de afgevaardigden van het gewest Brabant hun zetels in de Staten-Generaal opgeven. De delen van Brabant die nog aan de kant van de opstandige gewesten stonden, waaronder Bergen op Zoom, verloren hun zelfstandigheid en vielen vanaf dat moment rechtstreeks onder het gezag van de Staten-Generaal. Het opstandige Bergen op Zoom wist in 1588 het Spaanse beleg te trotseren en in 1590 heroverde Maurits van Nassau Breda op de Spanjaarden door een list met een turfschip.[14][15]

Bij het ingaan van het Twaalfjarig Bestand in 1609 waren het westen en noorden van het latere Noord-Brabant in handen van de Republiek der Verenigde Provinciën. Het oosten was nog Spaans met 's-Hertogenbosch als bolwerk. Na de hervatting van de oorlog lukte het Spanje om in 1625 Breda in te nemen, maar daarna keerden de kansen. Frederik Hendrik veroverde 's-Hertogenbosch in 1629 en Breda in 1637, waarmee het noordelijk deel van Brabant geheel in Staatse handen kwam. Bij de Vrede van Münster in 1648 stond Spanje de soevereiniteit over noordelijk Brabant af aan de Staten-Generaal.

De Tachtigjarige Oorlog is voor Brabant een barre tijd geweest. De regio lag vrijwel voortdurend in een brede frontzone. Breda en 's-Hertogenbosch moesten langdurige belegeringen doorstaan, evenals Bergen op Zoom, dat zich nooit aan de Spanjaarden heeft overgegeven. Kleine steden, zoals Eindhoven en Helmond, werden dan door de Staatsen en dan weer door de Spanjaarden onder de voet gelopen. Het platteland werd geplunderd door beide partijen, rondtrekkende legers vernielden de oogsten, de bevolking van de Meierij werd door de Staatsen uitgehongerd en in heel Brabant raakten dorpen ontvolkt. [16][17]

Staats-Brabant (1648 – 1795)[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Staats-Brabant voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Sulck kompt de geheele geledene schade deser heerlijckheijt te bedragen de somme van seventien duijsent drij hondert dartien gulden, elff stuiver acht penningen.
Opgave door de schepenen van Lieshout van de schade die passerende Nederlands/Britse legers, onder andere van de generaals Marlborough en Athlone, in 1702 in het dorp veroorzaakt hadden.
Later in dat jaar werd Lieshout door de Fransen gebrandschat. De geëiste contributie bedroeg 3180 gulden. Via een tussenpersoon in Antwerpen werd 1020 gulden betaald.[18]

Na de vrede van Münster besloten de Staten-Generaal om het deel van Brabant waarover zij de soevereiniteit hadden verkregen zelf te blijven besturen, zoals dat vanaf 1585 reeds het geval was met de delen van het hertogdom die in Staatse handen waren. Daarmee werd Staats-Brabant een Generaliteitsland. De Staten-Generaal voerden in fasen het in de Republiek geldende belastingstelsel in.[19] De boeren op de schrale zandgronden kregen daarmee dezelfde lasten te dragen als de Hollandse kleiboeren. Verder bleven de in- en uitvoerrechten van kracht die eerder waren ingevoerd voor handelsverkeer vanuit het bevrijde deel van Brabant met de rest van de Republiek. De katholieke eredienst werd verboden en de Staten-Generaal eigenden zich alle bezittingen van de Rooms-Katholieke Kerk toe. Verder kwamen uitsluitend hervormden in aanmerking voor het vervullen van overheidsfuncties.

De overgrote meerderheid van de bevolking bleef trouw aan het katholieke geloof. Veel katholieken woonden de zondagsmis bij in een van de zelfstandige enclaves als Bokhoven, Ravenstein, Boxmeer en Gemert. Anderen zochten hun toevlucht tot kerken in de Spaanse Nederlanden die net over de grens lagen zoals die bij de latere Achelse Kluis. Na het rampjaar 1672 werd het regime enigszins verlicht en werden katholieke schuurkerken gedoogd, zij het tegen betaling van recognitiegeld. Het aantal hervormden bleef, zeker op het platteland, zo gering dat overheidsfuncties toch aan katholieken werden gegund.[20]

De in- en uitvoerrechten die geheven werden op handelsverkeer met de rest van de Republiek troffen vooral de textielnijverheid in de Meierij, die omvangrijk was en ongeveer een kwart van alle in de Republiek opgestelde weefgetouwen telde. De invoer van wol en vlas, en de uitvoer van geweven producten – die vroeger verliepen via Antwerpen – moesten gaan lopen via Hollandse handelssteden als Amsterdam en Rotterdam. De in- en uitvoerrechten die als gevolg daarvan geheven werden, bemoeilijkten de concurrentie met textielproducenten in Leiden en Haarlem. Mede door druk vanuit de Hollandse handelssteden verleenden de Staten-Generaal een aantal Meierijse steden en dorpen vrijstelling van het betalen van douanerechten. Hierdoor kon de textielnijverheid in Staats-Brabant blijven floreren.[21][22][23]

Staats-Brabant werd gebruikt als een militaire bufferzone ter verdediging van de Republiek, met name van de Zeven Provinciën. De vestinggordel lag daarom in het noorden van Staats-Brabant, langs de grote rivieren. Legertroepen van de Franse koning Lodewijk XIV en zijn bondgenoten trokken zowel tijdens de Hollandse Oorlog (1672-1678), als tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) regelmatig plunderend door het onverdedigde Staats-Brabant, waarbij tal van dorpen in de as werden gelegd en tal van gijzelaars werden meegenomen. Om plundering te voorkomen kon men een zogenaamde contributie betalen. De dreiging van de Staten-Generaal met een boete op het betalen daarvan hield de meeste dorpen niet tegen.[24]

Niet alleen de troepen van de Fransen en hun bondgenoten zorgden voor overlast. Decennialang fungeerde Staats-Brabant als doorgangshuis voor Staatse troepen en allerlei legers van bondgenoten. Zowel op de heenweg naar het zuiden als op de terugweg moesten de legers enige dagen worden ingekwartierd. Dit bracht hoge kosten met zich mee, die maar ten dele en alleen voor het Staatse leger werden vergoed. Na het sluiten van de Vrede van Utrecht in 1713 verschoof de verdedigingsgordel van de Republiek naar de barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden. Na die tijd bleef het Staats-Brabantse platteland onveilig omdat veel roversbendes die uit Holland en Gelderland verdreven waren in het gebied rondtrokken.[25]

In Noord-Brabant heeft lang de overtuiging geleefd – en die leeft bij veel inwoners in de 21e eeuw nog – dat Staats-Brabant systematisch door de Staten-Generaal is achtergesteld en uitgebuit. Historici die hiernaar vanaf eind 20e eeuw onderzoek hebben gedaan, onderschrijven die opvatting niet. De meesten van hen, inclusief die uit Noord-Brabant, beantwoorden de vraag of het voor de bevolking veel zou hebben uitgemaakt wanneer Staats-Brabant een volwaardige provincie was geworden met: 'waarschijnlijk weinig of niets'. Hun onderzoek heeft geleid tot het inzicht dat de verarming van de bevolking van Staats-Brabant twee hoofdoorzaken kende: het decennialange oorlogsmolest als gevolg van oorlogen tegen Frankrijk, en conjuncturele tegenwind door de crisis in de landbouw en de achteruitgang van de Hollandse wereldhandel.[26][27]

Franse Tijd[bewerken | brontekst bewerken]

De protestantse Napoleonskerk in Oisterwijk uit 1810

In 1794 viel Frankrijk de Republiek der Verenigde Nederlanden binnen en veroverde Staats-Brabant. Nederlandse patriotten, die de ideeën van de Franse Revolutie steunden, wisten te bewerkstelligen dat Nederland niet ingelijfd werd bij Frankrijk. Zo ontstond de Bataafse Republiek, in werkelijkheid een Franse vazalstaat. Bij het Haags Verdrag van 16 mei 1795 stond Frankrijk het veroverde Staats-Brabant af, waarbij werd bepaald dat het gebied onder de naam Bataafs-Brabant een positie zou krijgen die gelijkwaardig was aan die van de andere gewesten. De enclaves die niet bij het generaliteitsgebied behoord hadden, werden door Frankrijk verkocht aan de Bataafse Republiek, die deze zogenaamde Gecedeerde Landen niet toevoegde aan Bataafs-Brabant. Het betrof Gemert, Ravenstein, Boxmeer, Megen, Oeffelt, Bokhoven, Luyksgestel en Huijbergen.[28][29]

Tijdens de Franse Tijd, die toen aanbrak en duurde tot 1813, is de bestuurlijke indeling van het gebied een aantal malen ingrijpend gewijzigd. Na de staatsgreep van 1798 werd een centralistische Staatsregeling opgesteld waarin het grondgebied van Bataafs-Brabant werd verdeeld over twee departementen. Het oostelijk deel, met de naam Departement van de Dommel, liep vanaf Tilburg naar het oosten tot voorbij Nijmegen. Het westelijk deel heette Departement van de Schelde en Maas en omvatte ongeveer de Zeeuwse eilanden, het gedeelte van Holland ten zuiden van de Maas en het westelijk deel van Bataafs-Brabant. De Staatsregeling functioneerde slecht en werd in 1802 vervangen door een regeling waarin de oude grenzen van het departement Bataafs-Brabant werden hersteld. Op 26 september 1805 werden de Gecedeerde Landen alsnog aan het departement toegevoegd.[29]

Na de oprichting van het koninkrijk Holland onder koning Lodewijk Napoleon in 1806 kreeg Bataafs-Brabant een nieuwe naam: departement Brabant. Het grondgebied werd uitgebreid met enige plaatsen die voorheen bij andere departementen hadden behoord, waardoor de Maas de noordelijke grens werd. Het betrof onder andere Willemstad, Klundert, Geertruidenberg en Made, Zevenbergen, Hoge en Lage Zwaluwe, en Heusden. Twee jaar later werd Luyksgestel, dat behoorde tot het departement Nedermaas, geruild tegen Lommel.[29]

Lodewijk Napoleon werd in Brabant populair. Tijdens een lange inspectiereis door het departement in 1809 bood hij steun en geld aan tijdens een choleraepidemie in het dorp Aarle en bij enkele grote overstromingen. Ook verleende hij stadsrechten aan Tilburg, Roosendaal en Oosterhout. Daarnaast gaf hij veel kerken terug aan de katholieken. Protestanten die hun kerk zo kwijt raakten schonk hij geld voor de bouw van nieuwe kerkjes, nu bekend als Napoleonskerkjes.[28]

In 1810 lijfde keizer Napoleon Bonaparte het gebied ten zuiden van de Waal in bij het Eerste Franse Keizerrijk. Enkele maanden later was de rest van Nederland aan de beurt. Het voormalige departement Brabant werd in twee delen gesplitst. Het deel ten westen van de Donge werd toegevoegd aan het Zuid-Nederlandse departement Twee Neten, dat al deel uitmaakte van Frankrijk vanaf 1795. Het oostelijk deel van het departement werd samen met een deel van departement Gelderland omgezet in een nieuw Frans departement, Monden van de Rijn.[29]

Negentiende eeuw (vanaf 1814)[bewerken | brontekst bewerken]

Nederland in 1815-1830
Het legerkamp in Rijen

Na de val van Napoleon in 1814 besloten de overwinnaars op het Congres van Wenen de voormalige Bataafse Republiek samen te voegen met de Oostenrijkse Nederlanden tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Het oude hertogdom Brabant werd hierdoor niet langer door een landsgrens doorsneden. Het werd verdeeld in drie provincies: Noord-Brabant, Antwerpen en Zuid-Brabant.

In de grondwet van maart 1814 werd bepaald dat de provincies weer hun oude grenzen zouden krijgen. De voormalig Hollandse gebieden van Bataafs-Brabant werden zo bij de provincie Zuid-Holland gevoegd en een aantal voormalige enclaves bij de provincies Gelderland en Limburg. Hierbij werd de ruil Luyksgestel-Lommel uit 1808 ongedaan gemaakt. In de periode 1814-1818 werden de grenzen van Noord-Brabant nader vastgesteld, waarbij de provincie Noord-Brabant de Maas als noordgrens kreeg. In dat kader kwamen onder meer Heusden, Nieuw-Vossemeer, Grave, Ravenstein en Boxmeer bij Noord-Brabant. Bovendien werd Luyksgestel opnieuw Brabants en Lommel Limburgs.[29]

De hereniging van de Brabantse gebieden eindigde door het uitbreken van de Belgische Opstand in september 1830. Koning Willem I legerde een troepenmacht van 50.000 man in Noord-Brabant. Het leger ondernam in 1831 de succesvolle Tiendaagse Veldtocht, maar moest zich onder internationale druk terugtrekken. De koning weigerde de Belgische onafhankelijkheid te accepteren en hield het leger in Noord-Brabant tot 1839 op volle sterkte. Dit betekende dat er buiten de garnizoenssteden veel militairen waren ingekwartierd bij burgers en in grote tentenkampen bij Rijen en Woensel. Zij stonden onder bevel van de Prins van Oranje – de latere koning Willem II – die in deze periode een bijzondere band met Brabant opbouwde.[30]

Nederland erkende de Belgische onafhankelijkheid in 1839, en vier jaar later werd in het verdrag van Maastricht de grens tussen België en Nederland vastgesteld. Daarbij vormde de situatie in Baarle een probleem, door de tientallen enclaves en de vele exclaves in het dorp. De onderhandelaars slaagden er niet in tot overeenstemming te komen over een grens zonder in- en uitsluitingen. Men besloot daarom vast te houden aan de chaotische situatie uit de late middeleeuwen.

1rightarrow blue.svg Zie Enclavegeschiedenis van Baarle voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1853 werd de bisschoppelijke hiërarchie hersteld, waarmee in Nederland vijf bisdommen werden ingevoerd waarvan twee in Noord-Brabant. De Rooms-Katholieke Kerk manifesteerde zich sterk in de provincie. Katholieke kloosterorden richtten zich op de ziekenzorg en het onderwijs en bereikten daarin een dominante positie. De kerk wist zich daarnaast in vrijwel alle maatschappelijke organisaties de functie 'geestelijk adviseur' te verwerven. Op deze wijze verzekerde de Katholieke Kerk zich van een overheersende rol in zowel het publieke als het persoonlijke leven van veel katholieken.[31]

In diezelfde tijd kwam in Noord-Brabant de industrialisatie op gang. Dat proces begon in de textiel, waar de bestaande proto-industrie zich ontwikkelde tot een industrie waarin fabrieksmatig werd geproduceerd. De voornaamste centra waren Tilburg, Goirle, Helmond, Geldrop, Eindhoven en Gemert. Daarna volgden andere al aanwezige nijverheidssectoren als de leder- en schoenenindustrie, die zich concentreerde in de Langstraat en uitlopers had naar onder andere Gilze-Rijen en Moergestel. Ook de sigarenindustrie kwam tot bloei, voornamelijk in Eindhoven, Valkenswaard en Roosendaal. In de Meierij van 's-Hertogenbosch (Liempde, Sint-Oedenrode, Best en Schijndel) ontwikkelde zich een klompenindustrie. Met de komst van Philips naar Eindhoven in 1891 ontstond in Noord-Brabant ook een maakindustrie. In 1892 werd in Budel een zinkfabriek opgericht.[32]

Twintigste eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

De Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk in Breda, gebouwd in 1890, gesloten in 1966 en afgebroken in 1967

In de periode eind 19e/begin 20e eeuw kreeg de Noord-Brabantse landbouw een impuls door de oprichting van landbouwcoöperaties, met name de NCB. Door toenemende doelmatigheid verminderde de werkgelegenheid in de landbouw. Wel werd de voedingsmiddelenindustrie steeds belangrijker. Veghel werd het centrum hiervan, met vestigingen van onder andere de CHV en DMV. Op de kleigebieden in west Noord-Brabant ontstond een omvangrijke suikerbietenteelt met een daaraan gerelateerde suikerfabriek in Dinteloord.[33]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Noord-Brabant op 10 mei 1940 binnen een dag veroverd. De Peel-Raamstelling aan de oostzijde van de provincie viel vrijwel zonder strijd en Duitse luchtlandingstroepen veroverden de Moerdijkbrug zonder veel weerstand te ondervinden. Het einde van de oorlog kwam, als gevolg van de operatie Market Garden, eerder dan in de provincies boven de rivieren. Alleen het land van Altena moest wachten tot 1945 om bevrijd te worden.[34]

Na de oorlog werd de oorlogsschade aan de industrie en de infrastructuur met succes hersteld tijdens de Wederopbouw. Aan het eind van die periode daalde de werkgelegenheid in de traditionele industrie echter sterk en veel bedrijven beëindigden hun activiteiten. De neergang was onder meer het gevolg van de groeiende concurrentie uit het buitenland. Na de oprichting van de EEG in 1957 vervielen allerlei handelsbelemmeringen, waarvan vooral Italiaanse textiel- en schoenproducenten profiteerden. Ook van buiten de EEG nam de invoer toe, met name uit lagelonenlanden en uit opkomende economieën als Japan en Zuid-Korea. Daardoor kwamen ook moderne industrieën in de problemen. Om te kunnen overleven moest Philips in 1990 een grote reorganisatie doorvoeren, genaamd Operatie Centurion.[35] DAF vroeg in 1993 faillissement aan en werd na een doorstart overgenomen.[36]

Tegelijkertijd voltrokken zich grote maatschappelijke veranderingen. Na de oorlog ontstonden overal in Nederland twijfels over de verzuiling, ook in Noord-Brabantse katholieke kringen. Deze twijfel kwam onder meer voort uit de tijden van het verzet tegen de Duitse bezetting, waar vaak over de grenzen van de zuilen heen met elkaar werd samengewerkt. Later begon de kerkelijke grondslag van organisaties als ziekenhuizen zijn vanzelfsprekendheid te verliezen door de opbouw van de verzorgingsstaat. Uiteindelijk resulteerde dat proces in een massale geloofsafval wat ertoe leidde dat veel kerken in de provincie aan de eredienst werden onttrokken. Veel kerkgebouwen kregen een andere bestemming, maar vele tientallen werden afgebroken.[31][37][38]

In de laatste decennia van de 20e eeuw groeide de intensieve veehouderij in Noord-Brabant sterk, met als koplopers de varkens- en pluimveehouderij. Hiermee werd de provincie een gebied met een grote veedichtheid; in het jaar 1999 herbergde Noord-Brabant 29 miljoen kippen en 4,5 miljoen varkens.[39][40]

Eenentwintigste eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

In reactie op de massaontslagen bij DAF, Philips en hun toeleveranciers sloten 21 gemeenten in Zuidoost-Brabant zich aaneen als Metropoolregio Eindhoven. Ze brachten een werkkapitaal van circa 3 miljoen euro bijeen en verwierven een Europese 'Stimulus'-subsidie van circa 180 miljoen euro. Onder de noemer 'Brainport' stimuleerde de Metropoolregio intensieve samenwerking tussen bedrijven, overheden en kennisinstellingen. Daarnaast werden op grote schaal bedrijfsterreinen opgeknapt en nieuwe ontwikkeld, en kregen nieuwe bedrijfjes kansen in verzamelgebouwen. Dat resulteerde in honderden projecten en ruim 30.000 cursusplaatsen. Er kwam een instroom van buitenlandse bedrijven op gang en mede daardoor ontwikkelden zich nieuwe groeisectoren zoals automotive, design en zakelijke dienstverlening. Brainport Regio Eindhoven ontving in 2016 de status van mainport en was in 2018 qua groei de tweede economische regio van Nederland, na de regio Amsterdam.[41][42][43]

Geografie[bewerken | brontekst bewerken]

Ligging[bewerken | brontekst bewerken]

Het deel van Nederland dat boven zeeniveau is gelegen

Noord-Brabant grenst in het noorden aan de provincies Zuid-Holland en Gelderland, in het westen aan Zeeland, in het oosten aan Limburg, en in het zuiden aan de Belgische provincies Antwerpen en Limburg. Behalve Gelderland en Overijssel heeft geen andere Nederlandse provincie zoveel 'buren'. Met een landoppervlak van 5.081 km² is Noord-Brabant in grootte de tweede provincie van Nederland, na Gelderland.

Natuur[bewerken | brontekst bewerken]

Noord-Brabant is relatief vlak en bestaat voor het overgrote deel uit dekzandgebieden, doorsneden door beekdalen. Het riviergebied aan de noord- en de westgrens heeft rivierklei en in het noordwesten zijn restanten te vinden van het vroegere Hollandveen. Net als in de oostelijke provincies het geval is, ligt het grootste deel van Noord-Brabant boven zeeniveau. De grote hoeveelheden woeste gronden uit het verleden zijn grotendeels in cultuur gebracht, voornamelijk als bos en landbouwgrond.

Enkele stuifzand- en heidegebieden zijn bewaard gebleven, zoals in de Loonse en Drunense Duinen, de Strabrechtse Heide en de Kampina. In het oosten van de provincie bevinden zich enkele hoogveenrestanten in de verschillende reservaten van de Peel. Verder zijn er diverse boswachterijen in Noord-Brabant.

Noord-Brabant is de provincie met de meeste nationale parken van Nederland. De vier parken bevinden zich verspreid over de provincie. Naast de nationale parken worden er in de provincie 21 gebieden beheerd als Natura 2000 biotoop.[44] Tevens heeft de provincie het enige Nederlandse UNESCO biosfeergebied, Maasheggen bij Vierlingsbeek.[45]

Landstreken[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Lijst van Nederlandse streken voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Noord-Brabant kent een aantal aaneengesloten geografisch gebieden met een bepaald taalkundig, cultureel, demografisch en/of institutioneel karakter, al dan niet erkend door de officiële instanties. Sommige van deze zogenaamde streken vallen samen met bestuurlijke regio's of gemeenten. Ook hebben in het verleden sommige streken een bestuurlijke status gehad. Vaak is er overlap tussen streken en kunnen kleinere streken in grotere vervat zitten. Enkele streken liggen niet alleen in Noord-Brabant, maar strekken zich ook uit over naastgelegen provincies of België. De bekendste streken van Noord-Brabant zijn:

Bestuur[bewerken | brontekst bewerken]

Provincie[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Politiek in Noord-Brabant voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Provinciale Staten van Noord-Brabant
Zetelverdeling 2019-2023
5
2
5
3
5
2
1
1
8
10
9
4
10 
De 55 zetels zijn als volgt verdeeld:

De provincie Noord-Brabant vormt de bestuurslaag tussen de rijksoverheid en de Noord-Brabantse gemeenten. Aan het hoofd van de provincie staan de Provinciale Staten van Noord-Brabant. De staten tellen 55 leden, die gekozen worden bij de vierjaarlijkse provinciale verkiezingen. De staten vormen het algemeen bestuur van de provincie en kiezen een dagelijks bestuur, het College van Gedeputeerde Staten (GS). Het college bestaat uit de gekozen gedeputeerden, onder voorzitterschap van de commissaris van de Koning van Noord-Brabant. De gedeputeerden treden tegelijk af met de leden van Provinciale Staten. De commissaris wordt niet gekozen door de inwoners van de provincie, maar benoemd door de Kroon. De benoeming geldt voor een periode van zes jaar, met de mogelijkheid tot herbenoeming.

De provincie heeft specifieke bevoegdheden en taken op een aantal onderwerpen, zoals ruimtelijke ordening, milieubescherming en cultuur. Daarnaast houdt de provincie toezicht op de gemeenten en speelt ze op veel gebieden een coördinerende rol in de samenwerking die gemeenten hebben met elkaar en andere instanties.

Samenwerkingsregio's[bewerken | brontekst bewerken]

De provincie kent een aantal samenwerkingsregio's. Daarin werken gemeenten samen met overheidsinstellingen als provincie, waterschappen, en politie. Ook met private marktpartijen en kennisinstellingen wordt veelvuldig samengewerkt. Afhankelijk van het doel van de samenwerking kan de samenstelling van de regio's variëren. De belangrijkste vormen van samnenwerking zijn: bestuurlijke regio's en veiligheidsregio's.

Noord-Brabant kent vier bestuurlijke regio's waarin de provincie samenwerkt met gemeenten: West-Brabant, Midden-Brabant, Noordoost-Brabant en Zuidoost-Brabant. Bij de samenwerking zijn de waterschappen betrokken die in de provincie werkzaam zijn: Aa en Maas, De Dommel, Brabantse Delta en Rivierenland. Aandachtsgebieden bij de samenwerking zijn Economie, Ruimte en mobiliteit, Energie, Klimaat, Transitie landbouw, en Voedsel en gezondheid. De indeling is niet geheel strak: het Zeeuwse Tholen maakt deel uit van de bestuurlijke regio West-Brabant, en Heusden is lid van twee bestuurlijke regio's, Midden-Brabant en Noordoost-Brabant.

De provincie heeft daarnaast onder de naam Brabantstad een samenwerkingsverband met de vijf grootste steden van Noord-Brabant, Eindhoven, Tilburg, Breda, 's-Hertogenbosch en Helmond. De regio waarin dit verband opereert, wordt door planologen en stedenbouwkundigen wel aangeduid als de Brabantse Stedenrij. Doel van de samenwerking is een stedelijk netwerk te vormen dat zich ontwikkelt tot een toonaangevende kennisregio. Er wordt samengewerkt op economisch, ruimtelijk, sociaal en cultureel terrein.

De regio's werken, los van de provincie, vaak ook samen met marktpartijen als bedrijven en kennisinstellingen. Zo vormen 21 gemeenten in Zuidoost-Brabant het openbaar lichaam Metropoolregio Eindhoven en werken negen gemeenten van Midden-Brabant samen onder de naam Regio Hart van Brabant.

Er zijn in Noord-Brabant drie veiligheidsregio's waarin gemeenten samenwerken met verscheidene instanties, te weten Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, Veiligheidsregio Brabant-Noord en Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost. De veiligheidsregio's hebben de status van een openbaar lichaam, met taken op het terrein van brandweerzorg, rampen- en crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening, openbare orde en veiligheid. De gemeenten werken per veiligheidsregio samen met de brandweer en de GHOR. De politie is, zoals ook in andere provincies, officieel geen onderdeel van de veiligheidsregio's, maar neemt wel deel aan het veiligheidsberaad.

Gemeenten[bewerken | brontekst bewerken]

Met gemeentelijke herindelingen in de jaren negentig is het aantal gemeenten in Noord-Brabant drastisch teruggebracht. Sindsdien kent de provincie 62 gemeenten, waarmee het de gemeentenrijkste provincie van Nederland is. Deze gemeenten zijn:


Provincie Noord-Brabant, gemeenten (2016)

Demografie[bewerken | brontekst bewerken]

Inwoners van Noord-Brabant naar Nederlandse achtergrond of migratieachtergrond per werelddeel, 2020[46]
Achtergrond Aantal personen Aandeel
Nederland 2.054.070 80,1%
Rest van Europa 251.742 9,8%
Azië 119.654 4,7%
Afrika 79.151 3,1%
Amerika 55.428 2,2%
Oceanië 2.919 0,1%
Totaal 2.562.955 100%

Het aantal inwoners van Noord-Brabant is van 2000 tot 2020 gestaag gestegen, van 2.356.004 naar 2.562.955. Tegelijkertijd is het aandeel daarin van personen van wie beide ouders in Nederland zijn geboren continu gedaald, van 86,1 naar 80,1 procent.[47] De personen die behoren tot de 19,1 procent met minstens een ouder die in het buitenland geboren is, worden in demografische terminologie aangeduid als inwoners met een migratieachtergrond. In meer dan de helft van de gevallen is dat een Europese achtergrond, zie tabel. De vijf landen die het vaakst als migratieachtergrond voorkomen zijn: Turkije met 53.190 personen, Indonesië met 47.511 personen, Polen met 45.520 personen, Marokko met 44.653 personen en Duitsland met 36.920 personen.[46]

Op de meeste demografische aspecten wijkt de provincie enigermate af van het landelijk beeld. Zo groeide in 2019 de Noord-Brabantse bevolking met 0,7 procent tegen een landelijke groei van 0,6 procent. Het aantal inwoners jonger dan 20, vergeleken met het aantal vanaf 20 tot en met 64, de zogenaamde groene druk, was iets lager dan landelijk: 36,3 procent in Noord-Brabant en 37,3 in Nederland. De grijze druk, het aantal mensen ouder dan 64 ten opzichte van de groep 20-64, was iets hoger: 34,0 procent in Noord-Brabant en 32,6 landelijk.[48]

Om de bevolking in Noord-Brabant zichzelf in stand te laten houden is een gemiddeld kindertal van 2,10 per inwoonster noodzakelijk. Het gemiddelde kindertal van Noord-Brabantse vrouwen, inclusief vrouwen met een migratieachtergrond, loopt reeds jaren terug en lag in 2019 op 1,55. Daarmee samenhangend daalde het geboortecijfer van circa 30.000 in 2000 tot minder dan 24.000 in 2019. In dat laatste jaar werden in de provincie 600 personen meer geboren dan er stierven. Dat de bevolking desondanks toenam met circa 18.000 personen is te danken aan de instroom van nieuwe inwoners, vanuit andere provincies en vooral vanuit het buitenland. Het beeld van 2019 past in een voortgaande ontwikkeling.[49]

Jaarlijks vestigen zich ongeveer 2000 personen meer vanuit andere provincies in Noord-Brabant, dan er personen Noord-Brabant verlaten om elders in Nederland te gaan wonen. Een van de mogelijke oorzaken van het positieve saldo is de grote krapte op de Randstedelijke woningmarkt, waardoor mensen uit andere provincies in Noord-Brabant komen wonen om van daaruit te forenzen. Het saldo is positief in alle leeftijdscategorieën met uitzondering van de categorie jongvolwassenen. Dat er meer jongeren uit Noord-Brabant vetrekken dan er zich vestigen komt doordat veel jonge Brabanders verhuizen naar de Randstad. Daarbij speelt waarschijnlijk arbeidsaanbod een rol, evenals het aanbod van onderwijsvoorzieningen.[50]

Vanuit het buitenland komen eveneens jaarlijks meer personen naar Noord-Brabant dan er Brabanders emigreren. De buitenlandse migratiesaldi zijn aanzienlijk groter dan de binnenlandse. Bovendien lopen ze vanaf 2010 op, vanaf een niveau van 4000 per jaar naar 15.000. Deze groei kan voor een belangrijk deel verklaard worden door de toename van het aantal arbeidsmigranten uit nieuwe lidstaten van de Europese Unie. Maar ook de vluchtelingencrisis en de komst van kenniswerkers (expats) en buitenlandse studenten hebben bijgedragen aan de sterk opgelopen buitenlandse migratiesaldi. Hiermee is de bevolkingsgroei in Noord-Brabant uitgekomen op het hoogste niveau sinds jaren.[50]

Immaterieel erfgoed[bewerken | brontekst bewerken]

Diverse aan de provincie gebonden cultuuruitingen geven aan Noord-Brabanders een gevoel van identiteit en continuïteit, en behoren daarmee tot het immaterieel cultureel erfgoed. Dat erfgoed omvat onder andere de eigen taal, de tradities en religie.

Taal[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Brabants voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Brabantse dialect is, samen met het Hollands, vanaf de 16de eeuw sterk bepalend geweest voor het ontstaan van het Standaardnederlands. Na de Tachtigjarige Oorlog verloor het Brabants aan gewicht. In de 21e eeuw wordt het Brabants in zijn vele regionale varianten gesproken in grote delen van Nederland en Vlaanderen. Het Brabants dat in Noord-Brabant gangbaar is, kent twee varianten: het West-Brabants en het Oost-Brabants. De Brabantse tongval is voor de meeste Nederlandstaligen redelijk te volgen; voor het Brabants dialect echter is dit meestal niet het geval. In tegenstelling tot het Fries, het Limburgs en het Nedersaksisch is het Brabants geen erkende minderheidstaal.

Uit een onderzoek uit 2005 bleek dat van de Noord-Brabanders van twaalf jaar en ouder ruim 90 procent het Brabants begreep. Ruim 70 procent kon het ook spreken, in de plaatselijke vorm of als een taalvorm tussen het dialect en Standaardnederlands in. De meesten van hen spraken hun Standaardnederlands met een Brabants accent en waren daar doorgaans trots op. Jongere leeftijdscategorieën waren minder in staat om dialect te spreken, in totaal zo'n 60 procent. Ook bleek dat de dialectsprekers met hun kinderen vaak minder dialect spraken dan met hun partners.[51]

Niet in de gehele provincie wordt Brabants gesproken. In de Westhoek spreekt men Westhoeks, een in essentie Hollands dialect met Brabantse trekken. In het Land van Cuijk wordt een variant van het Kleverlands gesproken, net als in aangrenzende delen van Gelderland en Limburg. In de gemeente Cranendonck spreekt men Budels, een dialect dat verwant is aan het West-Limburgs. Daarnaast zijn er verschillende gebieden buiten de provincie die, doordat ze op een grote Brabantse stad zijn gericht, dialecten kennen met zekere overeenkomsten met het Brabants, onder andere de Bommelerwaard.

Tradities[bewerken | brontekst bewerken]

Noord-Brabant kent veel tradities, die vaak in verenigingsverband beoefend worden. Oorspronkelijk zijn veel van die verenigingen geïnitieerd door de Rooms-Katholieke Kerk en bedrijven als Philips, of ze zijn ontstaan vanuit particuliere initiatieven. Zo heeft vrijwel elke plaats een of meerdere harmonieorkesten, majorettekorpsen en toneelverenigingen. Typerend voor Noord-Brabant zijn vooral carnavalsverenigingen, schuttersgilden en heemkundekringen.

Carnaval[bewerken | brontekst bewerken]

Een carnavalswagen in Soerendonk

Carnaval werd in Brabant reeds in de middeleeuwen gevierd. Het werd gehouden op de dag voor het begin van de vastentijd en werd aangeduid met de toepasselijke naam Vastenavond. Veel middeleeuwse documenten getuigen van betalingen voor festiviteiten en voor extra eten en drank rond die dag. Jeroen Bosch en Pieter Breughel gebruikten Vastenavond als thema voor hun schilderijen. In de 17e en 18e eeuw was de katholieke eredienst in Noord-Brabant verboden en verdween het volksfeest uit de openbaarheid.

Het bleef bijna twee eeuwen achter gesloten deuren bestaan en bloeide weer op toen in Nederland in de 19e eeuw godsdienstvrijheid werd ingevoerd. Vooral in steden als Breda, 's-Hertogenbosch en Bergen op Zoom werd carnaval gedurende meerdere dagen publiekelijk gevierd, terwijl het op het platteland vaak beperkt bleef tot een feest in de huiselijke kring op de dag voor Aswoensdag. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden in vrijwel alle steden en dorpen carnavalsverenigingen en -stichtingen, in totaal ruim 250.[52] Het feest werd steeds grootser gevierd en besloeg een steeds langere periode.

In Noord-Brabant wordt voornamelijk Bourgondisch carnaval gevierd. De plaatsen dragen een carnavalsnaam, waarvan Oeteldonk voor 's-Hertogenbosch een van de bekendste is. Veel carnavalsverenigingen kiezen elk jaar een motto, dat onder andere gebruikt wordt voor de wagens en loopgroepen in de optocht. De carnavalsperiode begint op 11 november, de elfde van de elfde. Vriendengroepen beginnen met de bouw van de wagens voor de carnavalsoptocht, de namen van de nieuwe Prins of Prinses en het prinselijk gevolg worden bekend gemaakt en carnavalsverenigingen organiseren wedstrijden in tonpraten. Het carnavalsfeest begint op de vrijdag voor Aswoensdag en duurt traditioneel tot middernacht op dinsdag. Veel carnavalsverenigingen organiseren een boerenbruiloft. De carnavalsvierders feesten in cafés en zalen en veel van hen trekken van de ene locatie naar de andere, het zogenaamde dweilen, vaak begeleid door carnavalsorkestjes. Een carnavalsmis op zondag, en de askruisjes en het haringhappen op woensdag zijn eveneens onderdeel van de festiviteiten, hoewel de connecties van het gekerstende feest met de katholieke rituelen langzaam aan het verdwijnen is.

Schuttersgilden[bewerken | brontekst bewerken]

Het gilde St-Anthonius uit Sambeek begeleidt de Heilig Hartgroep tijdens de Boxmeerse Vaart.

Ook de schuttersgilden hebben een traditie die terugvoert tot de middeleeuwen. Veel gilden die in de loop van de eeuwen waren opgehouden te bestaan zijn na de Tweede Wereldoorlog heropgericht. Noord-Brabant telt sindsdien ruim tweehonderd schuttersgilden die zeer uiteenlopend zijn samengesteld en waarvan de tradities en gebruiken per gilde enigszins kunnen verschillen. Bij diverse schuttersgilden zijn ook vrouwelijke leden actief. Ieder schuttersgilde is vernoemd naar een heilige, van wie de naamdag feestelijk gevierd wordt.

Een belangrijke activiteit die minstens één keer per jaar in vrijwel ieder schuttersgilde voorkomt, is het Koningsschieten, ook wel vogelschieten genoemd. Er wordt een schutsboom opgericht met daarop een houten vogel waar de schutters om beurten op richten. De schutter die het laatste stukje van de vogel eraf schiet, wordt 'Koning' genoemd. Hij draagt bij officiële gebeurtenissen een zilveren vogel of zilveren schild. Naast het organiseren van eigen bijeenkomsten nemen schuttersgilden vaak deel aan processies en geven ze in gildekostuums acte de présence bij feestelijke gebeurtenissen als een gouden bruiloft en het ontvangen van een Koninklijke onderscheiding, waarbij als eerbetoon een demonstratie vendelzwaaien wordt gegeven.[53]

Heemkunde[bewerken | brontekst bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond in Noord-Brabant een groeiende belangstelling voor het eigen erfgoed. In vrijwel elke plaats werd een Heemkundekring opgericht waarin vrijwilligers onderzoek doen op het gebied van geschiedenis, archeologie, geografie, demografie, genealogie, dialectologie, toponymie, aardrijkskunde, biologie en ecologie van hun woonplaats of omgeving. In 2020 telde Noord-Brabant 123 heemkundekringen met ruim 33.000 aangesloten leden.[54]

Unesco-lijst van immaterieel cultureel erfgoed[bewerken | brontekst bewerken]

Bloemencorso Zundert 2014

Diverse Noord-Brabantse tradities zijn opgenomen in de lijst van immaterieel cultureel erfgoed van de Unesco:[55]

Religie[bewerken | brontekst bewerken]

Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch

Anders dan in het protestantse noorden is na de Reformatie het katholicisme in Noord-Brabant de dominante godsdienst gebleven. Alleen de streken die vroeger tot Holland hadden behoord, zoals het Land van Heusden en Altena en de dorpen Sprang-Capelle en 's Gravenmoer, waren overwegend protestant. Aan het eind van de 19e en in de eerste helft van de 20e eeuw hadden katholieke geestelijken via kloostercongregaties en andere organisaties veel invloed op de bevolking, waardoor het sociale en persoonlijke leven voor vrijwel alle inwoners doordesemd was van het katholieke geloof.

Brabantse katholieken stemden op een katholieke politieke partij, lazen de Katholieke Illustratie, luisterden naar de Katholieke Radio Omroep, stuurden hun kinderen naar katholieke scholen, verboden hen om met niet-katholieke kinderen te spelen, boycotten winkeliers die hun zondagsplicht niet vervulden en waren lid van katholieke verenigingen waar een geestelijk adviseur de godsdienstige en zedelijke begeleiding van de leden behartigde. Er was een katholieke voetbalcompetitie waaraan alleen katholieke voetbalverenigingen meededen, en het bezoeken van wedstrijden van niet-katholieke voetbalclubs als PSV en Willem II werd door de clerus sterk afgeraden.[31]

Het beeld van het katholieke Noord-Brabant is vanaf de jaren 1960 dramatisch veranderd. Tussen 2000 en 2014 verloor de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland een kwart van zijn leden en dit verval trad ook in Noord-Brabant op.[56] Anno 2015 was het aantal katholieken gedaald tot 48 procent van de bevolking, terwijl het aantal inwoners dat aangaf niet tot een gezindte te behoren gestegen was naar 38,8 procent. Het aandeel van protestanten in de bevolking was 5,6 procent, dat van moslims 4,4 procent en 3,3 procent behoorde tot overige gezindten.[1]

Kunsten[bewerken | brontekst bewerken]

Architectuur[bewerken | brontekst bewerken]

Het Markiezenhof in Bergen op Zoom
Het Evoluon in Eindhoven

In het hertogdom Brabant zijn enkele architectuurstijlen ontwikkeld, die in het huidige Noord-Brabant nog zichtbaar zijn in het straatbeeld. Architectuur van Brabantse bodem is ook buiten de provincie te vinden.

In zowel België als in Nederland, vindt men de Brabants Gotische stijl, die rond 1300 ontstaan is in de stad Mechelen. Veel kerken en stadhuizen in het voormalige hertogdom zijn in deze stijl gebouwd. Voorbeelden hiervan in Noord-Brabant zijn de Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch, de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda en het stadspaleis Markiezenhof in Bergen op Zoom.

De Kempense gotiek is een andere Brabantse bouwstijl. De stijl ontstond in de 15e eeuw in de Kempen en wordt gekenmerkt door een sterke vereenvoudiging van de klassieke gotiek. Van de stijl, die buiten de Kempen weinig toepassing vond, zijn een aantal torens en slechts enkele kerken bewaard gebleven. Voorbeelden ervan in Noord-Brabant zijn de toren van de voormalige Sint-Michaëlkerk in Beek en Donk en de Sint Petrusbasiliek in Oirschot.

Een derde architectuurstroming die ontstond in Brabant is de Bossche School. De naam van de stroming is ontleend aan de driejarige Cursus Kerkelijke Architectuur die van 1946 tot 1973 werd gegeven in het Kruithuis te 's-Hertogenbosch. Aanleiding voor de cursus waren de vele kerken die tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar waren beschadigd of geheel verwoest. De stroming heeft ook buiten de bouw van kerken navolging gevonden. Voorbeelden in Noord-Brabant zijn de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede in Tilburg en het Sint-Janslyceum in 's-Hertogenbosch.

Bekende architecten[bewerken | brontekst bewerken]

Een aantal bekende architecten is geboortig uit een plaats die tot de provincie Noord-Brabant behoort:

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

Er bestaat geen naslagwerk waarin de primaire biografische gegevens zijn opgenomen van schrijvers die afkomstig zijn uit de gebieden die behoren tot de provincie Noord-Brabant. Wel is er door Cultureel Brabant een aanzet gemaakt voor een databank die biografische en summiere bibliografische gegevens bevat van Noord-Brabantse auteurs die in de periode 1400-2000 zijn overleden. Anno 2020 omvatte de databank gegevens van ruim 130 schrijvers.[57]

Uit de periode voor het ontstaan van het huidige Noord-Brabant zijn twee vermeldenswaardige schrijvers bekend. De belangrijkste Brabantse schrijver uit die tijd is Georgius Macropedius, in 1487 geboren in Gemert. Hij was een internationaal vermaard humanist, pedagoog en 'de grootste Latijnse toneelschrijver van de 16e eeuw'. Een kleine driehonderd jaar later, in 1766, werd in Nuenen Stephanus Hanewinkel geboren. Hij werd predikant en schreef reisverhalen over de tochten die hij maakte in de Meierij.

Sinds het ontstaan van de provincie in 1813 zijn onder meer de volgende schrijvers in Noord-Brabant geboren of er hebben er lange tijd gewoond:

Schilderkunst[bewerken | brontekst bewerken]

De oudste schilders die geboortig waren uit de streek die later Noord-Brabant zou vormen, waren actief ten tijde van de Brabantse Gouden Eeuw (rond 1500). Toonaangevend waren onder meer Petrus Christus (Baarle, 1410), Jheronimus Bosch ('s-Hertogenbosch, 1450) en Pieter Brueghel de Oude (Breugel of Breda, tussen 1525 en 1530). Gedurende de 16e eeuw waren Jan Soens ('s-Hertogenbosch, ca 1457), Lucas Gassel (Deurne, 1488) en Willem Key (Breda, 1516) de bekendste kunstschilders, al waren ze voornamelijk actief in het buitenland.

De periode vanaf het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog was minder vruchtbaar voor de schilderkunst in wat later Generaliteitsland zou worden, hoewel de schilders Abraham van Diepenbeeck, ('s-Hertogenbosch, 1596), Theodoor van Thulden ('s-Hertogenbosch, 1606) en Thomas Willeboirts Bosschaert (Bergen op Zoom, 1613) succesvol waren. Met name hun allegorie- en historiestukken zijn bekend en hangen onder meer in het stadhuis van ’s-Hertogenbosch.[58]

In de 18e eeuw groeiden in Tilburg verschillende kunstschilders op, die zich specialiseerden in stillevens, zoals Gerard van Spaendonck (Tilburg, 1746), Adriaan de Lelie (Tilburg, 1755), Cornelis van Spaendonck (Tilburg, ca 1756), Josephus Augustus Knip (Tilburg 1777) en Henriëtta Geertrui Knip (Tilburg, 1783).

In de 19e eeuw verkregen Petrus van Schendel (Terheijden, 1806) en Thomas van Leent (Princenhage, 1807) status met hun kaarslichtscènes, terwijl tijdgenoot Jan Kruysen (Liempde, 1874) zich meer toelegde in religieuze onderwerpen. Ook Piet Slager sr. ('s-Hertogenbosch, 1841) en Piet Slager jr. ('s-Hertogenbosch, 1871) waren succesvol. De bekendste schilder uit die eeuw is Vincent van Gogh (Zundert, 1853), die wordt gerekend tot het postimpressionisme. Verschillende Nederlandse musea zijn specifiek gericht op deze schilder, waaronder het Van Gogh Museum in Amsterdam, het Van Gogh Huis in Zundert en het Vincentre in Nuenen. Ook zijn er diverse gebouwen en kunst in de openbare ruimte in Noord-Brabant aangewezen als Van Gogh Monumenten.[59] Voorts hebben diverse Noord-Brabantse overheden, bedrijven, organisaties en particulieren een masterplan ontwikkeld voor een Van Gogh Nationaal Park.[60]

In de eerste helft van 20e eeuw wist Jan Sluijters ('s-Hertogenbosch, 1881) de aandacht te trekken met naaktschilderingen, experimenteel kleurgebruik en figuratieve kunst. In de jaren tachtig van die eeuw werd René Daniëls (Eindhoven, 1950) internationaal bekend met tekeningen en schilderijen die hij 'automatisch' liet ontstaan uit opwellende impulsen en beelden, om op die manier de grenzen van het eigen denken en overwegen te doorbreken.

Beeldende kunst[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Lijst van beelden in Noord-Brabant

Internationaal bekende beeldend kunstenaars uit Noord-Brabant zijn Gerrit van Bakel en Joep van Lieshout. Van Bakel werd in 1943 geboren in het Limburgse Ysselsteyn, maar woonde en werkte in het nabij gelegen Deurne. Zijn bekendheid verwierf hij met kinetische, machineachtige objecten gemaakt van staal en werkend op natuurkrachten als zonlicht, temperatuur, regen en wind. Van Lieshout werd in 1963 geboren in Ravenstein. Na zijn middelbareschooltijd verliet hij Noord-Brabant. Hij studeerde aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. In 1995 richtte hij in die stad het Atelier Van Lieshout op, waar objecten gecreëerd worden op de grens tussen beeldende en toegepaste kunst.

In vrijwel elke Noord-Brabantse plaats zijn beelden te vinden in de openbare ruimte. Het betreft zowel standbeelden van heiligen en historische figuren als moderne werken.

Podiumkunsten[bewerken | brontekst bewerken]

Op het gebied van podiumkunsten zijn er twee professionele gezelschappen die Noord-Brabant geheel of gedeeltelijk als thuisbasis hebben: Het Zuidelijk Toneel en philharmonie zuidnederland. Het Zuidelijk Toneel, dat in Tilburg gevestigd is, speelt in Nederland en Vlaanderen, met een bijzondere aandacht voor Noord-Brabant. Het muziekgezelschap philharmonie zuidnederland is ontstaan uit een fusie van het Brabants Orkest met het Limburgs Symfonie Orkest. Het is gevestigd in twee locaties: Eindhoven en Maastricht, en rekent ook de provincie Zeeland tot zijn werkingsgebied.

Overige kunstvormen[bewerken | brontekst bewerken]

Ook in andere kunstvormen hebben Brabantse kunstenaars internationaal naam gemaakt. Vermeldenswaard zijn onder meer de fotograaf Martien Coppens (1908), bekend van foto's van eenvoudige Brabantse boerenfamilies; cartoonist en striptekenaar Ton Smits (1921), de eerste Nederlandse cartoonist die internationale bekendheid verwierf; componist Paul Panhuysen (1934), in Limburg geboren en vanaf 1966 vanuit Eindhoven actief binnen de stroming performance art; en filmregisseur Adriaan Ditvoorst (1940), met zijn sombere, bizarre en lyrische films in de jaren 1960 het boegbeeld van de Nederlandse experimentele film.

Musea[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Lijst van musea in Noord-Brabant voor het hoofdartikel over dit onderwerp
Historisch Openluchtmuseum, onderdeel van het Eindhoven Museum

Noord-Brabant kent in totaal 124 musea, die jaarlijks bijna 2 miljoen bezoekers ontvangen. De meeste richten zich op archeologie, cultuurhistorische onderwerpen en beeldende kunst, gevolgd door technische, natuurhistorische en volkenkundige onderwerpen.[61] De top 10 best bezochte musea in Noord-Brabant waren in 2015:

Theaters[bewerken | brontekst bewerken]

Podiumkunsten kunnen in Noord-Brabant gezien worden in theaters als het Parktheater Eindhoven en Muziekcentrum Frits Philips in Eindhoven, Theaters Tilburg en Concertzaal Tilburg in Tilburg, het Chassé Theater en de Nieuwe Veste in Breda, het Theater aan de Parade en de Verkadefabriek in 's-Hertogenbosh en Theater 't Speelhuis in Helmond. Ook in de meeste middelgrote steden en dorpen zijn theaters te vinden, die doorgaans kleinere zalen hebben.

Noord-Brabant heeft enkele gerenommeerde poppodia. Het Tilburgse 013 en de Effenaar in Eindhoven programmeren concerten van internationaal bekende popartiesten. Kleinere podia zoals Mezz in Breda, W2 Poppodium in 's-Hertogenbosch, Muziekcafé Helmond, en Gebouw-T in Bergen op Zoom bieden optredens aan van opkomende artiesten of van grotere namen in intieme setting. Ook de middelgrote steden en dorpen hebben vaak podia tot hun beschikking.

Sport[bewerken | brontekst bewerken]

Voetbal[bewerken | brontekst bewerken]

Noord-Brabant telt acht betaaldvoetbalclubs. Drie daarvan spelen in de Eredivisie, te weten PSV, Willem II en RKC Waalwijk. In de Eerste divisie spelen NAC Breda, FC Den Bosch, TOP Oss, FC Eindhoven, Helmond Sport en Jong PSV. In de Tweede divisie spelen twee Brabantse clubs: VV UNA en Kozakken Boys. In de zondagafdeling van de Derde divisie spelen vijf Brabantse ploegen: Jong FC Den Bosch, UDI '19, JVC Cuijk, OJC Rosmalen en VV Dongen.

Wielrennen[bewerken | brontekst bewerken]

Wat Nederland betreft waren het vooral wielrenners uit West-Brabant die in het midden van de 20e eeuw nationaal en internationaal succesvol waren. Voor veel van hen was de fiets het middel om aan de armoede te ontsnappen.[62] De nestor was Wim van Est (Fijnaart, 1923), die als eerste Nederlander in de Tour de France de gele trui droeg en de Ronde van Vlaanderen won. Hij begon zijn wielercarrière op 23-jarige leeftijd; daarvoor was hij smokkelaar.[63] Zijn streekgenoot Wout Wagtmans (Rucphen, 1929) droeg drie maal de gele trui in de Tour en won drie etappes in de Ronde van Italië. Rini Wagtmans (St. Willebrord, 1946), neef van Wout Wagtmans, was meervoudig etappewinnaar in de Tour de France en wist een dag de gele trui te dragen. Adrie van der Poel (Bergen op Zoom, 1959) behaalde onder andere zes klassiekeroverwinningen en het wereldkampioenschap veldrijden. Jean-Paul van Poppel (Tilburg, 1962), zette in totaal 22 etappezeges in de drie grote rondes op zijn naam en droeg zeventien maal de groene trui in de Tour de France. Leontien van Moorsel (Boekel, 1970) was viervoudig Olympisch kampioene en Lars Boom (Vlijmen, 1985), wist het wereldkampioenschap veldrijden te winnen.

Paardensport[bewerken | brontekst bewerken]

Ook Noord-Brabantse ruiters hebben internationale successen geboekt. De bekendste van hen is Anky van Grunsven (Erp, 1968), die driemaal individueel Olympisch goud won in dressuur en in totaal negen Olympische medailles veroverde. Tineke Bartels (Eindhoven, 1951), won twee zilveren Olympische medailles in dressuur. Springruiter Piet Raijmakers (Asten, 1956), veroverde eveneens enkele Olympische medailles. Zijn collega's Jan Tops (Valkenswaard, 1961) en Maikel van der Vleuten (Geldrop, 1988), wonnen beiden Olympisch teamgoud. Paralympisch dressuuramazone Sanne Voets (Rosmalen, 1986), behaalde goud in handicapklasse grade IV.

Vechtsport[bewerken | brontekst bewerken]

Noord-Brabant kent enkele internationale kampioenen in de vechtsport. Bekende voorbeelden uit de judo-sport zijn Anita Staps (Tilburg, 1961), die goud won bij eerste wereldkampioenschappen; Irene de Kok (Eindhoven, 1963), die tweemaal goud won op een WK en een maal brons op de Olympische Spelen; en Angelique Seriese (Zevenbergen, 1968), die eenmaal goud behaalde bij een WK. Ook in kickboxen waren Noord-Brabanders succesvol. Zo won Peter Aerts (Eindhoven, 1970) drie keer het K-1 World Grand Prix-toernooi en was Rico Verhoeven {Bergen op Zoom, 1989) wereldkampioen in het zwaargewicht bij Glory.

Overige sporten[bewerken | brontekst bewerken]

Hoewel minder groot in aantal, hebben Noord-Brabanders ook naam gemaakt in zwemmen en schaatsen. Zwemmer Pieter van den Hoogenband (Maastricht, 1978), geboren in Limburg en opgegroeid in Geldrop, was onder meer drievoudig olympisch kampioen, zestienmaal Europees kampioen en eenmaal wereldkampioen. Langeafstandschaatser Gianni Romme (Lage Zwaluwe, 1973), behaalde onder andere Olympisch goud op de vijf en de tien kilometer, en Ireen Wüst (Goirle, 1986), was de jongste Nederlandse Olympisch kampioene schaatsen op de Winterspelen ooit. Met het tennistoernooi van Rosmalen voor zowel vrouwelijke als mannelijke professionals speelt Noord-Brabant, dat zelf geen tenniskampioen heeft voortgebracht, een rol in de internationale tenniswereld.

Economie[bewerken | brontekst bewerken]

Het bruto regionaal product van Noord-Brabant lag in 2019 op circa 116 miljard Euro, 15 procent van het bruto binnenlands product van Nederland. Daarmee is het – op provinciaal niveau – de derde grootste economie van Nederland, met alleen Noord-Holland (22%) en Zuid-Holland (21%) voor zich. Noord-Brabant is in Nederland koploper in de sectoren industrie en landbouw. In vrijwel alle andere sectoren behoort de provincie tot de top 3. Alleen in de sector zorgbedrijven valt Noord-Brabant daarbuiten.[39]

De economie in Noord-Brabant vertoont groei. Het aantal bedrijfsvestigingen steeg in de periode 2009-2018 van 181.870 naar 231.880, een toename van ruim 50.000 vestigingen. De omvang van de werkzame beroepsbevolking steeg in die periode van ongeveer 1,21 miljoen personen naar ruim 1,27 miljoen, een toename van bijna 63.000 personen. De stijging deed zich niet in alle bedrijfstakken voor. In de sectoren industrie, landbouw en bouw daalde het aantal banen enigszins. De groei deed zich voor in de sectoren handel en diensten. Vooral de sector niet-commerciële diensten groeide sterk, met een kleine 100.000 banen.[39]

Werkgelegenheid in Noord-Brabant in 2018
Regio Beroepsbevolking Werkzame beroepsbevolking Vestigingen Totale bevolking
West 330.451 319.030 57.180 631.425
Midden 247.372 239.021 43.950 475.225
Noord-Oost 340.740 328.478 56.110 654.820
Zuid-Oost 400.505 386.987 74.740 766.820
Totaal 1.319.068 1.273.516 231.880 2.528.280

Economische sectoren[bewerken | brontekst bewerken]

Hoofdkantoor van ASML in Veldhoven

Dat Noord-Brabant een redelijk welvarende provincie is, komt mede door de concentratie van kwalitatief hoogwaardige industrie en de goede infrastructuur. De regio West-Brabant ligt gunstig tussen Antwerpen en Rotterdam, terwijl het oostelijke deel van de provincie goede verbindingen heeft met zowel de Randstad, als met België en Duitsland. Op de ranglijst 'Logistieke Hotspot van het Jaar' stond in Nederland de regio Tilburg-Waalwijk in 2019 op de eerste plaats en regio West-Brabant op de derde.[64] Ook de regio's Oss-Veghel-‘s-Hertogenbosch (plaats 7) en Eindhoven-Helmond (plaats 8) vallen onder de top 10 logistieke regio's van Nederland. Niet alleen het vrachtverkeer over de weg, maar ook de binnenvaart profiteert hiervan.[65]

Een belangrijke economische activiteit is de metaal- en elektronica-industrie die zich onder meer heeft ontwikkeld als spin-off van Philips. Philips zelf opereert succesvol op wereldniveau, evenals de afgesplitste bedrijven, het lichtconcern Signify en chipmaker NXP. Het uit een fusie voortgekomen ASML heeft een dominante plek veroverd in de wereld van de chipmachines. Ook buiten de elektronica zijn Brabantse bedrijven actief in de maakindustrie, zoals vrachtwagenfabrikant DAF, Vanderlande met geautomatiseerde logistieke systemen en de VDL Groep met verscheidene metaalverwerkende dochterondernemingen.[39]

Een voor Noord-Brabant relatief jonge sector is de procesindustrie, die zich sinds de jaren 1970 ontwikkelt bij Moerdijk. Als eerste bouwde Shell drie petrochemische fabrieken op een industriegebied van 2500 hectare. Later vestigden zich er meerdere bedrijven waaronder een afvalverwerker, een producent van biobrandstofkorrels, een bedrijf dat een mestverbrandingsinstallatie exploiteert, een slibverwerkingsbedrijf, een elektriciteitscentrale en diverse logistieke firma's. In 2018 waren er ruim 350 bedrijven actief met in totaal een kleine 10.000 werknemers.[66]

Het succes van Noord-Brabant op technologisch gebied is mede te danken aan de innovatiekracht in de provincie. Hoogwaardige technologische bedrijven, waaronder tientallen start-ups, vormen clusters op de acht open-innovatiecampussen die Noord-Brabant telt, waaronder de High Tech Campus Eindhoven. De uitgaven voor Onderzoek & Ontwikkeling – in 2016 zo'n 1200 Euro per inwoner – zijn structureel hoger dan die in de andere provincies. Brabantse bedrijven hebben in 2017 in totaal 3655 octrooi-aanvragen ingediend en daarmee stond de provincie in de Europese regionale top vijf.[64][67]

De landbouwsector, die onder politieke en sociale druk staat om de bedrijfsvoering te verduurzamen, neemt in Noord-Brabant een belangrijke plaats in. Vooral varkens- en kippenbedrijven en boomkwekerijen hebben een groot aandeel in de Nederlandse landbouw. In 2018 werd ongeveer 50 procent van de Nederlandse varkensstapel in Noord-Brabant gehouden, voor kippen was dat percentage 40 en voor het grondgebruik voor boomkwekerijen 47. Het aantal landbouwbedrijven in de provincie is in de periode 2009-2018 afgenomen van bijna 13.000 naar 9.600, een daling van 33 procent. Vooral in de glastuinbouw en varkenshouderij zijn veel bedrijven gestopt. In dezelfde periode vond echter een zodanige schaalvergroting plaats dat de productiecapaciteit op hetzelfde niveau is gebleven. Het aantal varkens is zelfs significant gestegen naar een niveau van bijna 6 miljoen in 2018.[39]

Het aandeel innovatieve bedrijven in de landbouw in Noord-Brabant is minder dan 1 procent, dat is lager dan gemiddeld in Nederland. Innovatie vindt vooral plaats in de glastuinbouw, met als succesvol voorbeeld de productvernieuwing in de tomatenteelt. De andere sectoren zijn voornamelijk gericht op kostprijsverlaging. Geldt voor de agrosector in Nederland als geheel dat deze bedrijfstak weinig vernieuwend is, voor Noord-Brabant geldt dit in versterkte mate.[68]

Toerisme[bewerken | brontekst bewerken]

Het Huis van de Vijf Zintuigen, de entree van de Efteling
Cupola bij Station Eindhoven Centraal tijdens Glow 2011
Natuurpoort Wolfslaar bij Breda

In 2018 telde de provincie Noord-Brabant 4,1 miljoen verblijfsgasten. Van hen overnachtten er 2,4 miljoen in hotels en 1,7 miljoen in andere recreatieve bedrijven. Het merendeel van de verblijfsgasten kwam uit eigen land, te weten 2,8 miljoen. Van de 1,3 miljoen buitenlanders kwam bijna de helft uit een van de buurlanden België of Duitsland. De gasten waren samen goed voor 10,6 miljoen overnachtingen. Binnenlandse toeristen besteedden in 2018 in Noord-Brabant gemiddeld 177 euro per vakantie, goed voor een totale economische waarde van bijna 500 miljoen euro. Gemiddeld besteedden buitenlandse gasten – toeristen en zakenreizigers samen – ongeveer 493 euro aan hun verblijf, in totaal ruim € 615 miljoen. Toerisme is een groeisector: in 2018 was het aantal buitenlandse verblijfsgasten 45 procent groter dan in 2012. De ontwikkeling van het aantal binnenlandse gasten is met een toename van 16 procent gematigder.[69][70]

Het provinciebestuur ondersteunt het toerisme omdat de vrijetijdssector niet alleen directe inkomsten genereert, maar ook van belang is voor een goed vestigingsklimaat en het aantrekken van talent. Hierbij is gekozen voor focus op thematische lijnen zoals 'Van Gogh' en 'Design', en op de internationale Familyfun-Shortbreak-markt die gekenmerkt wordt door een gemiddeld hoger bestedingspatroon en een meer door het jaar heen gespreid bezoek. Daartoe is de jaarlijkse publiekscampagne ‘Brabant is Open’ georganiseerd, die in 2018 voor het eerst gehouden is.[71] Ondernemers in de sector worden gestimuleerd door het uitreiken van de 'Brabantse Gastvrijheid Award'.[72]

Belangrijke toeristische attracties zijn:

  • Attractieparken
    De Efteling in Kaatsheuvel trok in 2017 ruim 5,1 miljoen bezoekers en stond bovenaan de landelijke lijst van dagattracties. Op nummer 14 stond Safaripark Beekse Bergen in Hilvarenbeek met ruim 1,1 miljoen bezoekers.[73]
  • Jaarlijkse evenementen, zowel vrij toegankelijke als entreeheffende
    Koploper met het aantal bezoekers in de categorie vrij toegankelijk is de Tilburgse Kermis die jaarlijks ongeveer 1,4 miljoen bezoekers trekt en in 2019 in de top 50 van de best bezochte gratis evenementen van Nederland op nummer 2 stond.[74] Naar de Eindhovense evenementen GLOW Festival (nummer 8) en Dutch Design Week (nummer 19) komen jaarlijks circa 750.000 respectievelijk 335.000 bezoekers. Het Breda Jazz Festival (nummer 31), is met ongeveer 250.000 bezoekers een goed bezocht muziekevenement. Ook de bloemencorso's in Zundert (nummer 47) en Valkenswaard, met circa 70.000 respectievelijk 40.000 bezoekers zijn toeristische publiekstrekkers.[75][76] De Brabantse dag in Heeze trekt eveneens ongeveer 40.000 bezoekers.[77]
    Bij de entreeheffende evenementen is Noord-Brabant minder goed vertegenwoordigd. In de top 50 van bezoekersaantallen in deze groep komt de provincie alleen voor met de muziekfestivals Paaspop (nummer 38), Best Kept Secret (nummer 44) en Wish Outdoor (nummer 49) die jaarlijks door ongeveer 90.000 respectievelijk 75.000 en 50.000 bezoekers bijgewoond worden.[78][79]
  • Nationale parken
    Uit onderzoek van NBTC-NIPO blijkt dat in 2015 drie nationale parken uit de provincie in de landelijke top 10 stonden. Op jaarbasis bezoeken ongeveer 1,2 miljoen mensen de Loonse en Drunense Duinen, waarmee het park nationaal gezien op de tweede plek stond, op de voet gevolgd door Nationaal Park De Biesbosch met een jaarlijks bezoekersaantal van ruim 1,1 miljoen. De laatste in de landelijke top 10 was nationaal park de Groote Peel, dat per jaar ongeveer 270.000 bezoekers trekt.[80]
  • Brabantse Natuurpoorten
    Op initiatief van de provincie is het netwerk 'Brabantse Natuurpoorten' opgericht, in samenwerking met 23 gemeenten, vier nationale parken, drie waterschappen, Staatsbosbeheer en Het Brabants Landschap. Verspreid over de provincie omvat het netwerk 29 Natuurpoorten met startpunten voor fiets- of wandeltochten door de Brabantse natuur.[81]
  • Carnaval
    Tijdens carnaval 2019 telde Noord-Brabant 382 carnavalsoptochten.[82] De meeste worden lokaal georganiseerd, waarbij de toeschouwers vooral uit de eigen plaats komen. Er zijn echter ook optochten – voornamelijk in de grote steden – die veel bezoekers trekken uit plaatsen waar de optocht op een andere dag wordt gehouden of die van buiten de provincie komen. Carnavalsoptochten zijn gratis toegankelijk, waardoor concrete gegevens over bezoekersaantallen veelal ontbreken. Grote optochten in Noord-Brabant kan men onder andere vinden in: 's-Hertogenbosch, Breda, Tilburg, Bergen op Zoom, Eindhoven, Helmond en Roosendaal.

De jarenlang gestaag groeiende vrijetijdssector in Noord-Brabant is door de coronapandemie in een situatie van aanzienlijke krimp terechtgekomen. Over het tweede kwartaal van 2020 werd een daling van het aantal toeristen van ruim 73 procent gerapporteerd ten opzichte van dezelfde periode in 2019.[83]

Onderwijs[bewerken | brontekst bewerken]

Het kasteel van Breda, waarin de KMA is gevestigd

Ongeveer 300.000 Noord-Brabantse jongeren die de basisschool hebben doorlopen, zijn ingeschreven aan een instelling van voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs (2019).[39]

Het voortgezet onderwijs wordt gegeven door een groot aantal onderwijsinstellingen met in totaal ruim 135.000 leerlingen (2019).[39] Een belangrijke speler in dit veld is Ons Middelbaar Onderwijs, een van oorsprong katholieke organisatie met een zestigtal scholen op het niveau van vmbo tot en met atheneum en gymnasium, met in totaal circa 60.000 leerlingen (2019).[84]

Voor het middelbaar beroepsonderwijs zijn in de provincie veertien publieke instellingen actief en twintig particuliere organisaties met in totaal ruim 70.000 geregistreerde leerlingen (2019).[39][85]

Het hoger beroepsonderwijs in de provincie wordt verzorgd door zes HBO-instellingen, eveneens voor ruim 70.000 leerlingen (2019).[39][86] Er zijn grote instellingen met tienduizenden leerlingen, middelgrote met aantallen tussen duizend en tienduizend, en kleine instellingen met minder dan duizend leerlingen. De instellingen zijn:

In Noord-Brabant zijn drie instituten voor wetenschappelijk onderwijs gevestigd, waaraan ruim 30.000 leerlingen zijn ingeschreven (2019):[39]

Verkeer en vervoer[bewerken | brontekst bewerken]

Noord-Brabant kent een groot netwerk van wegen, kanalen, rivieren en spoorlijnen. De provincie genereert over dat netwerk zelf veel verkeer, dat op enkele autosnelwegen en spoorlijnen nog aanzienlijk vergroot wordt door vrachtvervoer tussen de haven van Antwerpen, de haven van Rotterdam en de haven van Zeeland ten westen van de provincie, en het Ruhrgebied aan de oostzijde.

Wegverkeer[bewerken | brontekst bewerken]

Op Noord-Brabants grondgebied liggen rijkswegen met een totale lengte van 874 kilometer, oftewel ruim 16 procent van het Nederlandse rijkswegennet.[87] Tot het net behoren onder meer twaalf autosnelwegen die de provincie verbinden met andere Nederlandse provincies en met België. Het Noord-Brabantse deel van het landelijke snelwegnet kent meerdere knelpunten en is dominant in de top tien van files.[88]

De drukst bereden noord-zuidverbindingen zijn de A2 die komt van Amsterdam en via 's-Hertogenbosch en Eindhoven naar Eijsden leidt en daar aansluit op de Belgische A25 naar Luik, de A16 die Rotterdam verbindt met Antwerpen via Breda, de A27 die van Breda via Utrecht naar knooppunt Almere voert, en de A50 die in Eindhoven begint en via Ravenstein doorloopt tot Emmeloord. Druk bereden oost-west verbindingen zijn de A58, die van knooppunt Batadorp bij Eindhoven naar Zeeland loopt en eindigt in Vlissingen, de A59 die begint in Oss en via de Langstraat en een stukje Zuid-Holland naar het Zeeuwse Serooskerke voert, en de A67 die, komende van Antwerpen, van de Belgische grens bij Hapert via Eindhoven naar de Duitse grens bij Venlo leidt en aansluit op de Bundesautobahn 40 naar Dortmund.

Daarnaast kent Noord-Brabant zo'n 610 kilometer aan provinciale wegen.[87] Enkele daarvan verwerken een grote verkeersstroom, zoals de ex-Rijksweg N69 die van Eindhoven via Valkenswaard naar de Belgische grens bij Lommel voert en daar overgaat in de Belgische N74 naar Hasselt, de N279 die grotendeels langs de Zuid-Willemsvaart van 's-Hertogenbosch naar Limburg is aangelegd en daar bij Horn aansluit op de N273, en de korte A270 tussen Eindhoven en Helmond.

Vliegverkeer[bewerken | brontekst bewerken]

Eindhoven Airport

In de provincie zijn zes vliegvelden gelegen. Een daarvan, Eindhoven Airport, wordt zowel voor militaire als voor burgerluchtvaart gebruikt; het is de grootste regionale luchthaven van Nederland.[89] Drie andere hebben uitsluitend een militaire bestemming, Vliegbasis Gilze-Rijen, Vliegbasis Volkel en Vliegbasis Woensdrecht. De twee overige vliegvelden, Breda International Airport en Kempen Airport, hebben een geringe verkeersomvang, die voornamelijk bestaat uit zakelijke vluchten, rondvluchten en vlieglessen.

Scheepvaartverkeer[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn twee belangrijke aders voor het scheepvaarverkeer door Noord-Brabant. Allereerst de Zuid-Willemsvaart, die ‘s-Hertogenbosch verbindt met Luik. Tot aan Veghel is het kanaal bevaarbaar voor schepen tot 1350 ton (klasse IV). Het overige deel is beduidend smaller en daarmee slechts bevaarbaar voor schepen tot 650 ton (klasse II). De andere ader is het Wilhelminakanaal, dat loopt van Geertruidenberg naar Laarbeek en daar aansluit op de Zuid-Willemsvaart. Vanaf Geertruidenberg tot Dongen is het kanaal bevaarbaar voor schepen tot 1350 ton, daarna voor schepen tot 650 ton. Daarnaast loopt langs de westgrens van de provincie het Schelde-Rijnkanaal dat Antwerpen verbindt met Rotterdam.

Noord-Brabant telt vijftien grote industriehavens, die samen goed zijn voor ongeveer 10 procent van de totale overslag in de Nederlandse binnenhavens. Van die vijftien havens behoren Bergen op Zoom, Breda, Cuijk, Geertruidenberg, Moerdijk, Oss, 's-Hertogenbosch en Veghel elk op hun gebied tot de top 5 van de Nederlandse binnenhavens. 's-Hertogenbosch is de grootste containerterminal onder de Nederlandse binnenhavens.[90]

Spoorverkeer[bewerken | brontekst bewerken]

Station Boxmeer

Het aandeel van de trein in het personenvervoer in Noord-Brabant is met 2 procent in verplaatsingen en 7 procent in reizigerskilometers beperkt. Het belang van het goederenverkeer per spoor voor de provinciale economie is eveneens klein; het merendeel van het goederenvervoer per spoor is doorgaand, met een groot aandeel van vrachtverkeer tussen Noordzeehavens en Duitsland.[91]

De centrale en drukst bereden spoorlijn in Noord-Brabant is de oost-westverbinding tussen Station Eindhoven Centraal en Station Breda. Aan de Eindhovense kant sluit de lijn aan op spoorlijnen naar Utrecht, Nijmegen, Venlo en Roermond. Aan de zijde van Breda geeft de lijn toegang tot de spoorlijnen naar Rotterdam, Vlissingen en Antwerpen. Bovendien heeft Station Breda in beide richtingen een aansluiting op de Hogesnelheidslijn Schiphol - Antwerpen. In het westen van de provincie loopt nog een spoorlijn via Roosendaal naar Antwerpen, en in het oosten gaat de Maaslijn bij Cuijk en Boxmeer over Brabants grondgebied.

Busvervoer[bewerken | brontekst bewerken]

Een Hermes-bus met Bravo-belettering
1rightarrow blue.svg Voor een overzicht en geschiedenis van stads- en streekvervoer zie Stads- en streekvervoer in Noord-Brabant

Noord-Brabant besteedt op basis van de Wet personenvervoer 2000 het busvervoer aan. De provincie is daartoe verdeeld in drie concessiegebieden, West-Brabant, Oost-Brabant en Zuidoost-Brabant. De lopende concessies zijn:

OV-autoriteit Concessiegebied Vervoerder Duur
Provincie Noord-Brabant Zuidoost-Brabant Hermes 11.12.2016 - 12.12.2026
West-Brabant Arriva 14.12.2014 - 10.12.2022
Oost-Brabant 14.12.2014 - 13.12.2024

Naast streekdiensten bieden de concessiehouders ook stadsdiensten aan. Dit geldt voor de steden 's-Hertogenbosch, Bergen op Zoom, Breda, Eindhoven, Roosendaal en Tilburg. Alle bussen die onder de Brabantse concessies vallen, rijden onder de naam Bravo, met de slogan 'Brabant vervoert ons'.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]