Octrooirecht (België)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het octrooirecht was een stelsel van verbruiksbelastingen dat in de eerste helft van de 19de eeuw van kracht was in België. In dit stelsel hadden de steden het recht op het octrooi of poortgeld, een belasting voor het invoeren van goederen in de stad. Het octrooirecht werd in België afgeschaft in 1860.

Heffing[bewerken]

De meeste steden zorgden zelf voor de inning van de belasting. Men kon ook bij openbaar aanbod een vergunningshouder aanduiden. Die betaalde dan via het principe van winstverdeling of hij betaalde een vastgeld bedrag.

De belastingen werden meestal geïnd aan de grenzen van de stad of de gemeente, aangeduid door grenspalen. Oude steden hadden vaak stadsomwallingen met stadspoorten waarlangs de goederen moesten worden ingevoerd. Hier richtte men dan octrooibureaus in. Steden zonder poorten richtten octrooihuisjes op langs de invalswegen. Wanneer steden een haven hadden langs een rivier of kanaal, moest men ook daar aangifte doen aan een octrooikantoor.

Wanneer goederen niet voor intern gebruik waren, kon men via "doorvoer zonder stilstand" de stad doorkruisen. Binnen een bepaalde tijd moest men dan de stad weer verlaten en kreeg men de betaalde som terug. Bij een andere procedure, goederen in "transit", mocht men deze maximaal drie dagen in de stad opslaan, waarna ze moesten worden verder getransporteerd. Indien dit niet lukte, diende men ze lokaal te verkopen en toch belasting betalen.

Geschiedenis[bewerken]

Reeds sinds de middeleeuwen werden door steden belastingen geïnd voor de invoer van levensmiddelen. Na de Franse Revolutie werd op het eind van het Ancien Régime in 1791 in Frankrijk dit stelsel afgeschaft. Het gebied van het latere België werd bij Frankrijk aangehecht en in 1796 werd ook daar deze belasting opgeheven. De steden mochten nu wel nieuwe directe belastingen innen, maar bleken toch een belangrijke inkomstenbron te missen. Uiteindelijk brak men toch met de revolutionaire idealen en bij decreten van 1797 en 1798 mochten in Frankrijk steden en gemeente weer deze belastingen (octrois de bienfaisance) innen. In België voerde Kortrijk als eerste stad op 17 december 1799 de octrooibelasting weer in. Dat jaar volgde ook Brugge en in 1800 volgden Leuven, Antwerpen en Brussel. Tegen 1810 waren er een 20-tal steden die de belasting instelden, tegen de Belgische onafhankelijkheid van 1830 al 67. De liefdadige insteek van het stelsel verdween echter al gauw.

Geleidelijk groeide de weerstand tegen het systeem, maar toch bleef het nog decennia na de Belgische onafhankelijkheid bestaan. De procedures zorgden voor heel wat extra administratie bij de handel en tegen sommige belastingen groeide protest. De belasting op consumptiegoederen werd gezien als asociaal en trof ook de minder gegoeden. Vooral vanaf de jaren 40 werd gezocht naar alternatieven en een oplossing voor het systeem. Uiteindelijk werd het op 21 juli 1860 afgeschaft. Op dat moment werd de belasting in 78 steden en gemeenten geheven. Om de gemeenten toch te blijven financieren werd het Gemeentefonds opgericht.