Olędrzy

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Begraafplaats in het voormalige Heubuden, nu Stogi

Olędrzy (enkelvoud: Olęder) zijn aanvankelijk kolonisten uit de Nederlanden en Friesland, voornamelijk mennonieten, die in de 16e en 17e eeuw dorpen oprichtten in Koninklijk Pruisen, in de Weichseldelta rond Danzig, langs de Weichsel (Wisła} en haar zijrivieren, in Kulmerland (Koejavië) Mazovië en Groot-Polen. Ze hadden veel kennis van landaanwinning en landbouw en brachten hun bedrijven tot welvaard. Ze behielden hun persoonlijke vrijheid en eigen religie. Na de Eerste Poolse Deling vertrok een deel de Mennonieten naar Oekraïne. In 1945 werden de Duitstalige bewoners van deze dorpen onteigend en uitgewezen, voor zover zj niet op de vlucht geslagen waren (zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog). De namen van de dorpen, voor zover Duits, werden toen in Poolse omgezet.

Deze boeren hadden een eigen rechtstitel gekregen, naast de horige autochtone boeren, en hun dorpen werden Holländereien genoemd, ook als later Duitsers, dat wilde toen zeggen boeren uit Pommeren, en ook vrije Polen met deze rechten werden bedeeld: namelijk persoonlijke vrijheid, eeuwigdurende pacht en het recht land over te dragen aan erfgenamen dan wel de boerderij te verkopen. Het belangrijkste kenmerk was de collectieve, gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van de hele Olędergemeenschap tegenover de landheer en het zelfbestuur van de gemeente. De term Olęder heeft dus niet zozeer een etnische of religieuze, maar een wettelijke betekenis. Overigens lichtten de landheren vaak de hand met deze rechten.

Tussen 1527 en 1864 werden in Polen minstens 1.700 Olędernederzettingen - Holländereien dus - gesticht waarvan ten minste 300 door 'etnische' Nederlanders, althans mennonieten uit de noordelijke provincies. De rijkste nederzettingen zijn door deze mennonieten gesticht, maar de meeste werden door Pommerse boeren ingericht, toen zij naar Polen vluchtten, na de verwoestingen van de Dertigjarige Oorlog. De adellijke Pommerse landheren namen de gelegenheid te baat om deze eerst vrije boeren tot dienstbaarheid te dwingen. De Poolse landheren zegden binnenkomende kolonisten grond vrijheden toe. Zij verwachtten een grotere agrarische bodemopbrengst waarmee zij hogere belastingen konden innen, dan die waartoe hun eigen horige boeren in staat waren. Land was er genoeg want ook West-Pruisen was door de oorlog ontvolkt en verarmd. Weliswaar werden de vrijheid en voorrechten verleend, maar de nieuwkomers bleven tegelijk toch afhankelijk van adellijke grondheerlijke willekeur. Rechten konden weer ingetrokken worden en bij onenigheid en onrecht werd de rechtspraak bepaald door de grondbezitters.

Terminologie[bewerken]

Olędrzy worden door Polen ook aangeduid met de termen Hollendrzy, Holędrzy, Holendrzy, Olendrzy, deze benamingen zijn waarschijnlijk lokale, West-Slavische benamingen voor Nederlanders, in het Pools Holendrzy. De Olędrzy noemden hun dorpen en daaraan verbonden rechten Holländereien en ook, toen de relatie met Holland niet meer duidelijk was Hauländereien wat verwijst naar ontbost en ontgonnen land. De term keert terug in de namen van diverse dorpen in Polen (Holendry, Olędry, Olendry, etc.) maar niet alle dorpen met deze namen zijn werkelijk gesticht door Olędrzy.

Oorzaken[bewerken]

De Nederlanders waren reeds bekend met kolonisatie, onder andere 'vanaf het begin van de 12de eeuw in de deltas van de Wezer en de Elbe, in de 13de eeuw de Oder-delta en een eeuw later die van de Weichsel. In dat laatste gebied ligt de stad Pasłęk, een naam die in 1945 werd toebedeeld aan Preussisch Holland. De kolonisatie op grond van het koninkrijk Polen en van de staat van de Duitse Orde had als achtergrond.

  • Vervolging van anabaptisten en mennonieten in de Nederlanden onder de Habsburgse keizer en de Spaanse koning, die velen uit het noorden van de Nederlanden op de vlucht deed slaan.
  • De Nederlandse Opstand en de aanwezigheid van het Spaanse leger die verwoestend waren voor de landbouweconomie en boeren van hun bestaansmiddelen beroofde.
  • De ontvolking van West-Pruisen na de Noordse Oorlogen die tussen Zweden en Polen werden uitgevochten en daarmee ook tussen de twee - lutherse en roomskatholieke - machtscentra in oostelijk Midden-Europa. Zweden werd erdoor uitgeput en trok zich terug, na grote delen van Polen leeggeroofd en verwoest te hebben. De Poolse steden en de adel verarmden en zijn deze slag niet te boven gekomen. De ontvolking was aanzienlijk en veel agrarisch land werd prijsgegeven aan de natuur. Juist op deze 'woeste grond' wilden alleen boeren zich vestigen als zij persoonlijke en eigendomsvrijheden kregen.

Externe links[bewerken]