Olędrzy

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Begraafplaats in het voormalige Heubuden, nu Stogi

Olędrzy (enkelvoud: Olęder) zijn aanvankelijk kolonisten uit de Nederlanden en Friesland, voornamelijk mennonieten, die van de 16e tot de 19de eeuw dorpen oprichtten in Koninklijk Pruisen, na 1772 de provincie West-Pruisen, meer precies in de Weichseldelta rond Danzig, ook wel de Danziger Werder of Niederung genoemd, langs de Weichsel (Wisła) en haar zijrivieren, behorend tot Kulmerland (Koejavië), Mazovië en Groot-Polen. Ze hadden kennis van landaanwinning door bedijking en kanalisatie en brachten daarmee het land in cultuur en tot welvaart. Ze behielden hun persoonlijke vrijheid en eigen religie. Na de Eerste Poolse Deling in 1772 en de tweede in 1795, resp. 1815 waren deze gebieden deel geworden van het koninkrijk Pruisen en zodoende na 1870 tegelijk ook van het Duitse Keizerrijk. Zij behoorden tot de provincie West-Pruisen. Toen hun aan het einde van de 18de eeuw de militaire dienstplicht werd opgelegd, verkochten de principiële Mennonieten hun grond en namen ze de uitnodiging van de Russische tsaren aan om zich te vestigen in het zuiden van de Oekraïne, een op de Turken veroverd land dat leeg en vruchtbaar was. Een ander deel bleef in het Weichselgebied en pastte zich als Pruisisch staatsburger aan. In 1919 werden de provincies waarin de meeste Holländereien lagen bij de nieuw opgerichte republiek Polen en bij de Vrije stad Danzig gevoegd. In 1939 werden ze weer Duits, nu na de bezetting van Polen, als annexatie door het Groot-Duitse Rijk. In 1945 werden de bewoners, voor zover zij Duitstalig en als regel ook luthers of mennoniet waren, collectief onteigend, en als Duitsers tot vreemdeling verklaard en uitgewezen, al dan niet via strafkampen, voor zover zij al niet op de vlucht geslagen waren voor de naderende Sovjetlegers. Zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog. De huidige bewoners stammen dus niet van de oorspronkelijke kolonisten af. De namen van de Olęderdorpen, voor zover ze Duits waren, werden in 1919 of pas na 1945 in Poolse omgezet.

De kolonisten hadden sinds de 16de eeuw een eigen rechtstitel gekregen, naast de horige autochtone boeren, en hun dorpen werden Holländereien genoemd, ook als later Duitsers, dat wilde toen zeggen boeren uit Pommeren, en ook vrije Polen met deze rechten werden bedeeld: namelijk persoonlijke vrijheid, eeuwigdurende pacht en het recht land over te dragen aan erfgenamen dan wel de boerderij te verkopen. Het belangrijkste kenmerk was de collectieve, gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van de hele Olędergemeenschap tegenover de landheer, en het zelfbestuur van de gemeente. De term Olęder heeft dus niet zozeer een etnische of religieuze, maar een rechtspositonele betekenis. Overigens lichtten de landheren vaak de hand met deze rechten.

Tussen 1527 en 1864 werden in Polen en als opvolgstaat Pruisen minstens 1.700 Olędernederzettingen - Holländereien dus - gesticht waarvan ten minste 300 door 'etnische' Nederlanders, althans mennonieten uit de noordelijke provincies. Dat waren de rijkste en grootste nederzettingen, maar de meeste werden door Pommerse boeren ingericht, toen zij naar Polen vluchtten, na de verwoestingen van de Dertigjarige Oorlog in hun vaderland. De adellijke Pommerse landheren namen de gelegenheid te baat om deze eerst vrije en nu verarmde boeren tot dienstbaarheid te dwingen. Poolse landheren zegden daarentegen boeren uit Pommeren - vanwege hun Nederduitse taal 'Duitsers' genoemd - vrijheden toe. Zij verwachtten van deze kolonisten een grotere agrarische bodemopbrengst die hogere belastingen mogelijk zouden maken, dan die waartoe hun eigen horige boeren in staat waren. Land was er genoeg want ook West-Pruisen was door de oorlog ontvolkt en verarmd. Weliswaar werden de vrijheid en voorrechten formeel verleend, maar de nieuwkomers bleven tegelijk toch afhankelijk van adellijke grondheerlijke willekeur. Vooral geestelijke grondheren (kloosters en bisdommen) probeerden de boeren, die luthers of mennoniet waren, tot de Roomskatholieke kerk te bekeren onder dreiging van het intrekken van hun rechten. De rechtspraak over dergelijke geschillen werd immers verregaand bepaald door de grondbezitters. De rechtsverschillen verdwenen na de Poolse delingen en annexaties in de periode 1772-1815, toen de betroffen gebieden Pruisisch en de bewoners Pruisische staatsonderdanen onder gelijk recht werden. Een aantal Holländereien ontwikkelden zich tot dorpen, soms van aanzienlijke omvang. Andere werden buurtschappen in grotere gemeenten en vaak verdwenen ze toen de landbouw zich grootschaliger ging organiseren en boeren hun land samengvoegden of verkochten.

Terminologie[bewerken]

Olędrzy worden door Polen ook aangeduid met de termen Hollendrzy, Holędrzy, Holendrzy en deze benamingen zijn ontleend uit het Duits waarin geen onderscheid werd gemaakt tussen Hollanders en Friezen. De aanvankelijke Olędrzy noemden overigens zelf hun dorpen en daaraan verbonden rechten Holländereien. De term keert terug in de namen van diverse dorpen in Polen (Holendry, Olędry, Olendry, etc.) maar niet alle dorpen met deze namen zijn werkelijk gesticht door Hollanders of Friezen omdat het een rechtstitel betrof die - althans later - ook door Pommerse en autochtone boeren gebruikt kon worden. Toen de relatie niet meer duidelijk was, werd Holländerei vaak Hauländerei wat verwijst naar ontbost en ontgonnen land.

Oorzaken en gevolgen[bewerken]

De kolonisten uit de Nederlanden waren reeds bekend en actief met drooglegging en indijking, onder andere vanaf het begin van de 12de eeuw in de deltas van de Wezer en de [Elbe]], in de 13de eeuw in de Oder-delta en een eeuw later in die van de Weichsel. Aan de rand van dat laatste gebied ligt Pasłęk, een stadje met een veelzeggende naam, namelijk Preussisch Holland. Pas in 1945 werd deze naam in de huidige Poolse veranderd. De 16de tot 19de eeuwse kolonisatie op de territoria van het koninkrijk Polen (West-Pruisen) en van de staat van de Duitse Orde en zijn opvolger het hertogdom Pruisen (Oost-Pruisen) had als achtergrond:

  • Religieuze vervolging tot 1592 in de Nederlanden onder de Habsburgse keizer en de Spaanse koning, die uit de noordelijke provincies vooral mennonieten, ook doopsgezinden of gewoonlijk ook wel dopersen genoemd, op de vlucht deed slaan.
  • De Nederlandse Opstand in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en de aanwezigheid van het Spaanse leger die verwoestend waren voor de landbouweconomie en boeren van hun bestaansmiddelen beroofde. Overigens ook in de bevrijde noordelijke gewesten werden doopsgezinden maar nauwelijks getolereerd.
  • De ontvolking van West-Pruisen tengevolge van de Noordse Oorlogen, welke tussen de koninkrijken Zweden en Polen na de Dertigjarige Oorlog werden uitgevochten en daarmee ook tussen de twee rivaliserende - lutherse en roomskatholieke - machtscentra in oostelijk Midden-Europa. Zweden werd erdoor uitgeput en trok zich terug, maar wel na eerst grote delen van Polen leeggeroofd en verwoest te hebben. De Poolse steden en de adel verarmden en zijn deze slag niet te boven gekomen. De ontvolking was aanzienlijk en veel agrarisch land moest worden prijsgegeven aan de natuur. Juist op deze 'woeste gronden' wilden alleen boeren zich vestigen als zij persoonlijke en eigendomsvrijheden kregen.

Externe links[bewerken]