Oldambtster boerderij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oldambster boerderij te Stadskanaal

De Oldambtster boerderij is een boerderijtype, dat vooral in het Oldambt in het oosten van de provincie Groningen voorkomt. Bij dit type boerderij zijn het woonhuis en de schuur in elkaars verlengde gebouwd. Dit boerderijtype valt in de hoofdgroep Noordelijke huisgroep. Tot deze groep behoort ook het sterk verwante Oost-Friese gulfhaus. In het Oldambt werd de grote schuur vroeger ook wel golf genoemd, hoewel er enkele kleine verschillen zijn met het Oost-Friese type. Het woord 'goul', van het Hogeland, is aan het woord golf verwant en verwijst naar de verschillende 'vakken' tussen de gebinten en steunbalken.

Geschiedenis[bewerken]

Omstreeks 1720 raakte de Oldambtster boerderij naar voorbeeld van de vergelijkbaar gebouwde Gulfhaus boerderijen in Oost-Friesland in het Oost-Groningse Oldambt (landstreek) ingeburgerd. In 1724 werd dit type boerderij voor het eerst als zodanig genoemd in de kaartboeken in Hamdijk en in de Linteloopolder.
Aanvankelijk was de dakhelling van de woongedeelten in het z.g. voorhuis steiler dan het tevens hogere dak van de achter de brandmuur aangebouwde schuur; bij later gebouwde en ver- of herbouwde boerderijen werden dakhelling en nokhoogte woonhuis en schuur meer gelijk waarbij de brandmuur nog wel iets boven de daklijn uit bleef steken; de nog latere verschijningsvorm waarbij voorhuis en schuur en de hen scheidende brandmuur geheel verdwijnen onder één en hetzelfde dakvlak wordt als typerend voor de meeste nog bestaande Oldambster Boerdederijen beschouwd.
Uit deze laatste vorm hebben zich verscheidene afgeleiden van de Oldambster boerderij ontwikkeld, waaronder het over het algemeen iets kleiner opgezette Veenkoloniale-type. Vaak ontbreekt bij deze 'doorontwikkelingen' een volledig tot de nok doorlopende brandmuur; soms ontbreekt deze zelfs geheel.
Daarnaast treft men op het Groningse platteland nog veel kleine arbeidershuisjes aan die qua uiterlijk, kompleet met krimpen en korenzoldervenstertjes, sprekend lijken op een soort mini-uitvoering van de Oldambster boerderij. Veel van deze typische arbeidershuisjes hebben echter al hun typische uiterlijk verloren door allerhande verbouwingen ten behoeve van meer woonruimte en wooncomfort.

De oudst bekend bekendstaande Oldambster boerderij (eerste vermelding 1576) staat aan de Noorderstraat 4 (Noordbroek), aangenomen wordt dat deze boerderij begin 19de eeuw al min of meer haar huidige vorm kreeg.

De boerderij was bedoeld als een gemengd bedrijf. Rond 1900 specialiseerde het Oldambt zich in akkerbouw en werd een van de vooruitstrevende akkerbouwgebieden in Europa. De Oldambtster boerderijen werden groter, waarbij de woonhuizen steeds voornamer werden. Hierdoor wordt de Oldambtster boerderij ook wel "villaboerderij" genoemd.

Constructie[bewerken]

Naast de min of meer doorlopende nokhoogte van de daklijn zijn typisch voor de bouwvorm van Oldambtster boerderijen de zogenaamde krimpen.

Noklijn[bewerken]

Door de min of meer doorlopende daklijn over zowel woongedeelte schuur wijken Oldamster boerderijen duidelijk af van ander grote boerderijen uit de Noordelijke huisgroep zoals kop-(hals)-romp-boerderijen. In de loop der tijd is de daklijn van Oldambster boerderij meer en meer geëvolueerd van...
- een voorhuis en schuur met verschillende dakhelling naar wel een min of meer gelijke nokhoogte en slechts gescheiden door de zichtbaar boven de daklijn uitstekende brandmuur.
- naar een verschijningsvorm waar voorhuis en schuur zich tezamen bevinden onder één dak van gelijke dakhelling en een doorlopende nok, waarbij de brandmuur onder de daklijn is komen te liggen.
- in laatste stadium is het voorhuis soms toch weer verworden tot een geheel dat zich qua dakvorm weer duidelijker onderscheidt van de aangebouwde schuur met wel gelijke nokhoogte maar de ogenschijnlijke verschijningsvorm van een dwarshuis met een schilddak of zelfs en in bouwstijl geheel afwijken 'villa-vorm'.

Krimpen[bewerken]

Waar de schuur de maximale breedte van het gebouw heeft aan de achterzijde en richting de woongedeelten van het voorhuis als het ware trapsgewijze krimpt (smaller wordt). Het na elke krimp smaller geworden gebouw is ter plekke noodzakelijkerwijs ook voorzien van hogere zijgevels.
Deze hogere zijgevels maken het mogelijk ter plekke ook aan de zijgevel hogere/grotere ramen te plaatsen waardoor in de woongedeelten een grotere lichtinval mogelijk werd.

Woongedeelte[bewerken]

De woonvertrekken zijn doorgaans verdeeld over een gedeelte voor en een gedeelte achter de zogenaamde brandmuur (in de aangebouwde schuur). Het woongedeelte voor de brandmuur wordt doorgaans aangeduid als voorhuis; het zich gedeelte achter de brandmuur in de aangebouwde schuur bevindende woongedeelte als achterhuis.

Korenzolder[bewerken]

Boven het woongedeelte in het voorhuis bevindt zich een z.g. korenzolder ook wel graan- en zaadzolders genoemd. Deze korenzolders zijn vaak voorzien met vele raampjes waarmee door de vorm en plaatsing de indruk van een extra woonverdieping werd gewekt waardoor het voorhuis meer de aanblik van een 'deftig' herenhuis kreeg dan van een eenvoudige boerderij. Bijzonder detail is dat de gordijntjes van de korenzolderraampjes veelal nep zijn, ze zijn met witte verf op de ruiten geschilderd; Dat spaart geld en het vaak moeten wassen om ze netjes wit te houden op een stoffige korenzolder.

Dak en gebint[bewerken]

Het dak wordt gedragen door een z.g. dekbalken of Fries gebint. De afzonderlijke gebinten zorgen ervoor dat de hoge middenbeuk van de schuur in de lengte op natuurlijke wijze wordt verdeeld in circa zes meter brede vakken.

Het dak is een zadeldak dat in de loop der tijd steeds vaker aan voor- en achter-zijde voorzien werd van een afgeschuind vlak, het wolfseind; de voorhuisgevel van veel oudere Oldambtster boerderijen zijn echter nog steeds voorzien van, naargelang de plaatsing van de voorste schoorsteen, een meer traditionele tuit- of punt-gevel.

Schuur[bewerken]

De driebeukige schuren van typische Oldambtster boerderijen zijn relatief groot; oppervlaktematen van 900m2 of meer afmetingen LxBxH 50m*23m*12m zijn niet uitzonderlijk.
De driebeukige schuur is traditioneel verdeeld in een aantal door (halfsteens) muren gescheiden gedeelten. In de zijbeuk direct grenzend aan het achterhuis bevindt zich de koestal, richting achtergevel was veelal ook ruimte voor enkele varkenshokken en jongvee. De koeien worden twee aan twee gestald tussen wilgentenen of houten schotten.
In de hogere middenbeuk is doorgaans tegen het midden de achtergevel de paardenstal en ruimte voor werktuigen te vinden. Het gedeelte van de middenbeuk boven en voor de paardenstal wordt door de plaatsing van de gebinten op natuurlijke wijze verdeeld in diverse vakken of golven met de mogelijkheid voor oogstopslag van diverse gewassen en hooiopslag. Tussen de golven van de middenbeuk en den baander bestaat in principe een open verbinding (zonder muren of schotten). De diverse golven kunnen naar behoefte door verplaatsbare (houten) schotten van elkaar en de baand(der) worden afgeschot om zodoende de diverse opgeslagen oogstgewassen fysiek gescheiden te houden.
De zijbeuk aan de andere zijde vormt de zogenaamde baan of baander en wordt aan weerszijden afgesloten door de z.g. baanderdeuren.

Baan(der)[bewerken]

De baan of baander neemt bevindt zich min of meer op de plek die in andere boerderijen van de Friese bouwgroep wordt aangeduid als dors, dars of deel. Het verschil tussen de baander en de andere genoemde vormen is voornamelijk gelegen in het logistiek gebruik van de baan(der). Doordat de baander aan weerszijden is voorzien van grote en hoge baanderdeuren (abusievelijk ook wel zelf aangeduid als baander, mogelijk als verbastering van het woord baandeur) was het mogelijk met verscheiden wagens tegelijk van achter naar voor door de baan langs de golven (vakken voor oogstopslag) te rijden. Hierdoor was het mogelijk met verscheidene hoog opgetaste wagens tegelijk de oogst de schuur in te rijden en achtereenvolgens te lossen. De geloste wagen konden vervolgens door de voorste baanderdeur weer vertrekken voor nieuwe oogst/lading zonder de voortgang van het werk in de schuur noemenswaardig te hinderen.
Door de gewoonlijk aanzienlijk breedte (5m-8m) van de zijbeuk van de baander bleef er tegen de buitenmuur voldoende ruimte over het gebruik als dorsvloer/deel en zelfs voor het stallen van wagens en werktuigen. Het was echter niet ongebruikelijk dat er benevens het hoofdgebouw ook een losse wagenschuur op de boerenplaats stond.

Tuin[bewerken]

Voor de Oldambtster boerderijen zijn veelal grote tuinen aangelegd. Vaak zijn het z.g. slingertuinen

Museum[bewerken]

In het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem staat een exemplaar, dat tot de jaren 80 in Beerta heeft gestaan.

Varianten[bewerken]

  • Een kleinere variant van de Oldambtster boerderij is te vinden in de Veenkoloniën.
  • Op het Hogeland werden Oldambtster boerderijen gebouwd, waarbij het woonhuis meestal dwars voor de schuur stond.