Onlusten in Jaffa

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Massagraf voor de Joodse slachtoffers

Van 1 tot 7 mei 1921 vonden grootschalige onlusten in Jaffa plaats in het Mandaatgebied Palestina. Hierbij kwamen 95 mensen om het leven en vielen meer dan 200 gewonden.

Begin[bewerken]

In de aanloop naar de de dag van de Arbeid verspreidde de Joodse Bolsjewiekse communistische partij op 30 april pamfletten in het Hebreeuws, Jiddisch en Arabisch waarin zij opriep tot een 1 mei-mars van Jaffa naar Tel-Aviv, het omverwerpen van de Britse heerschappij en de vestiging van een Sovjet-Palestina. Arabische notabelen beklaagden zich daarover bij Sir Herbert Samuel. Op de dezelfde dag hield ook de Joodse socialistische Achdut HaAvoda in Tel Aviv een 1 mei-parade, waarvoor ze van de Britse autoriteiten toestemming hadden gekregen. Toen de twee optochten elkaar kruisten ontstonden vechtpartijen. Tijdens die vechtpartijen vielen ook schoten.[1]

Verloop[bewerken]

De grote vraag vanaf het begin is: "Wat ging dit den Arabieren in de oude stad van Jaffa aan." Het rapport van de Enquête-commissie, op 7 mei benoemd door Sir Herbert Samuelgeeft hierop geen antwoord. Bij de Arabische bevolking zou het gerucht ontstaan zijn dat zij door Joden werden aangevallen. De Joden beweerden dat alles van tevoren door de Arabieren was voorbereid. De commissie achtte dit onjuist: "Er is ook niet het minste bewijs geleverd, dat het mindere volk reeds tevoren stelselmatig door personen uit de betere klassen was opgezet." Een golf van geweld brak uit. Omdat ze door de bewoners beschoten zouden zijn, vielen Arabische Palestijnen een immigrantenhuis aan. Hierbij waren ook politie-agenten betrokken. Van Joodse kant kwam het tot gewelddadige acties tegen de Arabische burgerbevolking. Uitvoerig schrijft het rapport over het optreden van den Joodse kolonel Margolin, van het voormalige Joodse Legioen, die uit Tel Aviv naar Jaffa kwam.[2]. Mannen, vrouwen en kinderen werden met slag- en steek- en vuurwapens vermoord; ook vonden talrijke verkrachtingen plaats, ook van minderjarigen. [3]. De Britse gouverneur Herbert Samuel stelde de avondklok in, liet versterkingen uit Egypte komen en liet ook bombardementen uitvoeren door de Royal Air Force om de onlusten onder controle te krijgen.[1][4] Bij de onlusten kwamen 47 Joden en 48 Arabieren om het leven. 146 Joden en 73 Arabieren raakten gewond. De meeste Arabische slachtoffers vielen door Britse pogingen om de orde te herstellen.

Gevolgen[bewerken]

Als gevolg van de onlusten vluchtte een groot deel van de Joodse bevolking naar Tel-Aviv, waar voor hen tentenkampen op het strand werden ingericht. Samuel stelde een onderzoekscommissie naar de onlusten in onder Thomas Haycraft van het Palestijnse hooggerechtshof. Het onderzoek bevestigde dat de Arabische politie deel had genomen aan het geweld en gaf de Arabische onvrede over de Joodse immigratie aan als achterliggende oorzaak van de onlusten:

"... bijvoorbeeld uit een reclameboekje voor het Opbouwfonds: ‘doel is millioenen, die wachten, naar Palestina over te brengen.’ Naar de meening van de commissie heeft ook de Zionistische Commissie geen goed gedaan. Ze hebben op ontactische wijze den Joden allerlei voordeelen bezorgd. De Arabieren beweren, dat de Zionistische Commissie invloed had op de benoeming van Regeeringsambtenaren en op de wetgeving.[5]"

Na de onlusten werd het voornamelijk Joodse Tel-Aviv bestuurlijk afgesplitst van Jaffa[1], dat ongeveer 45.000 inwoners had, waarvan ongeveer 25% christen, 25% joods en 50% moslim was.