Onsterfelijkheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Adam en Eva worden veroordeeld tot sterfelijkheid bij de verdrijving uit het paradijs (Hans Holbein de Jonge, Danse Macabre, 16e eeuw).
Joseph Wright of Derby, De alchemist op zoek naar de steen der wijzen (1771).

De term onsterfelijkheid kan letterlijk en figuurlijk worden opgevat. In letterlijke zin betekent het dat een mens niet kan sterven. Dit komt slechts in fictie voor, zoals in Gulliver's Travels van Jonathan Swift. Onsterfelijkheid wordt daar overigens niet beschouwd als iets positiefs. Ook wordt soms met onsterfelijkheid bedoeld dat je niet kan sterven door de natuurlijke dood, vaak is er dan ook sprake van een zekere eeuwige jeugd of het op een bepaald tijdstip stilvallen van het verouderen, dit laatste is soms ook het geval bij letterlijke onsterfelijkheid; als dat niet het geval is, is die letterlijke onsterfelijkheid een ware kwelling, zoals in het voorbeeld van de mythe van Tithonos.

In de figuurlijke zin betekent het dat een mens voortleeft in de herinnering van de levenden, bijvoorbeeld als geliefde vriend of familielid, of als iemand die grote daden heeft verricht. In dit geval heeft de term over het algemeen wel een positieve betekenis.

Daarnaast speelt de term onsterfelijkheid een belangrijke rol in vele religies. In dat geval gaat het om de onsterfelijke ziel die op enigerlei wijze voortbestaat na de dood (leven na de dood in een hiernamaals).

Alchemie[bewerken]

Alchemisten in het westen en het oosten waren op zoek naar het geheim van het eeuwige leven. Van vijftiende-eeuwse Franse alchemist Nicolas Flamel werd gezegd dat hij de Steen der wijzen en het levenselixer zou hebben ontdekt, wat hem in staat stelde om onsterfelijk te worden, samen met zijn vrouw Perenelle.

Bijbel[bewerken]

In de Bijbel wordt in het Nieuwe Testament doorlopend gerefereerd aan een opstanding uit de dood en een eeuwig leven dat weggelegd is voor de volgelingen van Jezus Christus. Zij zullen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde beërven en niet langer onderhevig zijn aan ziekte en niet meer sterven.

Het idee van een leven in de hemel na de lichamelijke dood is mogelijk de christelijke leer binnengeslopen vanuit het neoplatonisme. Deze leer gaat uit van het dualisme: het idee dat lichaam en geest als twee gescheiden grootheden zijn te beschouwen en dat de geest na de dood onafhankelijk van het lichaam kan voortbestaan.

Enoch, de zoon van Jered en profeet Elia worden in de Bijbel beschreven als personen die als stervelingen rechtstreeks in de hemel zijn opgenomen.

Origenes[bewerken]

Er hebben met betrekking tot het eeuwige leven altijd alternatieve opvattingen bestaan. Origenes verdeelde de tijd in opvolgende wereldtijden αιωνων (eonen). In die zin moest volgens hem ook de term 'eeuwig leven, 'ζωην αιωνιον' worden opgevat, als periode met een begin en een einde. De uitdrukking wordt zodoende synoniem met 'leven van de toekomende eeuw', een frase zoals die voorkomt in de geloofsbelijdenis van Nicea. Op de tekst van deze geloofsbelijdenis hebben de volgelingen van Origenes aanvankelijk enige invloed kunnen uitoefenen. Het Bijbelse Griekse grondwoord αιων heeft inderdaad niet de primaire betekenis van 'zonder einde'. Zo komt bij Origenes aan elke eon een einde. Na de wederoprichting van alle dingen (apokatastasis pantoon) zijn de wereldtijden en daarmee de heerschappij van Christus voorbij en zal God alles zijn in allen (1 Kor 15:28). In deze apokatastasis pantoon is bij Origenes geen plaats voor eindeloze hellestraffen. Uiteindelijk zullen alle mensen, ook de duivel, met God verzoend worden. Een kerkelijke veroordeling van de leer van Origenes vond plaats in 543.

Filosofie[bewerken]

  • Onsterfelijkheid is het hoofdthema in het boek Tous les hommes sont mortels (1946; later vertaald onder de titel Alle mensen zijn sterfelijk) van Simone de Beauvoir.
  • De onsterfelijkheid van de ziel is één van de drie postulaten die volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant noodzakelijk is in de ethiek.

Zie ook[bewerken]