Onthoofding van Egmont en Horne

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Standbeeld van Egmont en Horne, park van de Kleine Zavel, Brussel

De onthoofding van Egmont en Horne vond plaats op 5 juni 1568 op de Grote Markt van Brussel. De executie van deze twee vooraanstaande edellieden wordt vaak beschouwd als het definitieve sein voor de gewapende Nederlandse Opstand.

Lamoraal van Gavere, graaf van Egmont (of Egmond) en Filips van Montmorency, graaf van Horne (of Hoorne), behoorden samen met onder anderen Willem van Oranje tot de kopstukken van het protest tegen het beleid van kardinaal Antoine Perrenot Granvelle, bisschop van Atrecht, die de inquisitie invoerde in de Zeventien Provinciën.

Na het uitbreken van de Beeldenstorm op 10 augustus 1566 stuurde koning Filips II van Spanje de hertog van Alva als landvoogd (militaire gouverneur) naar Brussel om orde op zaken te stellen. Oranje ontvluchtte hierop Brussel, Egmont en Horne besloten dat niet te doen. Alva liet hen vrijwel direct na zijn aankomst, op 9 september 1567, arresteren. Dit geschiedde met een vals voorwendsel. De landvoogd had hen gevraagd om bij een maaltijd over de situatie te praten. Direct na hun arrestatie werden ze naar Gent overgebracht en in het Spanjaardenkasteel opgesloten.

Zij werden in december 1567 wegens hoogverraad voor de Raad van Beroerten gebracht. Hoewel beiden tot het einde toe katholiek bleven en trouw aan de Spaanse koning, werden zij ter dood veroordeeld, ondanks het inroepen van hun staat van dienst en hun onschendbaarheid als Vliesridders en de vele protesten van andere edelen.

Egmont en Horne

Op 23 mei 1568 had de slag bij Heiligerlee plaats, waarbij de koningsgezinde stadhouder graaf Jan van Ligne verslagen werd. Alva liet als represaille meteen 18 edelen onthoofden op de Grote Markt van Brussel.

Op 3 juni 1568 werden ook Egmont en Horne van Gent naar Brussel teruggebracht en opgesloten in het Broodhuis. Op 4 juni tekende Alva het doodvonnis. In de motivering vormden hun steun aan het Eedverbond der Edelen en de bouwtoelating voor een calvinistisch gebedshuis buiten de muren van Doornik de hoofdpunten.

Op 5 juni 1568 werden beide vrienden kort na elkaar onthoofd op de Grote Markt van Brussel. Hun dood leidde tot grote protesten onder de bevolking. Willem van Oranje had daar ook bij moeten zijn, maar omdat hij tijdig gevlucht was, was hij eraan ontkomen.

De doodvonnissen waren opgesteld door Jacob Hessels, procureur-generaal in de Raad van Vlaanderen, die tien jaar later zelf, tijdens de Gentse Republiek ook terechtgesteld werd (door ophanging).