Ontoerekeningsvatbaarheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

(On)toerekeningsvatbaarheid is een term die wordt gebruikt in het rechtssysteem. Ontoerekeningsvatbaarheid wordt behandeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en luidt als volgt:

Aanhalingsteken openen

Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.

Aanhalingsteken sluiten

Strikt gezien spreekt de wet hier niet over ontoerekeningsvatbaarheid, maar over ontoerekenbaarheid of niet-toerekening.

In het kort komt ontoerekeningsvatbaarheid op het volgende neer. Als een verdachte een strafbepaling heeft overtreden terwijl hij lijdt aan een geestelijke stoornis, dan kan hem van de gedraging niets worden verweten. In normale termen "kon hij er niets aan doen". De verdachte zal daarom een ontoerekeningsvatbaarheidsverklaring krijgen. Hierdoor is het mogelijk dat de verdachte een kortere gevangenisstraf krijgt of helemaal geen straf. In het laatste geval is er sprake van ontslag van alle rechtsvervolging.

Vaak is het zo dat er TBS wordt opgelegd om de persoon te helpen aan zijn geestelijke ziekte of om de maatschappij te beschermen tegen de risico's die zich voor kunnen doen als de veroordeelde zich vrij onder de mensen kan begeven.

Vormen[bewerken]

Er zijn 2 vormen van ontoerekeningsvatbaarheid:

  1. Volledige ontoerekeningsvatbaarheid: tijdens het begaan van een strafbaar feit is de dader als het ware onder invloed van zijn stoornis. Hij begaat het strafbaar feit dus niet meer uit eigen wil, maar "in de wil van zijn of haar stoornis." Bij volledige ontoerekeningsvatbaarheid is er sprake van een schulduitsluitingsgrond. Vaak worden deze personen veroordeeld tot TBS.
  2. Verminderde toerekeningsvatbaarheid: dit is geen schulduitsluitingsgrond. Het geeft de mate aan waarin de strafbare gedraging aan de verdachte toe te rekenen is. Het antwoord op de vraag of een feit aan de dader kan worden toegerekend is altijd ja of nee. Bij verminderde toerekeningsvatbaarheid is de gedraging dus wel aan de dader toe te rekenen, al zal ze hoogswaarschijnlijk een mildere straf opleveren.

Toepassing[bewerken]

Om een geslaagd beroep te doen op artikel 39 Sr. zijn er drie vragen van belang voor een rechter.[1][2]

  1. Was er sprake van een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van het geestvermogen bij de verdachte op het moment dat hij de strafbepaling overtrad? Zo ja:
  2. Is er een causaal verband tussen de gedraging en de stoornis voldoende aannemelijk? Zo ja:
  3. Gelet op de eerste twee vragen, welk oordeel moet er gegeven worden over de toerekening?

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. K. Rozemond, De methode van het materiële strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011 p. 69
  2. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2009 p. 339