Onze kunst van heden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Opstelling van de tentoonstelling Onze kunst van heden 1939-1940.

Onze kunst van heden was een expositie in het Rijksmuseum Amsterdam van 18 november 1939 t/m 29 februari 1940.

Vanwege de oorlogsdreiging waren de grote kunstwerken als De Nachtwacht in opdracht van de Nederlandse overheid uit het Rijksmuseum weggehaald en op een veilige plaats in een bunker opgeborgen. Om de leeggekomen ruimte toch nuttig te kunnen gebruiken en bezoekers te trekken is een expositie gehouden met 750 kunstenaars en 3163 werken. Er kwamen meer dan 38.500 belangstellenden op af.

Ere-voorzitters waren de heer G. Bolkestein, minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, de heer A. baron Röell, commissaris van de Koningin voor de Provincie Noord-Holland en W. de Vlugt, burgemeester van Amsterdam. Beschermvrouwe was Hare Majesteit de Koningin.

In de brochure van de expositie schrijft museumdirecteur dr. F. Schmidt-Degener in het voorwoord over plaats en tijd van de tentoonstelling:

De plaats is die bij uitstek nationale plek: het Rijksmuseum. De druk van het ogenblik behoeft geen nadere omschrijving: wij doorleven de bezorgdheid van de kleine staten, die zich bedreigd gevoelen in hun onafhankelijke groei. De inzender: kunstenaars in groten getale en die ditmaal de vaandels van hun verenigingen hebben verruild voor de éne banier der Saamhorigheid en wier eenparig streven gesymboliseerd wordt, op het affiche, door het Geuze-motief der ineengeslagen handen.

Na afloop gingen 150 werken naar een tentoonstelling met dezelfde naam in het Stedelijk Museum te Maastricht van 23 maart t/m 14 april 1940.

In het Centraal Museum te Utrecht werden 146 beeldhouwkundige werken tentoongesteld van 18 maart t/m 14 april 1940.

In Brussel waren vanaf 4 mei 1940 in het Museum voor schone kunsten 534 schilderijen en tekeningen van tentoonstelling Nederlandse kunstenaars van Heden te zien.

Bronnen[bewerken | brontekst bewerken]