Oostenrijks-Duits

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Oostenrijks-Duits is een sterk aan het Beiers gerelateerde variant van het Duits. Oostenrijks-Duits heeft niet alleen een andere uitspraak, maar kent ook "eigen woorden" die overgenomen zijn uit de vele talen van de dubbelmonarchie, zoals het Hongaars, Boheems, Jiddisch, Sloveens en Kroatisch.

Woordenlijst Oostenrijks-Duits[bewerken]

Een lijst van woorden die anders zijn in het Oostenrijks-Duits dan in het Duits van Duitsland:


Oostenrijks-Duits Duitsland-Duits Nederlandse vertaling
Akt (m) Akte bzw. Verwaltungsvorgang Dossier, resp. administratieve procedure
(Aus)schank (m) Ausschank, Tresen Bar, buffet, toonbank
ausrasten ausruhen Uitrusten
(Autobahn-)Knoten (Autobahn-)Kreuz 'Klaverblad'
Bankomat (m) Bankomat, Geldautomat Geldautomaat
Barterl (n) Lätzchen Slabbetje
Beiried (n) Roastbeef Rosbief, rundergebraad
Beisl, Beitz (n) Kneipe, Biertheke Kroeg
Beistrich (m) Komma Komma
Bim (f) 'W' Straßenbahn Tram
Blodern (f) Bloder (Schwäbisch), Blase, Schwellung Blaar
Brösel (m) Krümel Kruimel
Bub Junge Jongen
Bummerl (n) Strafpunkt Strafpunt (bij spelletjes)
Christbaum (m) Weihnachtsbaum Kerstboom
Christkindlmarkt Weihnachtsmarkt Kerstmarkt
Dippel/Dübel (m) Beule Buil, deuk
Dirndl Mädchen, Marjellchen (Ostpreußisch) Meisje
Dult (Sbg., ) (f) Rummel, Kirmes Jaarmarkt, kermis
Eichkätzchen Eichhörnchen Eekhoorntje
Eierschwammerln (n) Pfifferlinge Cantharellen
Erdäpfel (m, aber meistens im Plural gebräuchlich) Kartoffeln Aardappelen
Fakturelle (nur Umgangssprache, sonst Fakultät) Fakultät Faculteit
Faschiertes (n) Hackfleisch Gehakt
Fasching (m) Fastnacht, Karneval Vastenavond, carnaval
Feber Februar Februari
Fieberblase (f), -rl (n) Herpesbläschen, Fieberbläschen Koortsblaasjes
Fisolen (f) Grüne Bohnen Sperziebonen
Fleischhauer, Fleischhacker (m) Metzger Slager
Flugpost (f) Luftpost Luchtpost
Gang (m) Diele, Flur Hal, gang
Gatsch (m) Matsch Smurrie
Gaude (f) Spaß, Vergnügen Grap, plezier
Gehsteig (m) Gehweg, Bürgersteig Stoep, voetpad, trottoir
Gelse (f) Stechmücke, Schnake (Langpoot)mug
Gewand (n) Kleidung, Klamotten Kleding
Goal (n), -ie (m) Tor, -wart Doel, keeper
Göd (m) Patenonkel Peetvader, peetoom
Godel (f) Patentante, Goth Peettante
Graffel (n) Gerümpel Rommel, rotzooi
Grammeln (f) Grieben (Huid)uitslag
Greißler (m) Gemischtwarenhändler, Tante-Emma-Laden Kruidenier, 'grutter'
Haferl, Heferl (n) Häfele (Schwäbisch),Tasse Kop, beker, mok
Hangerl (n) Geschirrtuch Theedoek
Hausbesorger (m) Hausmeister Huismeester, conciërge
Hefen, Häfen (m) Topf, auch Gefängnis Pan, pot
heuer in diesem Jahr In dit jaar
Hüferl (n) Hüfte Heup
Hundsfot (f) falscher Kollege Smeerlap, schoft
Jänner (m) Januar Januari
jausnen eine Zwischenmahlzeit einnehmen 'Tussendoortje'
Kalesche (f) Kutsche Koets
Kamin (m), -kehrer (m) Kamin, Schornstein, -feger (Open)haard, schoorsteen, -veger
Kanapee (n) Sofa (Zit)bank, sofa
Kapsel (f) Kronkorken Kroonkurk
Karfiol (m) Blumenkohl Bloemkool
Kasten (m) Schrank Kast
Kieberer (m) Polizist Politieagent
Klappe (f) Durchwahl Klep
Klapperl (n/pl) Sandalen Sandalen
Kluppe (f), Klupperl (n) Wäscheklammer Wasknijper
Knödel Klotze Knoedels (deeg- of meelballen)
Koffer (m) Trottel Idioot, sukkel
Kohlsprossen (f) Rosenkohl Spruitjes
Kredenz (f) Anrichte, Ausschank Aanrecht
Kren (m) Meerrettich Mierikswortel
Kübel (m) Eimer Emmer
Lache (f) Lache, Pfütze (bij bloed) Plas
Lacke (f) Pfütze (bij water) Plas
Lackerl (n) Schluck Slok, teug
Leiberl (n) T-shirt T-shirt
Leintuch (n) Leintuch, Bettlaken Beddenlaken
Lenker (m) Fahrer [eines Autos] Bestuurder
Lungenbraten (m) Filet Filet, haas
Marillen (f) Aprikosen Abrikozen
Marmelade Konfitüre Jam
Matura (f) Abitur Eindexamen
Melanzani (f) Aubergine Aubergine (eierplant)
Mischkulanz (f) Mischung Mengsel, mengeling
Mist (m) Müll Afval
Nudelwalker (m) Nudelholz Deegroller
Nuss (f) Kugel Bal, bol, kogel
Paradeiser (m) Tomate Tomaat
Pension (f) Pension, Rente, Ruhestand Pensioen
Pensionist (m) Pensionär, Rentner, Ruheständler Gepensioneerde
Pfusch (m), -er (m) Schwarzarbeit, -er Zwartwerk, -er
Pick (m) Klebstoff Lijm
Pickerl (n) Aufkleber Sticker, etiket
Piefke (Norddeutsch abwertend) (Nord)deutscher Scheldwoord voor (Noord)-Duitser
Polster (m) Kissen Kussen (van bed)
Postler (m) Postarbeiter, Mitarbeiter der Post Postmedewerker
Powidl (n) Pflaumenmus, Latwerge Pruimenmoes
Pracker (m) Teppichklopfer Mattenklopper
Rauchfang (m), -kehrer (m) Schornstein, -feger Schoorsteen, -veger
Reißnagel (m), Reißzweck (m) Pinne, Reißzwecke Punaise
Ribisel (f) Johannisbeere Aalbes
Rostbraten (m) Rostbraten, Hochrippe Karbonade
Sackerl (n) Tüte aus Plastik Plasic zak
Salettl (n) Gartenhäuschen Tuinhuisje
Salon (m) Wohnzimmer Woonkamer
Sandler (m) Penner, Obdachloser Dakloze
Schafblattern (f/pl) Windpocken Waterpokken
Scheibtruhe (f) Schubkarre Kruiwagen
(Schlag)Obers (n) Sahne, Rahm (Slag)room
Schlapfen (f/pl) Pantoffeln ähnlich Sandalen Sloffen, pantoffels
Schlögl (m) Keule Bout (culinair)
Schmäh (m) Witz Mop (humor)
Schnackerl (m) Schluckauf (haben) Hik (de hik hebben)
Schuhband (n), -l (n) Schnürsenkel Schoenveters
Semmel Kaiserbrötchen Puntje, puntbroodje
Sessel (m) Stuhl Stoel
Spengler (m) Spengler, Klempner Loodgieter
Stamperl (n) Schnapsglas Jeneverglas, borrelglaasje
Stanitzl (n) Tüte (Plasic/papieren)zak
Staunze (f) Stechmücke, Schnake (Langpoot)mug
Steige (f) Stall [für Geflügel], ook Obstkiste Krat
Stempen (m) Pfosten Paal
Stiege (f), -nhaus (n) Treppe, -nhaus Trap, trappenhuis
Stock (m), -werk (n) Etage, Stock, -werk Verdieping
Stoppel (m) Korken Kurk
Stoß (m) Kartenspiel (Unterwelt) Stok (stapel) kaarten
Striezi (m) 'W' Zuhälter; ook: Schlingel Pooier, souteneur
Stutzen (f/pl) Kniestrümpfe Kniekousen
Taxler (m) Taxifahrer Taxichauffeur
Tischler (m) Schreiner, Tischler Meubelmaker
Topfen (m) Quark Kwark
Tormann (m) Torwart Doelman, keeper
Trafik (f) Tabakladen, Kiosk Sigarenkiosk, tabakswinkel
Tram (f), -bahn (f) Straßenbahn Tram
Trottoir (m/n) Gehweg, Bürgersteig Stoep, trottoir
Tschecherl (n) Kneipe Kroeg
Tschick (f) Zigarette, Kippe Sigaret, peuk
Tschusch (m) (südosteuropäisch abwertend) Ausländer (Jugoslawe) Scheldwoord persoon Zuidoost-Europese afkomst
Türschnalle (f) Klinke [der Tür] (Deur)klink
Vogerlsalat (m) Feldsalat Veldsla
Volksfest (n), Kirtag Volksfest Volksfeest
Vorrang (m) Vorfahrt Voorrang
Vorzimmer (n) Diele, Flur Hal
Watsche, Watsch'n (f) Ohrfeige Oorveeg
Weichsel (f) Sauerkirsche Kriek, morel, zure kers
Zündholz, Zündhölzl, Schnellfeuer (n) Zündholz, Streichholz Lucifer
Zwetschke Pflaume Pruim
Zwickltag, Fenstertag (m) Brückentag (Vlaams) brugdag, verplichte vrije dag

Gewichtsaanduiding[bewerken]

Het is in het Oostenrijks-Duits niet gebruikelijk om over ponden (Pfunde) te spreken als het om gewichtsaanduiding gaat. Daarnaast bestelt men geen honderd gram (ons) worst of kaas in Oostenrijk maar tien deka. Eén deka staat voor tien gram. Dit is ook in veel voormalige landen van de Donaumonarchie de gewoonte.

Voor verwarring kan ook het begrip "Zentner" zorgen. Een Zentner staat in het Duits van Duitsland voor vijftig kilo terwijl een Zentner in het Oostenrijks-Duits voor honderd kilo staat. Het Duitse begrip Doppelzentner kent men in het Oostenrijks-Duits niet.

Tijd- en getalsaanduiding[bewerken]

Terwijl men in het Duitsland-Duits getallen vervoegt met een lidwoord, wordt dit in het Oostenrijks-Duits gedaan met de toevoeging -er. Zo spreekt men in Duitsland over die eins en in het Oostenrijks-Duits over der Einser. Jaartallen worden in het Oostenrijks-Duits, in tegenstelling tot in het Duits van Duitsland, zonder hundert uitgesproken. Ook de tijdsaanduiding is afwijkend. Zo spreekt men niet over Viertel nach zwei (14.15), maar over Viertel drei, en men spreekt niet over Viertel vor drei maar over dreiviertel drei (14.45).

Geslacht[bewerken]

Bij sommige woorden heeft het Oostenrijks-Duits een ander geslacht dan het Duitsland-Duits. Voorbeelden hiervan zijn (Oostenrijk - Duitsland):

der Akt – die Akte, der Brezel – die Brezel, das Cola – die Cola, der Gehalt – das Gehalt, das Joghurt (oder auch die Joghurt) – der Joghurt, das Keks – der Keks, das E-Mail – die E-Mail, das Monat – der Monat, der Radio – das Radio, der Teil – das Teil (in Österreich eher „das Stück“), das Prospekt - der Prospekt, das Service - der Service (Dienstleistung), das Teller - der Teller, der Butter - die Butter

Idioom[bewerken]

Oostenrijk Duitsland
etwas um 5 Euro kaufen
(ook in Beieren, minder vaak voorkomend in geschreven Duits)
etwas für 5 Euro kaufen
am“ als verkorting van auf dem; am Berg, am Tisch (bv. in „das Essen steht am Tisch“) (ook in Zuidoost-Beieren) auf dem Berg, auf dem Tisch, in de omgangstaal ook voor auf den (bv. gemma am Turm; was am Tisch kommt, wird gessen)
In der Arbeit Auf der Arbeit
Auf Urlaub Im Urlaub
Ich habe genug davon. Da habe ich genug von. (substandaard)
Du musst was dafür tun. Da musst du was für tun. (substandaard)

Oostenrijks-Duits en de EU[bewerken]

In de toetredingsverdragen van Oostenrijk met de EU werden ook Oostenrijkse begrippen vastgelegd die in de rest van het Duitse taalgebied niet gebruikelijk zijn.

Voor het zover kwam heeft dit nogal wat spanningen veroorzaakt, die soms nog steeds oplaaien. De Oostenrijker vindt dat zijn uitdrukkingen te maken hebben met de nationale identiteit en daarom ook op alle producten gebruikt mogen en moeten worden. Er werd een hele actie op poten gezet onder de titel "Erdäpfelsalat bleibt Erdäpfelsalat". Oostenrijk liet in protocol tien de Oostenrijkse begrippen beschermen. Dit protocol is de eerste volkenrechtserkenning voor een variant op een taal in Europa. (gedocumenteerd in: Markhardt, Heidemarie: Das Österreichische Deutsch im Rahmen der EU, Peter Lang, 2005.)