Oostlimburgs-Ripuarisch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het Oostlimburgs-Ripuarisch dialectgebied.
Subdialecten: 1. Bergisch, 2. Oostelijk Zuidlimburgs, 3. Platdiets. In lichtgroen het gebied waar Heerlens Nederlands overheerst.
Het Limburgs-Ripuarisch loopt in het oosten in het Bergisch over. Uerdingen en Benrath markeren mede de grenslijnen.

Oostlimburgs-Ripuarisch is de groep van Limburgse dialecten die gesproken wordt in een zone die door drie landen loopt, grotendeels liggend in de Duitse Nederrijn. Zij loopt oostwaarts naar de Rijn tussen Uerdingen (bij Krefeld) en Düsseldorf, maar steekt nog ver daarover, waar het dialect Bergisch genoemd wordt. In Nederlands Limburg loopt het over het oostelijk deel van het heuvelland (Oostelijk Zuidlimburgs) tot aan Eupen in België, waar het Platdiets of Geullands wordt genoemd.

Het gebied is in Nederland door zijn geringe omvang van minder betekenis dan dat van het Oost-Limburgs. Het vormt een overgangsstrook die aansluit op het Ripuarisch. Sommige onderzoekers behandelen deze beide gebieden als een geheel, vanwege de Ripuarische inslag. Dit Oostelijk Zuidlimburgs wordt vooral geassocieerd met de Oostelijke Mijnstreek, hoewel het zich niet geheel daartoe beperkt. Het oorspronkelijke dialect is in Heerlen en omstreken overvleugeld door het Heerlens Nederlands, een overwegend op het Standaardnederlands gebaseerde lingua franca die opkwam tijdens de steenkoolmijnbouwperiode in de 20e eeuw toen de bevolking explosief steeg met immigranten van buiten de regio.

Afbakening[bewerken]

- HET LIMBURGS TAALLANDSCHAP -
Het Limburgs-Nederrijnse dialectcontinuüm

In het noorden en oosten wordt het Oostlimburgs-Ripuarisch afgebakend door de Uerdinger linie (ik/ich), in het noordwesten vormt de-lik/-lich- isoglosse de grens met het Oostlimburgs. In het zuidoosten is de Benrather Linie (maken/machen) de grens. De Oostlimburgs-Ripuarische overgangszone beslaat in Nederland en België een betrekkelijk klein gebied, maar vormt wel een aanzienlijke strook in de Duitse Nederrijn, waarmee het Oostlimburgs gekleurde taalgebied zijn totale omvang verdubbelt. De Oostlimburgs-Ripuarische overgangszone vormt een volgende, diepere schil binnen de Rijnlandse waaier, die in vele lagen verloopt van de Uerdinger linie (in het noorden, de grens tussen het Kleverlands en het Limburgs) tot de Spierse linie (in het zuiden, de grens tussen Middel- en Hoogduits).

1rightarrow blue.svg Zie ook Keulse expansie

Invloed van Aken[bewerken]

Het stadsdialect van Aken („Öcher Platt“) is zeer verwant met de aangenzende ripuarische dialecten in zuidoost Limburg rond het Drielandenpunt, zoals het dialect van Vaals (Vols), (ut "Vulzer"), van Bocholtz (Boches) (ut "Bocheser") en dat van Kerkrade (Kirchroa) (ut "Kirchröadsjer"). In zoverre kan dit gebied extra markering verdienen, het wordt ook wel beschreven als karolingisch frankisch. Een ander dominant stadsdialect van het Ripuarisch is het Keuls.

Voerstreek[bewerken]

De onderverdeling van het Nederlandse Limburgs is in micro-formaat terug te vinden in de Belgische Voerstreek. Ook daar zijn de dialecten te verdelen in drie varianten: (1) het westelijk Voerens (Moelingen), (2) het centraal Voerens ('s-Gravenvoeren), (3) het oostelijk Voerens (Sint-Martens-Voeren, Sint-Pieters-Voeren, de Plank, Teuven en Remersdaal). Het laatste behoort tot het Oostlimburgs-Ripuarisch, het tweede tot het Oost-Limburgs en het eerste tot het Centraal Limburgs (als het Maastrichts).

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • R. Belemans, J. Kruijsen, J. Van Keymeulen (1998) Gebiedsindeling van de zuidelijk-Nederlandse dialecten, Taal en Tongval jg 50, 1 online
  • (de) José Cajot (1983) Der Einfluß der kultursprachlichen und politischen Grenzen des 19. und 20. Jahrhunderts auf die germanischen Mundarten des belgisch-niederländisch-deutsch-luxemburgischen Grenzraums zwischen Maasmechelen/Sittard/Selfkant, dem Voergebiet und Clerf/St. Vith/Prüm. Diss. Leuven.
  • José Cajot (1985) Het Limburgs Dialect van de Voerenaren (met de misvatting van een evolutieschets), Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, nr. 31, Hasselt online
  • Georg Cornelissen (1985) De dialecten in de Duits-Nederlandse Roerstreek - grensdialectologisch bekeken, Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde, Nr. 83, Hasselt online
  • (de) J. Goossens (1965) Die Gliederung des Südniederfränkischen, in Rheinische Vierteljahrsblätter, 30: 79-94.
  • (de) Leo Wintgens, (2014) Vergleichender Atlas der karolingisch-fränkischen Regionalsprache in der deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens und in ihrem Umfeld: "Wortschatz : "wi zaach éch dat op Ostbäljesch Plat?", Helios-Verlag

Externe links[bewerken]