Oude Nabije Oosten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Overzichtskaart van het Oude Nabije Oosten

Het Oude Nabije Oosten omvat het gebied met Mesopotamië, de Levant, Anatolië en Elam waar de eerste van de meerdere beschavingen is ontstaan. Soms worden ook het oude Egypte en Arabië hiertoe gerekend. Daar onder de beschavingen van het Oude Nabije Oosten de eerste schriften ontstonden, zou in deze periode de overgang van prehistorie naar oudheid plaatsvinden.

Inleiding[bewerken]

Geografie[bewerken]

Reliëfkaart van het Nabije Oosten.
Klimaten van het Nabije Oosten.

Het Nabije Oosten is een kruispunt van drie werelddelen, Europa, Azië en Afrika. Dit heeft het een unieke positie gegeven met betrekking tot menselijke migraties, wat ertoe bijdroeg dat het de bakermat werd van veel nieuwe ontwikkelingen als landbouw tijdens de neolithische revolutie, dorpen en steden tijdens de stedelijke revolutie, gevolgd door rijken.

Het Nabije Oosten ligt voor een groot deel op de Arabische Plaat die omringd wordt door een aantal andere tektonische platen die een grote invloed hebben op het landschap. Aanvankelijk was de plaat één geheel met de Afrikaanse Plaat, maar daarna begonnen de twee platen langzaam uit elkaar te bewegen, waarbij in het westen de Rode Zee ontstaan is. In het noorden komt de plaat in botsing met de Iraanse Plaat of de Euraziatische Plaat en de Anatolische Plaat, waardoor het Zagrosgebergte is ontstaan. De depressie voor dit gebergte vormt het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris.

De gebergtes zorgen voor een grote tegenstelling van neerslag. Orografische effecten brengen stuwingsneerslag aan de loefzijde van de bergen en regenschaduw aan de lijzijde. De isohyeten, lijnen van gelijke neerslag, volgen de gebergtes dan ook in grote mate en daarmee ook de randzones die veelal gekenmerkt worden door een grote biodiversiteit. Met de rivieren maakt deze neerslag de Vruchtbare Sikkel mogelijk. Ten zuiden van dit gebied bevinden zich juist de Syrische en Arabische Woestijn.

Dit alles heeft een groot effect gehad op de bevolkingsgeschiedenis en ook de politieke geschiedenis. Het Zagrosgebergte maakte het zelfs voor grote rijken lastig om een militaire expansie te bereiken richting Anatolië en Iran. Richting Egypte was de doorgang ook beperkt. De Syrische Woestijn noodzaakte grotere groepen via de Levant te reizen, waar de doorgang beperkt werd tot de kustlijn en de Bekavallei tussen het Libanon- en het Anti-Libanongebergte.

Culturen[bewerken]

Zeker bij het ontbreken van een schrift is het niet, of zeer moeizaam vast te stellen welke etniciteit bewoners hadden en of er in een gebied meerdere volken aanwezig waren. Aan de hand van archeologische vondsten kan in bepaalde gevallen wel een archeologische cultuur worden vastgesteld, die dan nog gedeeld kan worden door meerdere volken. In het Nabije Oosten is keramiek en dan vooral aardewerk zeer waardevol bij archeologisch onderzoek. Het is veelal in grote hoeveelheden aanwezig en verweert nauwelijks. Daarnaast veranderden zowel de stijl als de technologie relatief snel, wat datering vereenvoudigt. Om deze reden zijn de nodige culturen genoemd naar het type aardewerk waarmee ze verbonden zijn, waarbij het aardewerk veelal weer is vernoemd naar de typesite.

Chronologie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Chronologie van het Nabije Oosten voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Zoals vaker het geval is in de Oudheid, is het niet altijd goed mogelijk om een exact jaartal te geven voor gebeurtenissen, heersers en dynastieën. Dit is deels omdat bronnen en archeologisch materiaal niet altijd beschikbaar zijn en deels omdat ook deze niet altijd een eenduidig antwoord geven. Wat betreft de chronologie van het Nabije Oosten geldt dat aan de hand koningslijsten een relatieve chronologie is vastgesteld die vrij algemeen geaccepteerd wordt. De absolute chronologie is echter problematisch doordat er geen duidelijk jaartal is waaraan de relatieve chronologie geijkt kan worden. Dit speelt nog niet zozeer in het grootste deel van het eerste millennium v.Chr., maar in het vroege deel van dat millennium en in toenemende mate in het tweede en derde millennium v.Chr. wordt dit steeds moeizamer. Zo zijn vier alternatieven ontstaan voor de absolute chronologie:

  • lange chronologie
  • middenchronologie
  • korte chronologie
  • ultrakorte chronologie

Welke chronologie de juiste is, blijft onderdeel van discussie. Het ontbreken van zekerheid maakt echter dat de middenchronologie veelgebruikt blijft, wat hier dan ook zoveel mogelijk gevolgd zal worden.

Voorgeschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Neolithisch Nabije Oosten voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
1rightarrow blue.svg Zie Vruchtbare Sikkel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In het Nabije Oosten, een met een gunstig klimaat gezegend gebied tussen de Middellandse Zee, de Perzische Golf en de Arabische woestijn, had de neolithische revolutie plaatsgevonden, waarna men zich in toenemende mate in permanente nederzettingen begon te vestigen. Gedurende deze periode ontwikkelde men ook aardewerk, dat door zijn duurzaamheid, veelvuldig voorkomen en stijlveranderingen zeer bruikbaar is om archeologische culturen te bepalen, zoals de Hassuna-, Samarra- en Halafcultuur. Ten tijde van de Obeidcultuur werd ook de ontginning van het zuiden van Mesopotamië ingezet.

Deze nederzettingen waren de eerste aanzet tot de stedelijke revolutie die uitmondde in de Urukperiode. Hier ontwikkelde zich wat wel de eerste beschaving wordt genoemd, met schrift en steeds sterker wordende sociale stratificatie. Daarmee brak het Oude Nabije Oosten aan, al was dit geen unilineaire vorm van culturele evolutie. Zo verdween na de Urukperiode in het noorden de invloed uit Babylonië en daarmee zaken als het schrift. In het zuiden had de Urukperiode een blijvende invloed, wat terug is te zien in de Vroeg-Dynastieke Periode van Soemer en Elam.

Soemer[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Soemer voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Waar eerder slechts culturen zijn te herkennen, bracht de ontwikkelingen van het schrift de mogelijkheid voor een volk om zijn etniciteit uit te drukken. De eerste groep die hiertoe in staat was, waren de Soemeriërs. Het is onbekend wat hun oorsprong was, wat ook wel het Soemerische probleem wordt genoemd. Mogelijk zijn het nomadische groepen geweest die al aanwezig waren en zich begonnen te vestigen, of migreerden zij van elders. Voor dat laatste zijn geen aanwijzingen te halen uit hun taal, aangezien het Soemerisch een geïsoleerde taal lijkt te zijn geweest.

Door een gebrek aan neerslag was permanente of droge landbouw niet mogelijk en was men aangewezen op irrigatielandbouw, wat tijdens de Obeidcultuur tot ontwikkeling kwam. De Soemeriërs cultiveerden hun land door een wijdvertakt kanalensysteem.

Urukperiode (4000 - 3100 v.Chr.)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Urukperiode voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Aan het begin van het vierde millennium v.Chr. nam de het aantal nederzettingen en hun grootte in het gehele Nabije Oosten aanmerkelijk toe. De grootste concentratie werd echter gevonden in Uruk, dat veelal wordt beschouwd als de oudste echte stad. Tijdens de vroege Urukperiode besloeg het gebied zo'n 70 hectare, om halverwege het vierde millennium uit te groeien tot zo'n 250 hectare. Hiermee werd het het eerste voorbeeld van wat wel de stedelijke revolutie is genoemd.

Voor irrigatielandbouw was een grote mate van collectieve sociale organisatie vereist, wat een gecentraliseerd gezag met hiërarchische maatschappelijke verhoudingen in de hand werkte. In Uruk was dit gezag gebaseerd op religie, waarbij de Eannatempel, het heiligdom van de godin Inanna, als middelpunt diende in de redistributie-economie.

De stad was een belangrijke handelsstad en dreef handel met verre streken, waarbij het verschillende koloniën stichtte. Daardoor werd bureaucratie erg belangrijk en daarmee ook het schrift. In Uruk IVa is het eerste protoschrift gevonden. Waarschijnlijk is het protospijkerschrift ontstaan rond 3300 v.Chr. en diende het aanvankelijk vooral een economische rol. De combinatie van een stedelijke ontwikkeling met schrift maakte het de eerste beschaving. Het grote netwerk bracht de culturele invloed in heel Mesopotamië, zodat dit de Urukperiode wordt genoemd. Gaandeweg ontwikkelde zich uit het protospijkerschrift het spijkerschrift en diende het niet slechts een economische rol. Steeds meer kwamen er lexicale lijsten bestaande uit benamingen voor beroepen, dieren, planten en objecten hielpen om schrijvers bekend te maken met de tekens.

Aan het einde van de Urukperiode verdwijnen de contacten tussen Uruk en de gebieden buiten Babylonië. Lokale culturen namen het daarbij over, waarbij het schrift verdween. Een uitzondering hierop was Susiana waar geen fragmentatie ontstaat, maar een proto-Elamitische staat ontstond met een proto-Elamitisch schrift, gebaseerd op dat van Uruk.

Wat er in Uruk zelf is gebeurd is onduidelijk. Uruk IV werd verwoest, waarna Uruk III werd gebouwd op deze laag. De tabletten uit deze Jemdet Nasr-periode zijn uitvoeriger dan eerder en hoewel het contact buiten Babylonië dus verdween, ontwikkelden binnen Babylonië meerdere centra zich naast Uruk, dat van belang bleef.

Vroeg-Dynastieke Periode (2900 - 2350 v.Chr.)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Vroeg-Dynastieke Periode (Mesopotamië) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tijdens de Vroeg-dynastieke Periode zag Babylonië de ontwikkeling van zo'n 35 stadstaten met elk een eigen godheid die de stad gesticht zou hebben, zoals Inanna in Uruk, Nanna in Ur en Enlil in Nippur. De stadstaten deelden een religieus systeem, waarbij Uruk een centrale rol speelde. Naast de eigen god is dan ook in veel steden een cultus rond Inanna te vinden. Op enig moment verschoof de cultus naar die van Nippur en werd Enlil de leidende godheid die deze tot in de achttiende eeuw v.Chr. zou behouden. Daarmee verwierf deze stad, die militair niet sterk was, een religieus gezag.

De Gierenstele beschrijft de overwinning van Lagasj op Umma. Deze zijde toont koning Eannatum die de strijd aanvoert. De andere zijde toont de godheid Ningirsu. Het laat daarmee de samenwerking tussen het militaire en het religieuze gezag zien.

Elke stad had het directe gebied rond zich in gebruik voor landbouw en het hoeden van vee. Aanvankelijk had elke stad voldoende ruimte, maar door bevolkingsgroei en mogelijk een droger klimaat kwam dit onder druk te staan en daarmee de relatie met de omliggende steden. Dit leidde tot conflicten waarbij aanvankelijk tijdelijk een militaire leider werd aangesteld. Gaandeweg ontstond er frictie tussen de geestelijke en de militaire leiders, waarbij de laatsten in veel gevallen steeds meer macht naar zich toe wisten te trekken. Zo kwam het tot een overgang van wat Goudsblom religieus-agrarische regimes noemde naar militair-agrarische regimes. Naast de tempels werden er nu ook paleizen voor koningen gebouwd.

De koningen beschouwden elkaar als gelijkwaardig, wat tot uiting kwam in onderlinge giften. Kisj lijkt daarbij wel enig gezag te hebben gehad over de andere steden, al was dit beperkt. Er was echter ook de nodige onderlinge strijd. Een conflict waarover relatief veel is overgeleverd, is dat tussen Umma en Lagasj. Mesilim, de koning van Kisj, zou rond 2600 v.Chr. de grens tussen de twee steden zou hebben aangeduid. Rond 2500 v.Chr. zou daarna het eerste conflict zijn ontstaan, wat daarna zeker 150 jaar zou voortduren. Doordat de bronnen beperkt zijn tot Lagasj is het moeilijk om hier de ware toedracht te achterhalen. Niet alle contacten waren echter vijandig. Ook andere steden streden tegen elkaar, waarbij steeds een stad de dominante rol in handen had. Dit resulteerde in een ideologie die stelde dat het goddelijke koningschap van Soemer circuleerde tussen de steden. Het idee dat er maar een goddelijke leider kan zijn, komt naar voren in de Soemerische Koningslijst waarbij dynastieën van verschillende steden na elkaar worden genoemd, ook als zij gelijktijdig regeerden. Lugalzagezi van Umma wist een flink deel van Soemer te veroveren en werd daarmee de laatste Soemerische koning.

Hoewel er met de stadstaten een politieke verdeeldheid was en er naast het Soemerisch ook een Semitische taal werd gesproken, was er wel een culturele eenheid. Het spijkerschrift ontwikkelde zich door het toenemend gebruik van lettergrepen steeds meer van logografisch schrift — waarbij hele woorden worden uitgedrukt met een eigen symbool, wat veel tekens vereist — tot een syllabisch schrift.

Naast de economische werken ontstond in deze periode ook een literair genre, zoals het Gilgamesj-epos, al is dat slechts bekend van versies uit latere periodes.

Hoewel het contact met de meeste regio's buiten Babylonië sterk afnam, werd het juist verstevigd met Dilmun in de Perzische Golf. Het lijkt erop dat dit op het eiland Bahrein was gelegen en het diende als doorvoerhaven voor koper — uit de mijnen van Magan, waarschijnlijk het huidige Oman — en hout.

Proto-Elamitische periode[bewerken]

Ten oosten van Babylonië was Susiana beïnvloed door Uruk en had onder meer het protoschrift overgenomen. Aan het einde van de Urukperiode verdween die invloed en ontstond een lokale cultuur, de proto-Elamitische cultuur, die meer beïnvloed werd door het Iraanse achterland. Hier verdween het schrift niet, zoals dat wel het geval was in de rest van het Nabije Oosten buiten Babylonië. Uit het protospijkerschrift van Uruk ontwikkelde zich het proto-Elamitisch, waarvan vooral in de stad Susa veel tabletten terug zijn gevonden.

Naast in het laagland Susa, die al in de Urukperiode van belang was, nam in het Zagrosgebergte ook Ansjan in belang toe. Dit zal nog geen staat zijn geweest die het gehele gebied beheerste, maar vanuit Babylonië werd dit al Elam genoemd. Lagasj kwam in conflict met Elam, waarschijnlijk vanwege de toegang tot de handelsroutes vanuit de Perzische Golf.

Ninevite V[bewerken]

In Assyrië verdween zoals gezegd het schrift. Hierdoor is er minder zicht op de ontwikkelingen, wat misschien onterecht minder aandacht tot gevolg heeft. Na de Urukperiode ontstonden hier lokale culturen, waarbij ten westen van de Eufraat geen regionale eenheid valt te onderscheiden.Ten oosten van de Eufraat ontstond wel een herkenbare cultuur, Ninevite V. Ook hier maakten stadstaten de dienst uit, zoals Ebla, Mari, Nagar en SHehna. Doordat hier geen irrigatie- maar permanente landbouw werd bedreven, had men een groter gebied nodig om dezelfde opbrengst te verkrijgen, wat maakte dat de stadstaten weliswaar een groter gebied besloegen, maar een lagere bevolkingsdichtheid hadden dan in Babylonië. Hier was het ook al vanaf het begin niet de tempel, maar het paleis dat de stad domineerde. Er zijn aanwijzingen voor een vergelijkbaar verband van handel en oorlog als in het zuiden, maar de details hiervan zijn onbekend. Wel is duidelijk dat Ebla veelvuldig in conflict was met Mari, waarschijnlijk vanwege de handelsroute naar Babylonië. Mogelijk had de stad Tuttul met zijn godheid Dagan een vergelijkbare rol als Nippur in het zuiden. Ook hier werden meerdere talen gesproken, met naast de Semitische talen ook het Hurritisch.

Oud-Akkadische periode[bewerken]

Akkadische Rijk
1rightarrow blue.svg Zie Akkadische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Hoewel de dynastie van Akkad op dezelfde manier als de voorgaande dynastieën in de Soemerische Koningslijst is opgenomen, is er een groot verschil. Waar eerdere dynastieën eerste onder gelijken waren, kwam er tijdens de Oud-Akkadische of Sargonidische periode een einde aan het stelsel van stadstaten. Sargon van Akkad wist vanuit Kisj niet alleen het Soemer van Lugalzagezi te onderwerpen, maar voerde ook veldtochten uit om de hele vruchtbare sikkel aan zich te onderwerpen. Daarbij veroverde hij Tuttul, vernietigde Mari en Ebla en drong door tot aan het cederwoud van Libanon en de zilverberg, de Taurus. Of zijn gezag hier blijvend gevestigd werd, is twijfelachtig, aangezien zijn kleinzoon Naram-Sin hier ook weer veldtochten moest voeren. Mogelijk waren het dan ook niet meer dan rooftochten.

Onder Sargon begon een politiek van centralisatie, zowel politiek, economisch als ideologisch. De koningen van de oude stadstaten werden als gouverneur aangesteld, waarbij de betekenis van ensi mee veranderde van koning naar gouverneur. Dit was niet altijd een succes, omdat hierdoor oude machtsstructuren intact bleven met de nodige opstanden tot gevolg.

Er kwam ook een nieuw belastingsysteem waarbij elke stad een deel van de inkomsten naar Akkad moest sturen. Om de administratie hiervan te vereenvoudigen, werd een standaardisatie in gang gezet met onder meer de gur, een inhoudsmaat die overkomt met ongeveer 300 liter. Ook werden er jaarnamen ingevoerd, waarbij de naam werd afgeleid van een belangrijke gebeurtenis uit het voorgaande jaar. Hoewel plaatselijk het Soemerisch wel in gebruik bleef, werd voor officiële stukken het Akkadisch verplicht.

Om ook het cultussysteem te verenigen, stelde Sargon zijn dochter aan als hogepriesteres van Nanna in Ur, waarbij zij de Soemerische naam Enheduanna aannam. Van haar zijn de tot nu toe oudst bekende literaire teksten waarvan de auteur bekend is. Zo'n vijfhonderd jaar lang zou het priesterschap van Nanna een belangrijke indicatie blijven van politieke macht in Babylonië.

Rimush, de opvolger van Sargon, wist ook Susa onder zijn beheer te krijgen, om daarna ook daar een centralisatie in te zetten en het Akkadisch in te voeren. In latere periodes lijkt Susa echter een bepaalde mate van autonomie te hebben gekend. Ook voor andere gebieden buiten Babylonië lijkt dat te gelden.

Overwinningsstele van Naram-Sin, waarbij Naram-Sin met gehoornde helm naast de berg Lullubi veel groter is weergegeven dan zijn tegenstanders, waarvan er een in de onderwereld valt.

De Akkadische koningen probeerden in toenemende mate hun aanzien te vergroten. Dat begon bij Sargon met zijn naam, in het Akkadisch Sjarru-kin, wat staat voor de koning is legitiem of ware koning. Onder hem kreeg koning van Kisj de betekenis van koning van de wereld, waarbij het goed uitkwam dat Kisj leek op de Akkadische term voor wereld, kisjsjatum. Naram-Sin liet zich na het neerslaan van een grote opstand zelfs tot godheid verheffen.

Niet alleen intern, maar ook extern moest het rijk zich regelmatig verdedigen. Zo lijkt Marhasi tijdens de regering van Sharkalisharri Elam te hebben veroverd, waarna dezen gezamenlijk optrokken tegen Akkad. Ook de Gutaeërs, een bergvolk uit het oosten, vestigden zich niet alleen in Babylonië, maar vielen het regelmatig aan. De regering van Sharkalisharri eindigde dan ook in chaos en zagen de koningen van de Gutaeërs zichzelf als erfgenamen van de dynastie van Akkad. Erridupizir noemde zichzelf naast koning van Gutium ook koning van de vier windstreken. In werkelijkheid keerde echter het systeem van onafhankelijke stadstaten weer terug, zoals Lagasj en Akkad zelf, waar de dynastie van Sargon aan de macht bleef.

Buiten Babylonië konden zich enkele kleine staten ontwikkelen, zoals in het noorden van Assyrië een klein koninkrijk Urkesh en Nawar van Hurritisch-sprekenden. In Mari begon mogelijk rond deze tijd al de shakkanakku-dynastie, de dynastie der generaals. Susa was de hoofdstad van het onafhankelijke Awan van Puzur-Inshushinak uit de Awan-dynastie. Uit deze periode zijn enkele linear-Elamitische teksten gevonden. Wat verder weg lagen Dilmun (waarschijnlijk de streek van Koeweit tot Bahrein) en Magan (de Emiraten en Oman) waarmee handel gedreven werd en soms zelfs expedities naartoe gestuurd werden. Ook met Meluhha, mogelijk de cultuur van Harappa was contact.

De eeuw van Akkadische heerschappij en invloed over een groot deel van het Nabije Oosten bleef ook lang daarna tot de verbeelding spreken en daarbij vooral Sargon en Naram-Sin, al kreeg vooral de laatste ook al snel de nodige kritiek.

Ur III[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Derde dynastie van Ur voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Zo'n vijftig jaar nadat Sharkalisharri was verdreven wist Utu-hegal van Uruk de Gutaeërs te verdrijven en het koningschap in het zuiden van Babylonië weer in Soemerische handen te brengen. Na hem wist zijn broer Ur-Nammu heel Babylonië onder zich te brengen met Ur als zijn hoofdstad. Hij breidde zijn macht ook daarbuiten uit in Diyala, wat hem in conflict bracht met het Awan van Puzur-Inshushinak. Ur-Nammu wist echter ook Susa in te nemen en begon daarmee de Derde dynastie van Ur.

Hoewel het gebied onder Ur III kleiner was dan dat van Akkad, wist het wel een grotere centralisatie tot stand te brengen. Dit vond zijn hoogtepunt onder Shulgi die 48 jaar lang regeerde. De kern bestond uit Babylonië en Diyala, die bestuurd werden door gouverneurs of ensi. De militaire leiding lag in handen van generaals of shagina. Elke provincie moest volgens het bala-systeem belasting afdragen aan de dynastie, van waaruit het werd verdeeld. Dit bracht een enorme administratie met zich mee, waarvan een groot deel is overgeleverd. Dit maakt dat deze periode beter beschreven is dan vrijwel elke andere uit de Oudheid. Hiermee dreigt enerzijds een bovenmatige aandacht voor deze periode ten koste van de omliggende gebieden, en anderzijds te weinig aandacht voor zaken die buiten de overheidstaken vielen.

Het gebied ten oosten van het kerngebied, waaronder Susa, werd als wingewest bestuurd. Puzrish-Dagan bij Nippur werd door Shulgi gesticht om de opbrengsten uit dit gebied te verzamelen. Daarbuiten werden rooftochten gehouden, maar werd ook via huwelijken met koningsdochters gepoogd om deze Iraanse gebieden te vriend te houden. Ten opzichte van de gebieden in het noorden en westen werd dan weer een diplomatieke houding aangenomen. In Assyrië nam de verstedelijking ook af en mogelijk groeide hier het semi-nomadische bestaan.

Zoals in de Akkad-periode werden dochters en zonen van koninklijke huize aangesteld als priesters van belangrijke cultussen om daarmee een eenheid te scheppen. Koningen werden ook als godheden beschouwd. Uiteindelijk onttrokken zich echter steeds meer steden aan de bala. Tijdens de regering van Ibbi-Sin werd Elam veroverd vanuit Shimashki. Dat betekende niet direct het einde van Ur, tot twee decennia later Ibbi-Sin werd afgevoerd naar Elam.

In deze periode ontstond een nieuwe literaire vorm, de hymne waarin de koning lof werd toegezongen. Na de val lijkt Ur echter grotendeels vergeten door de generaties daarna. Als er al werd geschreven over Ur, dan werden niet de heldendaden van de koningen beschreven zoals wel bij Sargon en Naram-Sin, maar werd de neergang beschreven, zoals in de Rouwklacht over de verwoesting van Ur.

Babylonië en Assyrië[bewerken]

Na Ur III brak in het gehele Nabije Oosten een periode aan van wedijverende stadstaten, waarvan er altijd enkele dominant waren, maar nooit in staat om het gehele gebied in handen te krijgen. Dit zou vier eeuwen lang het beeld blijven tot de val van Babylon. In Babylonië verjoeg Ishbi-Irra, een voormalige gouverneur van Ibbi-Sin, vanuit Isin de Elamieten uit Ur maakte daarna aanspraak op de titel van koning van Ur. Daarmee zou heel Babylonië onder hem vallen, maar steeds meer steden onttrokken zich aan het gezag van de Eerste dynastie van Isin. Naast Isin groeide Larsa uit tot grote macht in het zuiden, terwijl in het noorden de macht van Babylon groeide. Verder naar het noorden groeiden Eshnunna en Assoer in belang. Voor al deze steden bleef Nippur het religieuze centrum, dat ook bepaalde wie koning van Soemer en Akkad was. Onder Rim-Sin groeide Larsa uit tot de machtigste stad in het zuiden, waarbij centralisatie van het bestuur bijdroeg aan de interne stabiliteit. Dit zou echter niet voldoende zijn om aan de expansiezucht van Hammurabi van Babylon te ontsnappen, die in 1763 v.Chr. het zuiden van Babylonië wist te onderwerpen, een jaar later gevolgd door Eshnunna.

Hammurabi was een Amoriet, een verzamelnaam voor semi-nomadische pastoralisten uit het westen. Dit was geen homogene groep en een deel vestigde zich ook permanent in dorpen en steden. Ze waren semi-nomadisch, omdat zij in de drogere zomer met hun kuddes in dorpen bij de rivier woonden en in de winter hun kuddes lieten grazen op de steppe. Daar waar de dorpen zich in de buurt van een stad bevonden, vielen zij veelal onder die stad en moesten zij belasting afdragen en manschappen leveren. Groepen die daarbuiten vielen werden door de steden nog wel eens negatief afgeschilderd als roversbendes. Door het ontbreken van documenten van de Amorieten is dit echter een eenzijdige beeld. Zoals in Babylon kwamen er in meerdere steden Amorieten aan de macht. Dit resulteerde echter niet in een Amoritische cultuur. Men hield het Akkadisch aan als schrijftaal en het Amoritisch is slechts bekend van Amoritische namen in Akkadische teksten. Ook verder namen de nieuwe heersers de bestaande cultuur over.

Waar Ur III een sterk staatsgeleide economie kende, werd dit in deze periode in toenemende mate uitbesteed aan tussenpersonen, bijna voor te stellen als een vroege vorm van privatisering. Zo werd het land niet meer bewerkt door boeren in dienst van de overheid, maar werd het land verpacht voor een minimale opbrengst van het land. Ook het innen van belastingen en pacht werd uitbesteed, waarbij deze tussenpersonen de inningen veelal verkochten en omzetten in zilver waarvan zij een deel hielden als verdienste. Het voordeel hiervan was dat deze tussenpersonen niet gebonden waren aan een dynastie, zoals onder Ur III wel het geval was. Het systeem bleef dan ook in stand zodra er een nieuwe dynastie aan de macht kwam, wat de economische voorspoed ten goede kwam. Het systeem werkte uiteindelijk echter niet goed, doordat de inningen zo hoog waren, dat er na een misoogst al snel te weinig overbleef voor eigen gebruik. Er konden dan leningen worden aangegaan bij de tussenpersonen, waarvan de rente echter zeer hoog kon zijn. Dit gaf aanleiding tot meerdere nietigverklaringen van schulden door koningen, zoals onder Ammisaduka van Babylon, om de crisis te boven te komen.

Na verdreven te zijn uit Ur, voorkwam de macht van Isin dat Elam veel invloed uit kon oefenen in het zuiden van Babylonië. Toen na een eeuw echter de macht van Isin afnam, kreeg Elam te maken met aanvallen vanuit Larsa, waarop de Elamieten bondgenootschappen aangingen met Isin, Uruk en andere steden. In het noorden van Babylonië nam Elam in 1766 v.Chr. deel aan een coalitie van Babylon en Mari tegen Eshnunna en nadat deze was verslagen, reikte de invloed van Elam tot in het noorden van Assyrië. Ook hier was het echter Hammurabi die in 1764 v.Chr. met Yamkhad en Mari een einde maakte aan de macht van Elam.

Het rijk van Sajmsji-Adad I

In Assyrië was in deze een vergelijkbaar patroon te zien als in Babylonië, met veel onafhankelijke stadstaten. Assoer in het zuiden was hier de spil in een groot handelsnetwerk voor tin uit het oosten, textiel uit Babylonië en zilver en goud uit Anatolië. In Anatolië hadden zich Assyrische handelaren gevestigd in een karum, een handelsnederzetting, in Kanesh, waarvan veel correspondentie is teruggevonden in de vorm van kleitabletten. Aangezien Assoer tijdens deze Oud-Assyrische periode weinig overwicht had ten opzichte van zijn buren, werden er verdragen gesloten om de doorgang van handelaren naar Anatolië, Babylonië en Iran mogelijk te maken. In 1807 v.Chr. greep Sjamsji-Adad I de macht in Assoer en begon hij zijn Koninkrijk van Opper-Mesopotamië uit te bouwen.

Na de shakkanakku-dynastie in Mari kwam er daar een einde aan de voorspoed en mogelijk zelfs de bewoning. Halverwege de negentiende eeuw v.Chr. kwam er echter een nieuwe dynastie van waarschijnlijk Amoritische afkomst, ook wel Lim-dynastie genoemd. Onder Yahdun-Lim breidde Mari zijn grondgebied flink uit, maar hij werd vermoord door zijn eigen dienaren. Enkele jaren later wist Sjamsji-Adad Mari te veroveren en toe te voegen aan zijn koninkrijk. Na diens dood viel het rijk echter uit elkaar, waarna Zimri-Lim (ca. 1775-1762) de macht greep in Mari. De Mari-brieven die werden gevonden in het paleis van Zimri-Lim beschrijven niet alleen Mari, maar daarnaast ook de economische, politieke, culturele en religieuze verhoudingen met de staten van het Nabije Oosten, zodat door deze brieven een voor deze tijd ongekende mate van details bekend zijn. Ondanks of misschien juist door deze bloeiperiode kwam het definitieve einde van deze dynastie in 1761 v.Chr. als gevolg van de expansiezucht van Hammurabi, zelfs al was Zimri-Lim altijd een trouwe bondgenoot geweest.

Yamkhad rond Aleppo was lang in conflict met de stad Qatna dat gesteund werd door Sjamsji-Adad. Na diens dood wist Yarim-Lim I het gebied van Yamkhad uit te breiden tot aan de grenzen van Mari, waar zijn schoonzoon Zimri-Lim op de troon zat. Ook Yamkhad was aanvankelijk een bondgenoot van Hammurabi, tot deze Mari veroverde. Door de afstand liep Yamkhad zelf echter geen gevaar en bleef het de belangrijkste macht in het noordwesten van Assyrië, waar het lang de Hettieten uit Anatolië tegenhield, tot Mursili I in 1595 v.Chr. de stad wist te veroveren. In de rest van noordelijk Mesopotamië ging het na 1720 v.Chr. economisch steeds slechter en ontvolkten hele steden.

Oud-Babylonische periode[bewerken]

Hammurabi's Babylonië.svg
1rightarrow blue.svg Zie Oud-Babylonische periode voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Babylon bestond al tijdens de Akkadische periode en had langzaam zijn invloed uitgebreid naar steden als Sippar, Kisj, Dilbat en Marad. Gelegen tussen Eshnunna, Larsa en het Koninkrijk van Opper-Mesopotamië was het aanvankelijk echter van weinig belang. Aan het begin van de regeerperiode van Hammurabi (1792-1750 v.Chr.) was deze mogelijk zelfs ondergeschikt aan Sjamsji-Adad. Door diplomatiek en oorlogsvoering wist hij zijn invloed steeds meer te vergroten en Eshnunna, Larsa en Mari aan zijn rijk toe te voegen en Elam te verslaan. Hoewel hij in Assyrië voorbij Mari geen blijvende successen boekte, was hij aan het einde van zijn regeerperiode de machtigste koning van Mesopotamië. Dit was het begin van de Oud-Babylonische periode en zo'n 1500 jaar van dominantie over zuidelijk Mesopotamië. Zijn bekendste monument is Codex Hammurabi, dat niet zoals lang gedacht een codificatie was, maar waarmee Hammurabi zichzelf neerzette als koning van de rechtvaardigheid op wie men kon vertrouwen als men onrecht was aangedaan. Het omvatte besluiten van vroegere individuele gevallen, die vaak door hun hardheid werden gekenmerkt.

Na de dood van Hammurabi verloor zijn opvolger Samsuiluna de macht over het zuiden van Babylonië. Economisch ging het daar echter slecht en begon voor Soemer een donkere periode onder de dynastie van het Zeeland. Een onbedoeld gevolg hiervan was dat kleitabletten, die normaal gesproken steeds werden hergebruikt, nu achter werden gelaten, wat het veel heeft bijgedragen aan het onderzoek over deze periode. Het noorden van Babylonië bleef welvarend en de opvolgers van Hammurabi regeerden nog zo'n anderhalve eeuw over dit gebied, langer dan Ur III. Dit lijkt een relatief stabiele periode te zijn geweest, waarvan het omringende gebied weinig bewoning kende. Wel kregen de Babyloniërs in toenemende mate te maken met een tot dan toe onbekende groep, de Kassieten, die later aan de macht zouden komen in Babylon. De enige machten vergelijkbaar met Babylonië lagen ver weg, Yamkhad in het noordwesten van Assyrië en het Oud-Hettitische Rijk in Anatolië. Die waren regelmatig met elkaar in conflict, wat uiteindelijk ook het einde betekende van de Oud-Babylonische periode toen Hettietenkoning Mursili I in 1595 v.Chr. niet alleen Yamkhad versloeg, maar doortrok naar Babylon en dit plunderde. Hiervan profiteerden de Kassieten door de macht over te nemen.

Hierna brak een donkere periode aan, waarvan de lengte betwist wordt. Aanhangers van de lange chronologie zien dit als een lange periode met grote culturele verschillen tussen de Oud-Babylonische periode en de Late Bronstijd. De aanhangers van de korte chronologie zien een korte periode met vooral culturele continuïteit en zien het minder als een donkere periode, dan wel als een periode waarvan weinig bronnen zijn overgeleverd. Tijdens deze periode verkregen de Kassieten en de Hurrieten politieke dominantie. Hun culturele invloed was gering, doordat zij assimileerden in de bestaande culturen, wat vooral gold voor de Kassieten in de dominante Babylonische cultuur. De Hurrieten waren waarschijnlijk wel verantwoordelijk voor een belangrijke technologische innovatie, het gebruik van paarden met strijdwagens. Daarnaast zijn er waarschijnlijk ook innovaties geweest op het gebied van de zeevaart, waardoor er een uitgebreid handelsnetwerk ontstond in de oostelijke Middellandse Zee.

De Late Bronstijd, The Great Powers' Club[bewerken]

Einde van de Late Bronstijd.

Na de donkere periode ontstond wat Liverani een internationaal systeem noemde van de The Great Powers' Club en Cline het 'Gouden Tijdperk' van internationalisme en mondialisering gedurende de Late Bronstijd. Waar eerder nog vooral sprake was van stadstaten — met soms weliswaar verregaande invloed — kan er in deze periode steeds meer gesproken worden van territoriale staten met een sterk centraal gezag, zoals in Egypte al veel langer het geval was. De grote mogendheden waren het kassitisch Babylon, het Nieuw-Hettitische Rijk of Hatti in Anatolië, Mittani en daarna Assyrië in noordelijk Mesopotamië, en Egypte. Daarnaast waren er kleinere staten, zoals Elam in het oosten en in het Aegeïsche gebied in het westen Mycene, dat soms ook wel tot de grote mogendheden werd gerekend. Daarnaast waren er nog stadstaten, zoals in het het Syro-Palestijnse kustgebied, die afhankelijk waren van een van de grote mogendheden.

Na de neergang in de zestiende eeuw v.Chr. met een afnemende verstedelijking en een toename van pastoralisten, zag het einde van deze eeuw een ommekeer. Door het vrijwel ontbreken van bronnen uit deze donkere periode, is het moeilijk te duiden wat hier de oorzaken van zijn geweest. Uit het verbrokkelde politieke landschap ontstonden echter territoriale staten die aan elkaar gewaagd waren. Naast een uitgebreid handelsnetwerk, ontstond ook een intensief diplomatiek verkeer. Het bekendste verdrag van deze periode is het verdrag van Kadesh (1259 v.Chr.) tussen Hattusili III van Hatti en Ramses II van Egypte, vijftien jaar na de Slag bij Kadesh. Deze slag zag mogelijk het grootste aantal strijdwagens ooit. Dit was de bezegeling van een lange periode van een niet-rechtstreekse strijd tussen de Hettieten en Egypte, waarbij de eersten hun invloed over vazalstaten in de Levant steeds verder zuidwaarts wisten uit te breiden.

Ramses trouwde een dochter van Hattusili, die daarna de Eyptische naam Maathorneferure kreeg. Ook dit soort dynastieke huwelijken vond veelvuldig plaats. Een poging daartoe mondde in de eeuw daarvoor uit in de zaak-Zannanza, waarbij een weduwe van de Egyptische koning aan Suppiluliuma I schreef met het verzoek om een van zijn zonen als huwelijkskandidaat te sturen. Toen Zannanza vermoord werd, was dit aanleiding tot een reeks veldslagen in de Levant waarbij Suppiluliuma veel vazalstaten van Egypte aan zich wist te onderwerpen.

Uniek aan deze periode is dat er niet alleen veel correspondentie bewaard is gebleven, maar ook in de verschillende staten, soms over hetzelfde onderwerp. Dit maakt het mogelijk om situaties vanuit meerdere gezichtspunten te bekijken. Uitzonderingen hierop zijn Mittani, waarvan vrijwel geen documenten zijn overgeleverd, en de Syro-Palestijnse steden. De belangrijkste collectie zijn de Amarna-brieven die zijn gevonden in Achetaton, tegenwoordig Amarna geheten. Hieruit blijkt dat de koningen van de grote mogendheden in veelvuldig contact met elkaar stonden en elkaar als gelijken, als broeders beschouwden. Dit werd bekrachtigd met giften waarbij een evenwichtige wederkerigheid gold, er werd een gelijkwaardige tegenprestatie verwacht. Daarnaast was er ook correspondentie met de ondergeschikte koningen van de Syro-Palestijnse steden, die als zonen werden aangeduid. Tussen de elites van de verschillende staten bestond er dan ook een grotere overeenkomst dan met de onderdanen. In Assyrië heette deze elite maryannu, wat aanvankelijk de strijdwagenkrijgers van Mitanni waren. De scheiding tussen elite en onderdanen werd ver doorgevoerd, zoals met de bouw van nieuwe hoofdsteden:

Van het uitgebreide handelsnetwerk getuigt onder meer het schip van Uluburun dat is gevonden aan de zuidwestkust van Anatolië. De grote verscheidenheid aan goederen maakt dat het niet mogelijk is om de herkomst van het schip af te leiden, wat een aardige indicatie is van de internationalisering gedurende deze periode. Een belangrijke spil hierin was Ugarit.

Het economische systeem leek op dat van de voorgaande periode, alleen ontbrak het aan de nietigverklaringen van schulden. Een groter deel van de bevolking verviel dan ook tot schuldslavernij. Veel groepen ontvluchtten deze situatie dan ook om zich te vestigen buiten het bereik van hun heerser. Dit verlies aan mankracht verzwakte de staten, zodat in veel verdragen dan ook de clausule is opgenomen dat vluchtelingen over worden gedragen aan hun oorspronkelijke heerser. Desondanks is het waarschijnlijk dat deze vlucht voor schuldslavernij bij heeft gedragen aan het uiteindelijke instorten van het systeem.

Mitanni[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Mitanni voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De geschiedenis van Mitanni is lastig te achterhalen, omdat er vrijwel geen eigen teksten zijn overgeleverd en men overgeleverd is aan verslagen van buurlanden. Daarnaast is ook de chronologie lastig te bepalen. Na de ineenstorting van Amoritisch Babylon wisten de Hurrieten in ieder geval het machtsvacuüm in Assyrië te vullen en aan het einde van de donkere periode was Mitanni de machtigste staat in Mesopotamië en de enige die in staat was de Egyptische opmars te stuiten.

Na de aanvankelijke strijd tussen Egypte onder Amenhotep II en het Mitanni van Shaushtatar ontstond een alliantie tussen de twee staten, waarbij de nodige Hurritische prinsessen uitgehuwelijkt werden aan de farao's. Mitanni begon echter uiteen te vallen na de dood van Shuttarna II. Tushratta werd, waarschijnlijk zeer jong en voorbestemd om slechts als stroman te dienen, op de troon geplaatst door de onbekende moordenaar van zijn broer Artashumara. Amenhotep III van Egypte nam aanstoot aan deze situatie en had alle diplomatieke relaties verbroken tot Tushratta er in slaagde de moordenaar terecht te stellen.

Artatama II, een andere broer en rivaal van Tushratta, was echter ondertussen een verbond aangegaan met de Hettitische koning Suppiluliuma I. Deze laatste viel Mitanni binnen om daar de vazalstaten in het westen onder zich te brengen. Zo werd Artatama koning van de Hurri, terwijl Tushratta koning van Mitanni was. Uiteindelijk werd Tushratta vermoord door een groep onder leiding van mogelijk Shuttarna III, zoon van Artatama II. Shuttarna verving zijn bondgenootschap met Hatti door dat met de opkomende staat van het Midden-Assyrische Rijk. Dit wekte de wrevel van Suppiluliuma die daarop Shattiwaza, een zoon van Tushratta, op de troon van Mitanni plaatste. Zo was het eens machtige Mitanni verdeeld in een Hettitische vazalstaat in het westen en een Assyrische vazalstaat in het oosten.

Nieuw-Hettitische Rijk[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Hettieten voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Van de Hettieten zijn juist relatief veel teksten overgeleverd, vooral in de hoofdstad Hattusa in centraal Anatolië. Verdragen gaven vaak ook de verhoudingen met de betreffende staat weer uit het verleden, al zijn dit naar de aard sterk gekleurde verslagen. De chronologie is echter moeilijk, onder meer doordat veel koningen dezelfde namen hadden, zonder de moderne nummering. Jaartallen zijn daarom altijd slechts bij benadering. Na de bloeiperiode van het Oud-Hettitische Rijk kenden ook de Hettieten een zwakke periode, waaraan onder Suppiluliuma I een einde kwam, wat het begin markeert van het Nieuw-Hettitische Rijk of Hatti. Suppiluliuma wist de Hettitische invloed vooral richting het zuiden uit te breiden, waarbij het westen van Mitanni een vazalstaat werd en de Egyptische invloed terug werd gedrongen tot voorbij Damascus. Onder Mursili II werd Arzawa in het westen van Anatolië verslagen en werden de Kaskiërs in het noorden aangevallen. Deze laatsten bleven echter een gevaar en wisten tijdens de regeerperiode van Muwatalli II Hattusa in te nemen. In het zuiden had Muwatalli meer succes tijdens de slag bij Kadesh. Zijn broer, de latere koning Hattusili III, wist Hatussa en de heilige plaats Nerik terug te veroveren.

Ruim een eeuw na de dynastieke problemen in Mitanni begonnen in Hatti vergelijkbare zaken te spelen. Koning Tudhaliya IV, zoon van Hattusili, kreeg te maken met aanspraken op de troon van Kurunta, een broer van Mursili III, die mogelijk ook even koning is geweest. Tudhaliya wist de troon uiteindelijk te behouden, maar had daarnaast te maken met opstanden in het westen van onder meer Ahhiyawa, waarschijnlijk Myceners, en aanvallen van Tukulti-Ninurta I van Assyrië. Onder Suppiluliuma II kwam er een einde aan het Hettitische rijk.

Net als Mitanni was Hatti geen culturele en politieke eenheidsstaat, maar bestond uit vazalstaten rond het kerngebied in Anatalië. Deze vazalliteit is wel vergeleken met dat tijdens de Europese Middeleeuwen. Lokale dynastieën bleven veelal aan de macht en wisselden dan ook nog wel eens naar een andere staat. Ook werden er verschillende talen gesproken en geschreven, zoals Hattisch, Hettitisch, Hurritisch, Palaïsch en Luwisch. Ook Soemerische en Akkadische teksten zijn aangetroffen.

Levant[bewerken]

De Levant lag ingeklemd tussen de grootmachten en was politiek versplinterd. In de Amarna-brieven is correspondentie gericht aan de farao aangetroffen van zo'n veertig vazallen uit dit gebied, waaronder welvarende steden als Ugarit, Alalakh en Emar. Het gebrek aan samenhang maakte de steden een speelbal voor de omringende landen, aan wie dan ook afwisselend trouw gezworen werd. De macht van Mitanni reikte aanvankelijk tot aan Kizzuwatna in het westen en Kadesj in het zuiden. Onder de achttiende dynastie begon Egypte echter aan een opmars en wist de macht uit te breiden tot aan Ugarit aan de kust en Kadesh landinwaarts. Egypte liet het bestuur niet slechts over aan vazallen, maar richtte drie provincies in, Amurru, Upe en Kanaän, met elk een Egyptische beambte naast de lokale dynastie.

Nadat Suppiluliuma rond 1340 v.Chr. Mitanni wist te onderwerpen, werd de Egyptische invloed teruggedrongen. Na een relatief stabiele periode deed Egypte onder de negentiende dynastie de invloed weer uit te breiden, maar met de slag bij Kadesh werd dit verhinderd. In dit klimaat wisselenden de lokale koningen met enige regelmaat van heer, soms gedwongen, maar andersom kon ook een mogendheid voor een voldongen feit staan als een machtige lokale koning zich bij hem aanbood. Dit was waarschijnlijk het geval bij Aziru van Amurru die zijn gebied uit wist te breiden onder farao Achnaton, maar zich aansloot bij Suppiluliuma toen deze naar het zuiden oprukte.

Het gebied kende grote welvaart voor de elite, maar ook hier kwam rond 1200 v.Chr. een einde aan het bestaande systeem. Ugarit lijkt tussen 1190 en 1185 verdwenen te zijn, net als Emar kort daarna. Uit de Ugaritische brieven blijkt dat de Zeevolken de stad al langere tijd aanvielen en de neergang zal hier zeker mee te maken hebben gehad. Hoewel een aantal steden wist te overleven, weliswaar met minder welvaart, verdween de Levant hierna voor enkele eeuwen uit de annalen.

De literatuur uit deze periode is vooral teruggevonden in Ugarit, maar ook in onder meer Emar. In de teksten uit Ugarit wordt een godenwereld beschreven met een belangrijke rol voor de stormgod Baäl, waarbij de Baäl-cyclus verhaalt over zijn overwinning op de chaos. Ook zijn er epische gedichten over mythische koningen, zoals het epos van Keret. Dit was niet alleen een verklaring voor het ontstaan van een dynastie, maar ook een vorm van voorouderverering. Deze teksten waren geschreven in het Ugaritisch in het Ugaritisch schrift, het spijkerschrift van die stad dat een van vroegste alfabetische schriften is.

Arbeid was schaarser dan land en dit stimuleerde zoals vaker in de geschiedenis lijfeigenschap. Schuldslavernij kwam dan ook veelvuldig voor en ook hier werd dit op grote schaal ontvlucht. Op deze manier ontstond een groep die de banden met de gemeenschap verbroken had, de habiru. Deze naam duikt op in het hele Nabij Oosten en ook in de Amarna-brieven. Het was geen homogene etnische groep, maar een sociale groep. Afhankelijk van de bron en het tijdperk werden deze mensen als weinig constructief en eerder als storende amok makende elementen in en rond de gevestigde samenleving benoemd, als nomaden of semi-nomaden, rebellen, vogelvrij verklaarden, roversbenden, huurlingen, dienstvolk of slaven, zich verplaatsende werklieden. Deels vindt dit zijn oorsprong in de gekleurde beschrijvingen van stadsbewoners. Anderzijds werden ze door de elite ook wel als nuttig beschouwd, vooral als huurlingen. Zo wist Idrimi met de hulp van de habiru koning te worden van Alalakh.

Kassitisch Babylon[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Babylon III voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Kassitische dynastie maakten gebruik van het machtsvacuüm dat ontstaan was toen Hettietenkoning Mursili I in 1595 v.Chr. Babylon plunderde en de Amoritische dynastie ten val bracht. Net als de Amoriten hadden de Kassieten weinig culturele invloed, maar de sociale structuur werd wel veel meer ingericht volgens familie- en stamverband, zoals bij de Kassieten gebruikelijk. Het ontbreken van wortels in Babylon bevorderde waarschijnlijk de ideologie van de territoriale staat in plaats van die van een dominante stad-staat. Rond 1475 v.Chr. wist Ulamburiash een einde te maken aan de dynastie van het Zeeland in het zuiden en daarmee heel Babylonië voor het eerst sinds Hammurabi weer te verenigen. De macht van de staat blijkt wel uit de bouw van een nieuwe hoofdstad, Dur-Kurigalzu. Archieven die terug zijn gevonden in Nippur laten eensterk gecentraliseerde staat zien. De gouverneur had daarbij naast zijn seculiere taken ook het priesterschap van Enlil in handen. Net als in eerdere tijden, gaf dit een religieus gezag waardoor de gouverneur slechts de koning van Babylonië boven zich geplaatst zag. En hoewel Babylonië daarmee weer een van de grote mogendheden van het Nabije Oosten was, was het niet meer de enige of zelfs belangrijkste, zoals in het verleden. Deze realiteit drong niet altijd even goed door en zo kon Burnaburiash II zich erover beklagen dat Assur-uballit I rechtstreeks correspondeerde met Egypte, terwijl Assyrië een vazal zou zijn van Babylonië. In werkelijkheid was Assur-uballit echter zo machtig dat Burnaburiash diens dochter als hoofdvrouw nam. Wel had Babylonië nog het prestige en zochten heersers legitimatie van hun gezag door goede betrekkingen aan te gaan met de koning van Babylonië. Uiteindelijk kwam de dynastie echter steeds meer onder druk te staan. Kashtiliash IV werd zelfs afgezet door de Assyrische koning Tukulti-Ninurta I, waarna een marionettenregering aan de macht kwam. De Kassieten wisten daarna weer aan de macht te komen, maar in 1155 v.Chr. maakte Elam een einde aan de Kassitische dynastie en werd het beeld van Mardoek afgevoerd naar Susa. De macht kwam daarna in handen van de Tweede dynastie van Isin waarvan Nebukadnezar I de belangrijkste koning was. Hij wist het beeld van Mardoek terug te brengen, maar de neergang van Babylonië liet daarna niet lang op zich wachten

Hoewel zij met het Kassitisch hun eigen taal hadden, zijn de Kassieten zeer belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de Akkadische literatuur. Hierbij ontwikkelde zich het Standaard-Babylonisch, afgeleid van het Akkadisch. Ook militaire en religieuze gebeurtenissen inspireerden deze literatuur, waaronder die rond het beeld van Mardoek. Het bekende scheppingsverhaal Enoema Elisj is waarschijnlijk gebaseerd op het terughalen van Mardoek door Nebukadnezar. De Babylonische literatuur zou van grote invloed blijven in het Nabije Oosten.

Midden-Assyrische periode[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Midden-Assyrische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Assyrische geschiedenis is niet ingedeeld in dynastiën, aangezien deze niet te onderscheiden zijn in de koningslijsten. In plaats daarvan wordt wel een onderverdeling gemaakt van Oud-, Midden- en Nieuw-Assyrische periodes, die meer is gebaseerd op de ontwikkeling van de Assyrische taal. Een belangrijke bron vormen de Assyrische koninklijke annalen, waarin de nadruk ligt op de militaire prestaties van de koningen. Dit betekent overigens niet dat de Assyriërs oorlogszuchtiger waren dan hun buren.

Assur lag na de donkere periode in de invloedssfeer van Mitanni en was mogelijk een vazalstaat. Met uiteenvallen van Mitanni kon de stadstaat zijn macht uitbreiden en dat gebeurde dan ook onder Assur-uballit I. Hij wist het oostelijke deel in te lijven en vernietigde daarbij waarschijnlijk ook Nuzi en Arrapha, terwijl de Hettieten van het westelijke deel van Mitanni een vazalstaat maakten. De dood van Assur-uballit betekende een tijdelijke teruggang, maar onder Adad-nirari I, Salmanasser I en Tukulti-Ninurta I werd Assyrië een geduchte macht. Dit resulteerde in veelvuldige conflicten met de Hettieten. Aan deze voorspoedige periode kwam een einde met de moord op Tukulti-Ninurta door diens eigen zoon. Een periode van onrust brak aan, waarvan de Arameeërs gebruik maakten door de nodige steden te veroveren. Onder Assur-resh-ishi I en Tiglat-Pileser I zag Assyrië een opleving en leek de neergang die de buurlanden hadden gezien aan hen voorbij te gaan, maar niet lang daarna verdween Assyrië een eeuw lang uit de annalen.

Op het toppunt van zijn macht liet Tukulti-Ninurta na een conflict met priesters in Assur zijn eigen stad bouwen, Kar-Tukulti-Ninurta. Na zijn dood verviel deze enorme stad echter tot secundaire status. Uit zijn periode zijn ook de Midden-Assyrische wetten bekend. Net als de Codex Hammurabi werden ook deze gekenmerkt door hun hardheid. Daarnaast valt de volledige afhankelijkheid van vrouwen op. Getrouwde vrouwen mochten slechts met sluier de straat op, terwijl het prostituees en slavinnen juist verboden werd op straffe van vijftig slagen en het gieten van pek over het hoofd. Ook iedereen die op de hoogte was van dit vergrijp, maar dit niet meldde, kreeg deze straf te verduren. Concubines werden daarbij overigens beschouwd als eerbare vrouwen. De sluier maakte hier duidelijk aan mannen dat de gesluierde vrouw onder bescherming stond van een andere man, terwijl prostituees vogelvrij waren.

Midden-Elamitische periode[bewerken]

Nadat Hammurabi een einde had gemaakt aan de macht van Elam, verdween waarschijnlijk de politieke eenheid tot in de veertiende eeuw v.Chr. Susa en Ansjan onder een heerser vielen. Eerder was het Akkadisch de officiële taal geweest, maar in deze periode werd dat het Elamitisch. Datzelfde proces gold op het religieuze vlak. Waar eerder Mesopotamische goden domineerden, werd in deze rol steeds meer overgenomen door Elamitische goden. De Midden-Elamitische periode begon onder Igi-halki en diens dynastie zou zo'n twee eeuwen aan de macht blijven, afwisselend onder de tak van twee van diens zonen. Hoewel belangrijk, speelde Elam maar een beperkte rol in het internationale systeem die niet voorbij Babylonië en Assyrië ging. Deze dynastie eindigde met Kidin-Hutran III die onder meer Nippur wist in te nemen en Isin aanviel. Na zijn dood kwam een nieuwe dynastie aan de macht en ook hier stond de relatie met Babylonië sterk onder druk. Ondanks dat Shutruk-Nahhunte I gehuwd was met de oudste dochter van de Kassiet Meli-Shipak viel hij diens land binnen en bracht vele monumenten mee terug naar Susa. Mogelijk werd hij vermoord door zijn zoon Kutir-Nahhunte III. Die vond dat hij als zoon van een Kassitische prinses aanspraak maakte op de Babylonische troon en viel dan ook opnieuw dat land binnen, nam het beeld van Mardoek mee naar Susa en beëindigde de Kassitische dynastie. Elam werd de machtigste staat in de regio tot Nebukadnezar I Mardoek terughaalde, waarna Elam voor drie eeuwen uit de annalen verdween.

Het grootste project was de bouw van een nieuwe hoofdstad door Untash-Napirisha, naar hem Al-Untash-Napirisha genaamd. De ziggoerat hier was gewijd aan Napirisha, de god van Elam, en Inshushinak, de god van Susa. Het is een van 's werelds best bewaarde ziggoerats.

Ondergang van het internationale systeem[bewerken]

Aan het einde van de Late Bronstijd kwam er een einde aan het internationalisme en de mondialisering. Rond 1200 v.Chr. verdween het Nieuw-Hettitische Rijk, evenals de paleiscultuur van Mycene en de Minoïsche beschaving. Verder naar het oosten vielen onder meer Ugarit en landinwaarts Emar. Verder naar het zuiden werden ook steden als Hazor en Asjkelon vernietigd. Egypte wist dit lot te voorkomen door onder Merenptah en Ramses III de Zeevolken te verslaan. Assyrië, Babylonië en Elam wisten net als Egypte ondergang te voorkomen, maar het ineenstorten van het internationale systeem had ook hier een sterke achteruitgang tot gevolg.

Vele verschillende verklaringen zijn als oorzaak aangewezen voor deze ineenstorting. Prominent figureren hierin de Zeevolken, maar ook ecologische en technologische oorzaken worden aangehaald, alsook interne wrijvingen, zoals de arbeidsschaarste en de vlucht voor schuldslavernij. Aardbevingen, onderlinge oorlogen en misoogsten en hongersnoden zijn ook terug te vinden in de bronnen van die tijd. Individueel zijn deze echter geen afdoende verklaring voor een gebied dat altijd met deze zaken te maken had gehad. Waarschijnlijk is het dan ook een combinatie van factoren geweest, waarbij door de onderlinge verbondenheid een lokale crisis uit kon groeien tot een regionale.

De crisis was niet noodzakelijk slecht voor iedereen. De verschuiving van macht maakte dat gebieden en mensen die eerder ondergeschikt waren, nu in meer of mindere mate een vrijheid en soms ook welvaart verkregen. Zo kon Cyprus profiteren van het verdwijnen van Mycene. Ook konden oude ingeburgerde systemen en technologieën vervangen worden door nieuwere. Zo verving het eenvoudige alfabetische schrift het ingewikkelde spijkerschrift dat afhankelijk was van de paleiseconomie om de benodigde klerken te ondersteunen. IJzer verving op zijn beurt brons, niet alleen omdat het sterker was, maar ook omdat het veelal lokaal aanwezig was, in tegenstelling tot koper en tin. Daar waar paleiseconomieën overleefden, zoals in Egypte, Assyrië en Babylonië, konden de oude technologieën langer ondersteund worden en hier duurde de overgang naar de IJzertijd dan ook langer.

In de plaats van centraal gestuurde paleiseconomiën kwamen handelssteden met individuele of kleinere groepen handelaren, eerst vanuit Cyprus en de Filistijnse Pentapolis en daarna de Fenische stadstaten. Aangezien er weinig bronnen terug zijn gevonden uit deze donkere periode, is niet goed bekend hoe deze overgang is verlopen. Er wordt ook wel gewezen op een bepaalde mate van continuïteit, maar er is tussen de twaalfde en tiende eeuw v.Chr. onmiskenbaar sprake van een grote overgang. De belangrijkste groep die hierin naar voren kwam, was die van de Arameeërs. Daarnaast bracht de domesticatie van de kameel ook de Arabieren vanuit de woestijn van het Arabisch Schiereiland in contact met het Nabije Oosten.

Nieuw-Assyrische periode[bewerken]

Met Adad-nirari II komt er een kentering voor Assyrië dat door Arameese invallen tot weinig meer dan een stadstaat was teruggebracht. Deze vorst slaagde erin het tij te keren en wat omringend gebied onder controle te brengen. Zijn opvolger Tukulti-Ninurta II zorgde voor vrede met Babylonië en kon zo verder zijn macht in de richting van de Khabur uitbreiden. Onder zijn zoon Assurnasirpal II werd Assyrië echt een macht van formaat, die de Middellandse Zeekust begon te beheersen en dieper Anatolië introk. Met Babylonië bleef de status quo voorlopig gehandhaafd. Onder Salmanasser III kwam daar een einde aan. Hij bezette Babylon, veroverde Tabal, diep in Anatolië en maakte Damascus en Israël tot vazalstaten. Na hem volgde er een periode van strijd om de troon, maar Shamshi-Adad V wist wel de Babyloniërs onder Mardum-zakir-shumi II tot een nieuw verdrag te dwingen. Na hem volgden een aantal vorsten die te kampen hadden met interne problemen. Het rijk berustte tot dusver op het tot vazalschap dwingen van omringende vorsten. Het probleem daarmee was dat zodra de macht in het centrum wat wankelde -bij een troonsopvolging bijvoorbeeld- al die vazallen zich weer onafhankelijk maakten.

Met Tiglat-Pileser III kwam daar verandering in. Hij voegde een deportatiepolitiek in. Als een vazal ontrouw werd, werd zijn vorstendom genadeloos onderworpen en de hele politieke elite gedeporteerd naar een gebied waar ze vreemden waren. De opengevallen posities werden door Assyriërs ingenomen en het gebied tot Assyrische provincie omgevormd. Dit maakte het rijk een stuk stabieler en machtiger. Aan het eind van zijn bewind kon hij zich zelfs tot koning van Babylon kronen. Assyrië werd een wereldmacht. Na een kort en weinig succesvol bewind van Salmanasser V -hoewel hij mogelijk degene was die Jeruzalem innam- kwam Sargon II op de troon die deze politiek nog verder uit zou bouwen. Het begin was moeilijk, er waren problemen met Babylon en Elam en ook de noorderburen, Urartu trachtte gebiedwinst te behalen. Later zou Sargon echter met hen afrekenen, de Meden tot schatplicht dwingen en de Levant onder controle brengen. Egypte, verontrust nu Assyrië een buurman geworden was, zond geschenken om hem tot vriend te houden. Op een veldtocht tegen Tabal in Anatolië sneuvelde hij, maar zijn opvolger ondervond weinig problemen zijn rol over te nemen. Egypte, Babylon en Elam trachtten tegen hem te ageren. Dit kwam Babylon duur te staan: het werd grondig verwoest. Ook het Zeeland moest zijn gezag erkennen.

Onder Esarhaddon werd de grip op het noorden en de Levant verder versterkt. Tyrus vroeg om Egyptische steun. Esarhaddon drong daarom diep Egypte binnen en nam Memfis in.De Egyptenaren kwamen echter snel in opstand en in een hernieuwde campagne sneuvelde hij. Na zij dood ontstond er een tijd van verwarring en strijd om de macht, maar uiteindelijk kwam Assurbanipal op de troon, met zijn oudere broer Shamash-shum-ukin als vazal op de Babylonische troon. Deze kwam echter snel in opstand. Assurbanipal maakte daarop korte metten met hem. Daarna richtte hij zich op Egypte en veroverde het tot aan de stad Thebe. De Elamieten, waarmee een tijdlang vrede geweest was, gebruikten echter zijn afwezigheid om Babylonië binnen te vallen. Assurbanipal rekende grondig met ze af, vele Elamitische steden werden vernietigd en de hoofdstad Susa verwoest. Het Assyrische Rijk leek onoverwinnelijk geworden. Maar niets was minder waar. Na zijn dood ontstond er een langdurige strijd om de troon. Ashur-etil-ilani en zijn broer Sin-shar-ishkun bestreden elkaar verbitterd. Dit gaf alle onderworpen volkeren weer de gelegenheid in opstand te komen. Egypte deed dit en spoedig vormden de nieuwe Chaldeeuwse heersers van Babylon een bondgenootschap met de Meden om Nineve zelf aan te vallen. Op het laatste moment trachtte Egypte nog hulp te bieden, maar het was te laat. Nineve viel en dit was het einde van Assyrië.

Meden en Babyloniërs[bewerken]

De verenigde Meden en Babyloniërs bevochten in 609 v.Chr. het Assyrische leger. Assur en Ninive werden volkomen verwoest. In 586 v.Chr. werd Juda door Babylon veroverd, Jeruzalem en de eerste tempel werden verwoest, waarmee de Babylonische ballingschap voor de joden begon. Deze eindigde in 539 v.Chr. met de verovering van Babylon door de Perzen.

Het Perzische Rijk van de Achaemeniden (550 – 330 v.Chr.)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Perzische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Van Alexander de Grote tot aan de Islamitische expansie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Alexander de Grote, Parthen, Seleuciden, Romeinse Rijk, Sassaniden en Islamitische expansie voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Literatuur[bewerken]

Inleidingen
  • Albertz, R. - e.a. (edd.) (2003): Frühe Hochkulturen. Ägypter, Sumerer, Assyrer, Babylonier, Hethiter, Minoer, Phöniker, Perser, Stuttgart
  • Soden, W. von (2006): Der Alte Orient. Eine Einführung, Darmstadt
Lexika, naslagwerken en handboeken
Geografie en cultuurkunde
  • Ehlers, E. (1980): Iran. Grundzüge einer geographischen Landeskunde, Darmstadt
  • Wirth, E. (1962): Agrargeographie des Irak, Hamburg
  • Wirth, E. (1971): Syrien, eine geographsiche Landeskunde, Darmstadt
Bronvertalingen
  • Feyter, T. de (2001): Het Gilgamesj-epos, Amsterdam
  • Koning, J. de (1940): Studiën over de El-Amarnabrieven en het Oude Testament inzonderheid uit historisch oogpunt, diss. Vrije Universiteit Amsterdam, Delft
  • Demarée, R.J.; Veenhof, K.R. (2003): Zij schreven geschiedenis: historische documenten uit het Oude Nabije Oosten (2500-100 v.Chr.), Leiden - Leuven
  • Janowski, B.; Wilhelm, G. (edd.) (2004): Texte aus der Umwelt des Alten Testaments. Neue Folge, Gütersloh
  • Kaiser, O. (ed.) (1982-1997): Texte aus der Umwelt des Alten Testaments, 3 dln., Gütersloh
  • Moran, W.L. (1992): The Amarna Letters, Baltimore
  • Nanning van Loon, M. (1983): Teksten uit Urartu uit de 9e-8e eeuw v.Chr., Leiden - Zutphen
  • Pritchard, J.B. (1969): Ancient Near Eastern Texts relating to the Old Testament, Princeton
  • Steible, H. (1982): Die altsumerischen Bau- und Weihinschriften, 2 dln., Wiesbaden
Overzichtswerken
  • (1970–2005): The Cambridge Ancient History, 14 dln., Cambridge
  • Berghe, L. vanden; Meyer, L. de (1983): Urartu. Een vergeten cultuur uit het bergland Armenië, Gent
  • Cassin, E.; Bottéro, J.; Vercoutter, J. (edd.) (2003): Die Altorientalischen Reiche, Frankfurt a. M.
  • Heinz, M. (2002): Altsyrien und Libanon. Geschichte, Wirtschaft und Kultur vom Neolithikum bis Nebukadnezar, Darmstadt
  • Hrouda, B. (ed.) (2003): Der Alte Orient. Geschichte und Kultur des alten Vorderasien, München
  • Kuhrt, A. (1995): The Ancient Near East c. 3000-330 BC, 2 dln., Londen - e.a.
  • Malam, J.; Beneken Kolmer, K. (2000): Mesopotamië en het Nabije Oosten: van 10.000 v.Chr. tot 539 v.Chr., Harmelen
  • Mieroop, M. Van De (2015): A History of the Ancient Near East, ca. 3000-323 BC, Wiley Blackwell
  • Nissen, H.J. (1995): Grundzüge einer Geschichte der Frühzeit des Vorderen Orients, Darmstadt
    • Uitgebreide Engelse vertaling: (1988): The Early History of the Ancient Near East, 9000-2000 B.C., Chicago
  • Nissen, H.J. (1999): Geschichte Altvorderasiens, München
  • Sasson, J.M. e.a. (edd.) (1995): Civilisations of the Ancient Near East, 4 dln., New York
  • Veenhof, K.R. (1981): Geschiedenis van het oude Nabije Oosten tot de tijd van Alexander de Grote, Kampen
  • Wiesehöfer, J. (1995): Das antike Persien. Von 550 v.Chr. bis 650 n. Chr., Düsseldorf

Externe links[bewerken]

Logo Wikimedia Commons
Commons heeft mediabestanden op de pagina Ancient Near East.