Oudsaksisch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Oudsaksisch, ook wel bekend als Oudnederduits, vormt samen met het Oudfries, het Oudengels, het Oudhoogduits en het Oudnederlands de West-Germaanse groep binnen de Oudgermaanse taalfamilie. De eerste bronnen van het Oudsaksisch dateren uit de achtste eeuw.

Verspreiding[bewerken]

Het gebied waar in de laatste eeuwen van het eerste millennium Oudsaksisch gesproken werd valt grofweg samen met het huidige Noord-Duitsland met name de deelstaten Nedersaksen, Westfalen, en Saksen-Anhalt. In het zuiden liep de grens tussen het Oudsaksisch en het Oudhoogduits ongeveer van Merseburg over Göttingen tot het Sauerland en het Ruhrgebied. In het westen markeerde het IJsselmeer de grens, tot aan het Gooi. In het zuidwesten grensde het aan de Nederfrankische Rijn. In het noorden lag de spraakgrens tussen het Oudfries en het Oudsaksisch op de lijn GroningenBremerhaven. In het Oosten werd het Oudsaksisch begrensd door het Oudslavisch en in het Noorden door het Ouddeens.

Door de latere expansie naar het Noorden en Oosten (in exclaves reeds tot de Odermonding bij Stettin aan het eind van de 10e eeuw), en de opbloeiende handel van de Hanze ontwikkelde het Oudsaksisch zich (als Nederduits) tot schrift- en verkeerstaal.

Klankleer[bewerken]

Sinds de ontwikkeling uit de Oergermaanse oorsprong is de klankleer van het Oudsaksisch tamelijk conservatief gebleven:

  • Een belangrijke en invloedrijke taalverandering was de zogenaamde i-mutatie (of umlaut): onder invloed van een voor in de mond uitgesproken klinker werd de klinker in de voorafgaande lettergreep ook “verplaatst” naar voor in de mond (zogenaamde palatalisatie). Voorbeelden zijn Oudsaksisch hellia (Gotisch “halja” en Nederlands “hel”) en Oudsaksisch kennia (Gotisch “kannjan” en Nederlands “kennen”).
  • Een verdere belangrijke ontwikkeling is de “splitsing” van de Oudgermaanse korte u in o en u. Werd een oorspronkelijke u gevolgd door een o, een a of een e in de volgende lettergreep dan wordt de u tot o. Voorbeelden zijn de zo ontstane afwijkende reeksen in bijvoorbeeld de verbuiging van het werkwoord biodan (Nederlands “bieden”):
ic biuda (ik bied) – wî budun (“wij boden”) - gibodan (“geboden”),

of het werkwoord tiohan (“tijgen”):

ic tiuhu (“ik tijg”) - wî tuhun (“wij togen”) - gitogan (“getogen”)
  • Wat betreft de lange klinkers is er één significante wijziging: de Oudgermaanse ê (bijvoorbeeld in Gotisch slêpan (Nederlands “slapen”)) werd in het Oudsaksisch een lange â: Oudsaksisch slâpan.
  • Het Oudsaksisch had een afwijkende behandeling van de Oudgermaanse tweeklanken ai en au. Waar de meeste dialecten deze tweeklank min of meer behielden, werden ze in het Oudsaksisch lange eenklanken: zo werd Oudgermaans *stain- (“steen”) Oudsaksisch stên en werd Oudgermaans *auga- (“oog”) ôga.
  • een ontwikkeling die het Oudsaksisch deelt met het Oudfries, het Oudengels en het Oudnederfrankisch is de verlenging van een korte klinker voor een neusklank met gelijktijdige verlenging van de vorige klinker. Een bekend voorbeeld is Oudengels, Oudfries en Oudsaksisch fîf (“vijf”); vergelijk daarbij Oudhoogduits finf (“vijf”)
  • Ook bij de behandeling van de Oudgermaanse consonanten toont het Oudsaksisch zich – anders dan het Oudhoogduits – als een conservatieve taal.

Vormleer[bewerken]

Het Oudsaksisch kent nog een uitgebreid systeem van vervoeging van de zelfstandige naamwoorden. Alle declinaties bekend uit de andere Oudgermaanse dialecten zijn nog voorhanden. Van de zogenaamde a-declinatie kan dag (Nederlands 'dag') als voorbeeld gegeven worden:

Enkelvoud Meervoud
Nominativus dag dagos (-as)
Genitivus dages of dagas dago
Dativus dage (-a) dagun (-on)
Accusativus dag dagos, (-as)
Instrumentalis dagu, (-o)

Ook de ô-declinatie is nog tamelijk onderscheiden al beginnen naamvallen meer en meer qua vorm te "versmelten" - zoals nominativus en accusativus enkelvoud, en nominativus enkelvoud en dativus enkelvoud. Als voorbeeld wordt hier de verbuiging van geba (Nederlands "gave") gegeven:

Enkelvoud Meervoud
Nominativus geba, (-e) geba
Genitivus geba gebono
Dativus gebu, (-o, -a) gebun, (-on)
Accusativus geba, (-e) geba

De specifieke kenmerken van de i-declinatie die voor zulke belangrijke wijzigingen zou zorgen in verschillende Oudgermaanse dialecten, is in het Oudsaksisch nadrukkelijk aanwezig. Neem bijvoorbeeld de verbuiging van de vrouwelijke zelfstandige naamwoorden dâd (Nederlands 'daad') en werold (Nederlands 'wereld') en het mannelijke zelfstandige naamwoord gast (Nederlands 'gast') alle drie met een lange lettergreep:

Enkelvoud Meervoud
Nominativus dâd dâdi
Genitivus dâdi;weroldes dâdio, (-eo)
Dativus dâdi;werolde dâdium, (-ion, -eon)
Accusativus dâd dâdi
Enkelvoud Meervoud
Nominativus gast gesti
Genitivus gastes, (-as) gestio, (-eo)
Dativus gaste, (-a) gestiun, (-ion, -eon)
Accusativus gast gesti
Instrumentalis kraftu

* (Noot: de instrumentalis van gast is niet overgeleverd; die van kraft (Nederlands 'kracht' wel)

Bij de verbuiging van de zelfstandige naamwoorden van de i-declinatie met een korte lettergreep is het Oudsaksisch nog iets conservatiever dan bijvoorbeeld het Oudhoogduits. Als voorbeeld volgt hier hugi (Nederlands 'geest').

Enkelvoud Meervoud
Nominativus hugi hugi, (-ios)
Genitivus huges hugio, (-eo)
Dativus hugi, (-ie, -ea) hugiun, (-ion, -eon)
Accusativus hugi hugi, (-ios)
Instrumentalis hugi, (-hugiu)

Bij de consonantische declinatie is opvallend dat hier de verschillende verbuigingen qua vorm zich naar elkaar toe bewegen. Dit wordt goed geïllustreerd door het mannelijke zelfstandige naamwoord hano (Nederlands 'haan'):

Enkelvoud Meervoud
Nominativus hano, (-a) hanon, (-un)
Genitivus hanon, (-an, -en) hanono
Dativus hanon, (-an, -en) hanun, (-un
Accusativus hanon, (-an) hanon, (-un)

Ook bij de vrouwelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden van de consonantische declinatie kan het verschijnsel van het samenvallen der naamvallen worden waargenomen.

Ook bij de bijvoeglijke naamwoorden toont het Oudsaksisch het beeld van in elkaar schuivende naamvallen. Toch heeft het Oudsaksisch nog wel het onderscheid behouden tussen de sterke en zwakke bijvoeglijke naamwoorden.

Het is opvallend dat het Oudsaksisch wat persoonlijke voornaamwoorden betreft bijvoorbeeld ten opzichte van het Oudhoogduits tamelijk conservatief is gebleven. Zo heeft het Oudsaksisch een nog bijna volledig bewaarde tweevoud (of dualis).

De verbuiging ging als volgt:

Enkelvoud
Eerste persoon
Nominatief (ik) ic
Genitief (mijn) mîn
Datief (mij)
Accusatief (mij) mî (mic)
Tweede persoon
Nominatief (jij, u) thû
Genitief (jouw, uw) thîn
Datief (jou, u) thî
Accusatief (jou, u) thî (thik)
Tweevoud
Eerste persoon
Nominatief (wij tweeën) wit
Genitief (van ons tweeën) unkaro
Datief (voor ons tweeën) unk
Accusatief (ons tweeën) unk
Meervoud
Eerste persoon
Nominatief (wij) wî (wê)
Genitief (ons) ûser
Datief (voor ons) ûs
Accusatief (ons) ûs
Tweede persoon
Nominatief (jullie, u) gi (gê)
Genitief (jullie, uw) iuwar
Datief (voor jullie, u) iu (eu)
Accusatief (jullie, u)) iu (eu)

De vormen van de derde persoon zagen er zo uit:

Enkelvoud
Mannelijk
Eerste persoon
Nominatief (hij) hê (hie)
Genitief (zijn) is
Datief (voor hem) im (imu, imo)
Accusatief (hem) ina
Onzijdig
Eerste persoon
Nominatief (het) it
Genitief (zijn) is
Datief (het) im (imu, imo)
Accusatief (het) it
Vrouwelijk
Nominatief (zij) siu
Genitief (haar) iro (iru, ira)
iru (iro)
Accusatief (haar) sia (sea, sie)
Meervoud
Mannelijk
Eerste persoon
Nominatief (zij) sia (sea, sie)
Genitief (hun) iro
Datief (hun) im
Accusatief (hen) sia (sea, sie)
Onzijdig
Eerste persoon
Nominatief (zij) siu
Genitief (hun) iro
Datief (hun) im
Accusatief (hen) siu
Vrouwelijk
Nominatief (zij) sia (sea, sie)
Genitief (hun) iro
Datief (hun) im
Accusatief (hen) sia (sea, sie)

Zoals te verwachten is, is het Oudsaksische systeem van werkwoordenverbuiging ook vereenvoudigd ten opzichte van het Oudgermaans. Om een indruk te geven van de Oudsaksische werkwoorden volgen hier de verbuigingen van de werkwoorden helpan ('helpen'), sôkian ('zoeken') en makon ('maken'):

Tegenwoordige tijd
Aanwijzende vorm
Enkelvoud
Eerste persoon hilpu (-o) sôkiu makon
Tweede persoon hilpis sôkis makos
Derde persoon hilpid (-it, id) sôkid makod (-ot, od)
Meervoud
Eerste persoon helpad (-at, -að) sôkiad makiod, (-oiat, -oð)
Tweede persoon helpad (-at, -að) sôkiad makiod, (-oiat, -oð)
Derde persoon helpad (-at, -að) sôkiad makiod, (-oiat, -oð)
Aanvoegende wijs
Enkelvoud
Eerste persoon helpe (-a) sôkie (-ea) mako (-oie)
Tweede persoon helpes (-as) sôkies (-eas) makos
Derde persoon helpe (-a) sôkie (-ea) mako (-oie)
Meervoud
Eerste persoon helpan (-en) sôkean (-ian, -ien) makion, (-oian)
Tweede persoon helpan (-en) sôkean (-ian, -ien) makion, (-oian)
Derde persoon helpan (-en) sôkean (-ian, -ien) makion, (-oian)
Gebiedende wijs
Enkelvoud
Tweede persoon hilp sôki mako
Meervoud
Tweede persoon helpad (-at, -ad) sôkiad (-eat, iad) makod (-ot, -od)
Verleden tijd
Aantonende wijs
Enkelvoud
Eerste persoon halp sôhta makoda
Tweede persoon hulpi sôhtes (-os, -as) makodes (-os, -as)
Derde persoon halp sôhta makoda
Meervoud
Eerste persoon hulpun (-on) sôhtun (-on) makodun (-on)
Tweede persoon hulpun (-on) sôhtun (-on) makodun (-on)
Derde persoon hulpun (-on) sôhtun (-on) makodun (-on)
Aanvoegende wijs
Enkelvoud
Eerste persoon hulpi sôhti makodi
Tweede persoon hulpis sôhtis makodis
Derde persoon hulpi sôhti makodi
Meervoud
Eerste persoon hulpin sôhtin makodin
Tweede persoon hulpin sôhtin makodin
Derde persoon hulpin sôhtin makodin
Voltooid deelwoord
giholpan (en) gisôkid (-it) gimakod

De ontwikkeling van de Oudgermaanse sterke werkwoorden, die gekenmerkt worden door het verschijnsel ablaut, is in het Oudsaksisch als volgt:

Ablautklassen
Klasse 1 grijpen ik grijp ik greep wij grepen gegrepen
î - ai - i - i grîpan ic grîpu ic grêp wi gripun gigripan
Klasse 2 bieden ik bied ik bood wij boden geboden
eu - au - u - u biodan ic biudu ic bôd wi budun gibodan
Klasse 3 binden ik bind ik bond wij bonden gebonden
i - a - u - u bindan ic bindu ic band wi bundun gibundan
helpen ik help ik hielp wij hielpen geholpen
helpan ic hilpu ic halp wi hulpun giholpan
Klasse 4 stelen ik steel ik stal wij stalen gestolen
e - a - æ - u stelan ic stilu ic stal wi stâlun gistolan
Klasse 5 geven ik geef ik gaf wij gaven gegeven
e - a - æ - e geban ic gibu ic gaf wi gâbun gigeban
Klasse 6 slaan ik sla ik sloeg wij sloegen geslagen
a - ô - ô - a slahan ic slahu ic slôg wi slôgun gislagan
Klasse 7(a) houden ik houd ik hield wij hielden gehouden
haldan ic haldu ic hêld wi heldun gihaldan
Klasse 7(b) lopen ik loop ik liep wij liepen gelopen
hlôpan ic hlôpu ic hliop wi hliopun gihlôpan

Over de zwakke werkwoorden valt verder nog te zeggen dat van de oorspronkelijk vier klassen van zwakke werkwoorden er in het Oudsaksisch twee overgebleven zijn.

In het algemeen kan gesteld worden dat de Oudsaksische vormleer vrij eenduidig is gebleven. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Oudengels en het Oudhoogduits. Dit komt waarschijnlijk door de relatief gesloten geografische en politieke eenhoud van de Saksen en de demografische stabiliteit.

Overgeleverde teksten[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • Ebbinghaus, A., Abriss der Althochdeutschen Grammatik mit Berücksichtigung des Altsächsischen von Wilhelm Braune (Tübingen, 1970)