Overeenkomst (België)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Een overeenkomst of contract is in het Belgisch recht een wilsovereenstemming tussen rechtssubjecten, gericht op aangaan of tenietdoen van één of meerdere verbintenissen.

Er zijn verschillende soorten overeenkomsten:

  • Wederkerige overeenkomsten: overeenkomsten waarbij de partijen zich jegens elkaar over en weer verbinden om iets te doen, te geven of te laten (art. 1102 BW). Voorbeelden: koop, huur, aanneming
  • Overeenkomsten onder bezwarende titel: dit zijn overeenkomsten waarbij er altijd een soort van wederprestatie verwacht wordt.
  • Overeenkomsten om niet: een overeenkomst waar tegenover de ene prestatie geen andere prestatie staat (bijvoorbeeld: schenking, bruikleen, bewaargeving).
  • Eenzijdige overeenkomsten: overeenkomsten die slechts voor 1 partij verbintenissen geven (bijvoorbeeld: bewaargeving, bruikleen).

Overeenkomsten kunnen met wederzijds goedvinden worden beëindigd, maar ook door partijen ontbonden worden. Als een van beide partijen in gebreke blijft (wanprestatie), kan de overeenkomst eveneens ontbonden worden. Ook rechters kunnen op bepaalde gronden overeenkomsten ontbinden.

Geldigheidsvereisten[bewerken]

Tot de geldige totstandkoming van de overeenkomst is vereist:

  • de geldige toestemming van de zich verbindende partij;
  • diens bekwaamheid om zich te verbinden;
  • een bepaald of bepaalbaar en geoorloofd voorwerp';
  • een geoorloofde oorzaak.[1]

Toestemming[bewerken]

De gegeven toestemming mag niet aangetast worden door wilsgebreken: dwaling, bedrog, geweld en benadeling. In geval van bedrog, geweld en benadeling kan de sanctie jegens de te kwader trouw handelende partij reiken van nietigheid tot schadevergoeding. Bij dwaling kan schadevergoeding ook aan de wederpartij toegewezen worden, indien deze voortkomt uit de niet-naleving van de precontractuele verplichtingen.

Bekwaamheid[bewerken]

In beginsel zijn minderjarigen en geesteszieken handelingsonbekwaam voor het sluiten van contracten.

Voorwerp[bewerken]

De overeenkomst moet een bepaald of bepaalbaar en geoorloofd voorwerp hebben. Het voorwerp behelst de voornaamste rechtsgevolgen die de overeenkomst tot doel heeft (bij koop is dat eigendomsoverdracht).

Het voorwerp is bepaalbaar bij een koopovereenkomst van een nog te bouwen woning. Het voorwerp moet ook geoorloofd zijn en mag geen afbreuk doen aan de openbare orde, de goede zeden of de bepalingen van dwingend recht. Doet de overeenkomst dit wel, dan is de overeenkomst nietig. Zo is de overeenkomst die tot voorwerp mensenhandel heeft, nietig.

Oorzaak[bewerken]

De oorzaak omvat de reden(en) die de partijen aangezet hebben tot contracteren. Ontbreekt de oorzaak op het moment van de totstandkoming, dan is de overeenkomst nietig.

Men moet de objectieve oorzaak onderscheiden van de subjectieve. De objectieve oorzaak zijn de economische, sociale of juridische redenen die aangezet hebben tot contracteren. De subjectieve oorzaak behelst de effectieve redenen van de partijen die hen hebben aangezet tot het sluiten van de overeenkomst.

Bindende kracht[bewerken]

De rechter moet zich in de eerste plaats houden aan de bindende kracht van de overeenkomst (art. 1134, lid 1 BW), maar er zijn uitzonderingen:

  • Wanneer de overeenkomst ongeldig tot stand is gekomen (door niet voldaan te hebben aan de geldigheidsvereisten) kan de rechter de overeenkomst nietig verklaren. Er is een onderscheid tussen relatief en absoluut nietig. Relatief nietig zijn de overeenkomsten die ingaan tegen de bepalingen van dwingend recht en moet door de partijen worden opgeworpen terwijl absoluut door de rechter ambtshalve moet worden opgeworpen. Absoluut nietig is de overeenkomst die ingaat tegen de openbare orde en goede zeden (zoals de koop van een gebouw met de intentie er een bordeel op te richten). Evenwel valt volgens het Europees hof van justitie te nuanceren dat indien de rechter een onrechtmatig beding tegenkomt inzake consumentenrecht, de rechter de nietigheid ambtshalve moet opwerpen (niettegenstaande de relatief nietige sanctie), zolang hij daarmee het voorwerp van het geding niet verruimt alsook de rechten van verdediging hierdoor niet miskent.
  • Wanneer de overeenkomst geldig tot stand is gekomen moet de rechter zich in de eerste plaats terughoudend opstellen, maar hij kan de partijen door de aanvullende werking van de goede trouw toch verplichten nog meer verbintenissen op zich te nemen. Anderzijds kan hij de verbintenissen ook matigen door ze te toetsen aan de criteria van het rechtsmisbruik.
  • Bovendien kan de rechter bepaalde clausules die in strijd zijn met de dwingende wetgeving of met het rechtsmisbruik nietig verklaren of matigen. Traditioneel worden de exoneratiebedingen met veel argwaan bekeken, zeker in de relatie consument-onderneming (art. VI.83 WER).

Overeenkomsten komen bij consensus tot stand, tenzij bij plechtige en zakelijke overeenkomsten. Mondelinge overeenkomsten hebben als nadeel dat ze moeilijker te bewijzen zijn, maar zijn in theorie geldig.

Gevolgen en beëindiging[bewerken]

Beding ten behoeve van een derde: A komt met B overeen dat B aan C een bepaalde prestatie zal leveren. Een typisch voorbeeld is het levensverzekeringscontract, waarbij verzekeringnemer A bij verzekeringsmaatschappij B bedingt dat die bij overlijden van A een bedrag zal uitkeren aan begunstigde C.

Sterkmaking: A sluit een overeenkomst met B, waarbij A bedingt dat C later zijn positie zal innemen. Als C niet over de brug komt, blijft A verbonden. A heeft zich dus sterk gemaakt dat C zal overnemen, maar garandeert B meteen ook dat deze laatste altijd een tegenpartij zal hebben.

Effect van het bestaan van een overeenkomst: een derde C kan normaal gezien geen verbintenissen opgelegd krijgen uit hoofde van een overeenkomst tussen A en B waarmee hij niets te maken heeft. Een derde moet echter wel accepteren dat de overeenkomst tussen A en B bestaat. C mag dus bijvoorbeeld A niet verleiden tot het breken van de overeenkomst met B.

Bekende overeenkomsten[bewerken]