Carabus violaceus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Paarse loopkever)
Ga naar: navigatie, zoeken
Carabus violaceus
Biegacz fioletowy Carabus violaceus 1.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Coleoptera (Kevers)
Familie: Carabidae (Loopkevers)
Geslacht: Carabus (Schallebijters)
Soort
Carabus violaceus
Linnaeus, 1758
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten

Carabus violaceus (ook wel paarse loopkever of paarse schallebijter) is een kever uit de familie loopkevers (Carabidae). De wetenschappelijke naam werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. De soort wordt geplaatst in het ondergeslacht Megodontus. Het is een echt roofdier.

Beschrijving[bewerken]

Deze kever heeft een vrij groot lichaam en een zwarte kleur met een wat violette glans op met name het halsschild en de randen van de dekschilden. De poten zijn groot en lang. Vooraan de kop zitten de stevige kaken. Hiermee worden prooidieren als slakken, wormen en insectenlarven in stukjes geknipt en opgegeten. Een paarse loopkever wordt 22 tot 35 millimeter groot.

Verspreiding[bewerken]

Deze kever komt voor in vrijwel heel Europa, tot in Scandinavië en Groot-Brittannië. In Nederland en België is deze soort redelijk algemeen, hoewel plaatselijk zeldzaam. De habitat maakt deze soort weinig uit. Zo wordt de kever aangetroffen in bossen en parken maar ook in tuinen.

Levenswijze[bewerken]

Met larve.

De paarse loopkever is nachtactief en schuilt overdag onder stenen en houtblokken, om 's nachts op jacht te gaan. Ook de larve is een roofdier maar is veel langzamer en wacht de prooi af. De imago is een zeer snelle renner waaraan maar weinig prooien ontsnappen. De vleugels van deze soort zijn rudimentair aanwezig, en hij kan daar niet mee vliegen.

Hoewel er weleens regenwormen worden gegeten, leeft deze soort voornamelijk van slakken en van aan wortels vretende insectenlarven, waardoor deze kever bij tuinders een goede reputatie geniet. De larve leidt een verscholen bestaan net onder de grond tussen bladeren of onder stenen. Na tien maanden verpopt de larve, en als de kever uit de pop komt aan het begin van de herfst begint deze gelijk aan de winterslaap om pas in de lente actief te worden.