Paleis Huis ten Bosch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Paleis Huis ten Bosch
Paleis Huis ten Bosch (2004).
Paleis Huis ten Bosch (2004).
Locatie Den Haag, Vlag van Nederland Nederland
Algemeen
Kasteeltype Paleis
Stijl Hollands classicisme
Eigenaar Staat der Nederlanden
Huidige functie Woonpaleis van de Koning der Nederlanden en zijn gezin
Gebouwd in 1645-1652 en 1734-1737
Gebouwd door Frederik Hendrik van Oranje en Amalia van Solms
Monumentale status Rijksmonument
Monumentnummer  17517
Gebeurtenissen Vredesconferentie van Den Haag (1899)
Bijzonderheden Oranjezaal
Website Koninklijk Huis
De Oranjezaal.
De Oranjezaal.
Portaal  Portaalicoon   Nederland

Paleis Huis ten Bosch in Den Haag is het woonpaleis van koning Willem-Alexander en zijn gezin. Het werd in het midden van de zeventiende eeuw gebouwd in opdracht van prins Frederik Hendrik van Oranje en zijn vrouw Amalia van Solms en in de eerste helft van de achttiende eeuw uitgebreid door prins Willem IV. De Oranjezaal is beroemd vanwege de vele monumentale schilderstukken. Het paleis, dat de residentie is van de Koning der Nederlanden, wordt als zodanig tevens gebruikt voor een deel van zijn representatieve functies. Paleis Huis ten Bosch bevindt zich in het Haagse Bos en is eigendom van de Staat der Nederlanden.[1] Het heeft een vloeroppervlak van 8.785 en ligt op een terrein van zestien ha. Het Rijk is verantwoordelijk voor de bouwkundige staat, stoffering en inrichting.[2] Huis ten Bosch behoort tot de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Geschiedenis[bewerken]

Stadhouderlijk paleis[bewerken]

Paleis Huis ten Bosch is gebouwd in het midden van de 17e eeuw. Dat gebeurde op initiatief van Amalia van Solms, die tegenover haar echtgenoot prins Frederik Hendrik van Oranje de wens had uitgesproken voor een zomerresidentie in de buurt van Den Haag.[noot 1] Op 17 mei 1645 werd de grond, zo'n zestien hectare, aan haar overgedragen. De bouw zelf begon in augustus van dat jaar. Op 2 september 1645 legde de voormalige koningin Elizabeth van Bohemen, een aangehuwde nicht van Frederik Hendrik, de eerste steen voor wat de Sael van Oranje moest gaan heten.[3]:47 Amalia was korte tijd haar hofdame geweest. Pieter Post was de architect.[3]:47 Hij werkte in de stijl van het Hollands classicisme.

Het paleis kreeg de vorm van een vierkante centraalbouw zonder gangen. De voorgevel werd geleed met vier Ionische pilasters. De belangrijkste ruimte, een koepelzaal, bevindt zich centraal in het midden en kreeg een hoogte tot 23 meter. De lage begane grond bestaat uit een zuilenzaal. Via een monumentale bordestrap komt de bezoeker aan de voorkant in de erboven liggende bel-etage terecht. Het eerste dat men hier betreedt is de vestibule, die in de 18e eeuw vergroot werd. In het verlengde daarvan is de hoofdingang naar de Oranjezaal. Ten westen en oosten van deze zaal zijn op de bel-etage kleinere vertrekken gesitueerd, die in de tijd dat Amalia er verbleef twee appartementen vormden. Elk appartement bestond uit een voorkamer met daarachter de slaapkamer, waar ook de gasten werden ontvangen, en daarachter een groot kabinet met ernaast een kleiner kabinet en een kamer voor de garderobe. Vanuit die laatste ruimte leidt een trap naar beneden en in die aan de oostkant ook een naar een hogere verdieping. Aan de achterkant ontbrak een bordestrap.

De indeling op de hogere verdieping was in de tijd van Amalia hetzelfde als op de bel-etage, maar de hogere verdieping was wel lager: twaalf tegenover zestien voet. Bij het voorhuis ontbrak oorspronkelijk een bovenverdieping. Daarboven bevond zich toen een terras. Boven het terras staken drie vensters van de Oranjezaal uit. Toen deze zaal behangen werd met schilderijen, werden de vensterramen gedicht. Aan de buitenkant bleven de vensterluiken echter op hun plaats. Het gebouw bestaat voornamelijk uit baksteen, slechts kleine onderdelen waren van natuursteen. Zo was de poort die als hoofdingang diende van natuursteen.

Toen Frederik Hendrik in maart 1647 overleed, maakte Amalia van Solms van het paleis een monument ter nagedachtenis aan haar man.[3]:47 De bouw van het paleis kwam niet eerder gereed dan in de zomer van 1647. Vervolgens werd begonnen met de afwerking van het interieur. De centrale koepelzaal (de "Oranjezaal") werd geheel gedecoreerd met schilderingen die het leven en glorie van Frederik Hendrik afbeelden. Met de oplevering van de Oranjezaal in april 1652 was het paleis gereed voor gebruik. De prinses-weduwe zou vanaf dat jaar de zomers doorbrengen op Huis ten Bosch. Na het overlijden van Amalia van Solms kwam het paleis in handen van haar dochters. Albertine Agnes van Nassau, die als enige in de Republiek woonde, kreeg het vruchtgebruik. Dit verkocht ze een paar jaar later aan haar neef Willem III van Oranje. In december 1686 organiseerde de stadhouder in het paleis een groots hofbal ter ere van Filips Willem van Brandenburg. Toen Willem III in 1702 kinderloos overleed, kwam het paleis in handen van koning Frederik Willem I van Pruisen, een kleinkind van Frederik Hendrik. Deze gaf in 1732 het paleis terug aan de Oranjes.

Gedurende de dertig jaren waarin dit zich afspeelde was Huis ten Bosch slecht onderhouden. Stadhouder Willem IV van Oranje-Nassau zag zich genoodzaakt het paleis grondig te renoveren. Tevens breidde hij het uit. Zo werden naar ontwerp van Daniël Marot tussen 1734-1737 onder andere twee langwerpige, kwartronde vleugels aan het paleis gebouwd (deze zouden de Haagse vleugel aan de westzijde en de Wassenaarse vleugel aan de noordoostzijde gaan heten) en werd het voorhuis vergroot en van een verdieping voorzien. In deze op de tweede verdieping gelegen ruimte kwam een Anglicaanse huiskapel voor prinses Anna van Hannover (1709-1759). In de jaren vijftig van de twintigste eeuw werd die omgebouwd tot een balzaal. De achterzijde kreeg van Marot een bordesstoep met trap die naar de bel-etage leidde.

Door Marot werden de veelal blinde ramen in het hoofdgedeelte vervangen door schuiframen met een roedenverdeling. Ook de nieuwe vleugels kregen dit soort 'Franse' ramen. De wanden van een van de andere ruimten in het voorhuis werden uitgebeeld in Chinese stijl. De gevel kreeg een bekroning met het alliantiewapen van Willem IV en Anna van Hannover, hetwelk in 1805-1806 werd vervangen door een rechte balustrade. Ook de bekroning van de koepel op de Oranjezaal werd vernieuwd. In het interieur bracht Marot rijke versieringen aan in de Lodewijk XIV-stijl. Het rijk gedecoreerde stucwerk in de Witte eetzaal is van de hand van de Italiaan Francesco Barberino en dateert uit 1734-1735. Een kroonlijst scheidt het gewelfde plafond van de muren. Op het plafond zijn onder meer de familiewapens afgebeeld van prins Willem IV van Oranje en zijn echtgenote.[4]

Zowel Willem IV als Willem V van Oranje-Nassau verbleven er regelmatig. In 1733 vond in de Oranjezaal onder groot ceremonieel vertoon de opname plaats van de nog jonge Willem IV in de Orde van de Kouseband. Ook zijn zoon Willem V werd, in 1752, in Huis ten Bosch opgenomen in dezelfde ridderlijke orde.[noot 2] Onder de bewoning van deze laatste stadhouder en zijn echtgenote kwam in 1790-1791 de inrichting van de Japanse zaal tot stand. De met satijnhout gefineerde wandbetimmering in deze kamer is van de hand van de uit Den Haag afkomstige meubelmaker Matthijs Horrix. De ruim 22 m² grote wandbespanning in deze ruimte bestaat uit een ecrukleurige zijden ondergrond waarop in fluweel, damast en brokaat honderden planten, bloemen, vogels en enkele fabeldieren gedetailleerd zijn weergegeven. Willem V gebruikte deze ruimte als zijn audiëntiekamer.

"Nationale Konst-Gallerij"[bewerken]

Huis ten Bosch aan het eind van de 17e eeuw, gezien vanuit het noordwesten

Na de Franse inval van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, begin 1795, werd paleis Huis ten Bosch door de Fransen als oorlogsbuit geconfisqueerd en overgedragen aan de nieuwe Bataafse Republiek. Het meubilair werd grotendeels verkocht. Het gebouw deed dienst als staatsgevangenis tijdens de omwenteling in 1795 en drie jaar later onder het Uitvoerend Bewind. Vervolgens werd het van 1800 tot 1805 deels ingericht als kunstmuseum. Deze "Nationale Konst-Gallerij" opende op 31 mei 1800 en was toegankelijk voor zes stuivers op initiatief van Alexander Gogel.[5]:3 Het was het eerste openbare museum in Nederland dat door het Rijk beheerd werd. De collectie bestond uit kunst afkomstig uit rijksgebouwen en uit de restanten kunstwerken die nog in de voormalige stadhouderlijke paleizen waren aangetroffen. De belangrijkste werken waren schilderijen van 17e-eeuwse Hollandse meesters die eigendom waren geweest van het Huis van Oranje.[noot 3][6] In dezelfde periode werd het oostelijk deel van het paleis verhuurd aan een bordeel.[7]:36 In 1805-1806 was het paleis ambtswoning voor raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck en vervolgens voor Lodewijk Napoleon,[5]:3 die in 1806 tot koning van Holland werd benoemd. Op 18 juni 1806 nam hij met zijn echtgenote en twee zoontjes voor het eerst zijn intrek in Huis ten Bosch. De winter van 1806-1807 bracht hij door in het Binnenhof om begin april terug te keren naar, zoals het toen heette, 'Palais Royal du Bois'. Hij stond het paleis in 1807 tijdelijk af als noodopvang voor de slachtoffers van de Leidse buskruitramp. Zelf verhuisde hij in 1807 naar Utrecht en later naar Amsterdam.

Hoewel Lodewijk Napoleon slechts kort in Huis ten Bosch woonde, had hij een grote invloed op het interieur en exterieur. Zijn uitbreidingen en verfraaiingen betekenden de introductie van de empirestijl in Nederland. Zo liet hij de schuiframen met kleine roeden vervangen door veel grotere vensters in empirestijl. Veel van het empirestijl-meubilair dat hij invoerde, staat tot op de dag van vandaag in het paleis. De volgende gebruiker was de Franse gouverneur Charles-François Lebrun, die er woonde van 1810 tot 1813.

Huis ten Bosch na de uitbreiding in 1734-1737 met twee vleugels en een nieuwe façade van het hoofdgebouw, door Jan ten Compe (1713-1761)

Koninklijk paleis[bewerken]

Toen in 1815 Nederland opnieuw een monarchie werd, met koning Willem I aan het hoofd, werd Huis ten Bosch weer woonhuis van de Oranjes. Bij de scheiding van tafel en bed tussen koning Willem III en koningin Sophie, op 25 december 1855, kreeg de laatste Huis ten Bosch toegewezen als zomerverblijf. Na haar overlijden in 1877 stond het lange tijd leeg.

Koningin Wilhelmina stelde het paleis in 1899 beschikbaar voor de eerste Haagse vredesconferentie.[noot 4] Zelf verbleef ze 's winters op Paleis Noordeinde en 's zomers op Het Loo. Maar toen ze van 1914 tot 1918 vanwege de oorlog aan de landsgrenzen Den Haag niet kon verlaten, werd Huis ten Bosch haar vaste verblijf. Na de Eerste Wereldoorlog gaf Wilhelmina in de zomerse maanden weer de voorkeur aan Het Loo. Ze woonde er opnieuw, doch slechts voor kort, vlak voor de invasie van nazi-Duitsland in 1940. Op 10 mei, de dag van de invasie, landden Duitse parachutisten in de nabijheid van Huis ten Bosch in een vergeefse poging de koninklijke familie te ontvoeren. De Nederlandse legerleiding gaf vervolgens aan haar veiligheid in Huis ten Bosch niet langer te kunnen waarborgen, waarop ze op het eind van de ochtend van 10 mei met haar familie naar Paleis Noordeinde ging.

Bijna was Paleis Huis ten Bosch in de Tweede Wereldoorlog afgebroken door de Duitse bezetters, omdat er een tankgracht voor de verdediging van Den Haag moest worden aangelegd. De twee Pieter Posthuizen, de belangrijkste dienstgebouwen en daterend uit eind eerste helft van de 17e eeuw, werden in 1943 voor deze tankgracht afgebroken. Aan het eind van de oorlog werd het Haagse Bos door de Duitsers gebruikt als lanceerplaats voor hun V-1 en V-2-raketten, hetgeen leidde tot een RAF-bombardement. Hoewel het paleis zelf geen doelwit was, raakte het wel beschadigd. Zo bleef geen raam heel en daken en gevel vertoonden gaten door inslagen, waardoor regen en wind vrij spel kregen. De kunstschatten waren tijdig opgeslagen.

Koepel boven de Oranjezaal met koninklijke standaard, die aangeeft dat de koning in het land is.[8]

Na de oorlog werd het paleis gerestaureerd en weer bewoonbaar gemaakt. Koningin Juliana en prins Bernhard ontvingen van het Nederlandse volk de tuinbeplanting als cadeau voor hun 12½-jarig huwelijk. Van 1960 tot 1980 woonden Piet de Jong en zijn gezin in het Pieter Posthuis,[9] waarvan er na de oorlog één herbouwd was. Later trokken prins Constantijn der Nederlanden en zijn gezin erin.[10]

Op 10 augustus 1981 (een jaar na haar aantreden) betrok koningin Beatrix met haar gezin het paleis. Na haar abdicatie op 30 april 2013 is zij hier officieel tot 4 februari 2014 blijven wonen.[11] De privévertrekken van Beatrix waren in de Wassenaarse vleugel. De Haagse vleugel werd gebruikt als gastenverblijf en voor ondersteunende doeleinden. Het hoofdgebouw had een representatieve functie – hier werden de kabinetten gepresenteerd en belangrijke buitenlandse gasten ontvangen. Beatrix gebruikte Paleis Noordeinde als werkpaleis.

Het paleis, dat een vloeroppervlak heeft van 8.785 m², staat in het noorden van het Haagse Bos op een omgracht terrein van zestien hectare. De hoofdingang is te vinden aan de Laan van Huis ten Bosch, aan de noordoostkant van het paleis. Aan de Bezuidenhoutseweg is ook een entree. Sinds 13 januari 2019 woont koning Willem-Alexander met zijn gezin in Paleis Huis ten Bosch.[12][13] Het is de residentie van de koning, waartoe het gebruikt wordt voor representatieve doeleinden als officiële ontvangsten van hoogwaardigheidsbekleders. Eigenaar is de Staat der Nederlanden, die het terrein met bijgebouwen, tuin, tennisbaan en zwembad 'om niet' ter beschikking heeft gesteld.[noot 5] Tevens is de Staat der Nederlanden verantwoordelijk voor de bouwkundige staat, stoffering en inrichting.[2] Het is een wettelijke taak van de Rijksoverheid om hiervoor zorg te dragen. De uitvoering is in handen van het Rijksvastgoedbedrijf. Het paleis staat in de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Renovaties sinds Tweede Wereldoorlog[bewerken]

De eerste renovatie na de Tweede Wereldoorlog was in de jaren 1945-1946. Het hele paleis werd hersteld van zware oorlogsbeschadigingen. In de jaren 1950-1956 vond er een grondige verbouwing plaats om het hoofdgebouw geschikter te maken als woonpaleis voor het gezin van koningin Juliana. Zo kreeg het paleis voor het eerst centrale verwarming.[noot 6] Het hele paleis kreeg een warmwaterleiding en het aantal badkamers werd verhoogd van twee naar twaalf. De prinsessen Beatrix en Irene kregen er een eigen appartement, bestaande uit een zitkamer, slaapkamer met badkamer, theekeuken en een ruimte voor de garderobe. Een schouw die eerst in het Stadhouderlijk Kwartier had gestaan en later verhuisde naar het Paleis op de Dam in Amsterdam, kreeg een plaats in de zogenaamde blauwe kamer. De keukens werden zodanig gemoderniseerd dat er maaltijden tot voor zestig personen bereid konden worden. Een van de in 1943 op last van de Duitsers afgebroken Pieter Posthuizen werd met deels de oorspronkelijke bouwmaterialen herbouwd en kreeg de functie van tuinbaaswoning en garage.

Na de troonsbestijging van koningin Beatrix onderging het complex in 1977-1981 groot onderhoud waarbij enkele gerichte restauraties werden uitgevoerd, zwam en boktor werden bestreden en diverse installaties werden vernieuwd.[noot 7] De projectkosten kwamen uit op 24 miljoen gulden. Reparaties van scheuren werden echter "zeer oppervlakkig en niet erg deskundig uitgevoerd", aldus een inspectierapport.[15] De kostbare tweehonderd jaar oude wandbespanning in de Japanse kamer diende ook hoognodig gerenoveerd te worden, maar daar was niet direct een mogelijkheid toe. De acht panelen werden daarop opgeslagen en tijdelijk vervangen door een egale zijden bespanning. Pas in 1991 werd begonnen met de vier miljoen gulden kostende restauratie, die in 1992 gereedkwam.[noot 8]

Beatrix was jarenlang erg terughoudend om aan het complex verder onderhoud en ingrijpendere aanpassingen te laten verrichten.[15][noot 9] Toen Willem-Alexander in 2013 de troon besteeg, werd besloten tot een grondige renovatie van het hele paleis, het Pieter Posthuis, de tennisbaan en de tuin. Zo zat er houtworm in de panelen van de Japanse kamer en franjestaarten hadden het behang in de Chinese kamer aangetast. Gordijnen in deze ruimte waren tot op de draad versleten. Er kwamen onder meer nieuwe liften, een nieuwe keuken, alle leidingen werden vervangen en er werd overgegaan tot een volledig herstel van gevel en dak, tot een vervanging van de bordestrap, tot asbestsanering en tot houtrot- en ongediertebestrijding.[noot 10] De Wassenaarse vleugel kreeg een tweede trap om werk en privé beter te scheiden en meer daglicht, onder meer door een blinde muur te verwijderen in de werkkamer van Willem-Alexander. Kleine ruimten werden er samengevoegd.[noot 11] Een personeelsruimte op de begane grond van deze vleugel werd toegevoegd aan het woongedeelte van het koningsgezin en kreeg naar buiten openslaande deuren. De projectkosten werden in eerste instantie begroot op 59 miljoen euro, waarvan voor de basisinrichting zes miljoen euro werd uitgetrokken.[2] In november 2017 werd duidelijk dat de totale kosten in elk geval 4,1 miljoen euro duurder uitvielen.[17][noot 12]

Oranjezaal[bewerken]

De Oranjezaal, gelegen onder de centrale koepel van het classicistische gebouw, is een belangrijk monument van de Gouden Eeuw. Deze ruimte heeft een kruisvorm met afgeschuinde hoeken die afgedekt zijn met Korinthische pilasters. De zaal wordt overdekt met een houten gewelf. De lichtkoepel heeft aan de binnenkant een omgang met balustrade van vijf voet breed. Waarschijnlijk was de omgang bedoeld voor het laten plaatsnemen van muzikanten bij festiviteiten. Overblijfselen van een podium zijn bij een onderzoek teruggevonden. In 1805 werd op verzoek van Schimmelpenninck een directe verbinding gemaakt tussen de Oranjezaal en de westelijk ervan gelegen Japanse zaal. Hiervoor werd in de Oranjezaal de monumentale schoorsteenmantel verwijderd.

De schilderstukken in deze zaal zijn aangebracht als nagedachtenis aan stadhouder Frederik Hendrik, die in 1647 overleed. Ze werden tussen 1648 en 1652 in opdracht van zijn weduwe Amalia van Solms uitgevoerd door twaalf schilders onder regie van de architect-schilder Jacob van Campen. De reeks bestaat uit 39 doeken en panelen en een aantal gewelfschilderingen.[18] De schilders waren geselecteerd door Van Campen en Constantijn Huygens, in samenwerking met Amalia van Solms. De gekozen schilders waren leerlingen van of werkten in de stijl van Rubens[3]:55 en werden beschouwd als de voornaamste destijds levende schilders van historiestukken in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. De opdracht voor het decoreren van deze zaal was een van de belangrijkste uit de Nederlandse Gouden Eeuw en heeft daarom een groot historisch en artistiek belang. De werken, waaronder 31 op groot formaat,[3]:55 vormen een lof- en lijkrede op Frederik Hendrik[3]:52 en zijn een staalkaart van de contemporaine schilderkunst. De westzijde heeft als onderwerp de geboorte en jeugd van Frederik Hendrik, als zijnde het begin van een Gouden Tijdperk. De noordzijde verbeeld het politieke en militaire leven van de prins. De zuidzijde verhaalt dynastiek belangrijke huwelijken. Dat van stadhouder Frederik Hendrik met Amalia van Solms, van prins Willem II met de Engelse prinses Maria Henriëtte en van prinses Louise Henriëtte met keurvorst Frederik Willem I van Brandenburg. De oostzijde van de zaal is gewijd aan de overwinning en verheffing van Frederik Hendrik.[18]

Naast Van Campen zelf zijn de schilders Theodoor van Thulden, Caesar van Everdingen, Salomon de Bray, Thomas Willeboirts Bosschaert, Jan Lievens, Christiaen van Couwenbergh, Pieter Soutman, Gonzales Coques, Jacob Jordaens, Pieter de Grebber, Adriaen Hanneman en Gerard van Honthorst vertegenwoordigd.[3]:50-55 Een houten reliëf boven de entreedeur van de zaal is van de hand van meesterbeeldhouwer Pieter Adriaensz. 't Hooft.

Huygens bedacht de Latijnse tekst voor in de lichtkoepel. Op acht houten balken staat:

FR[EDERICO]. HENRICO PRINC[IPI].
ARAUS[IONIS]. IPSUM SESE
UNICUM IPSO DIGNUM
LUCTUS ET AMORIS
AETERNI MON[UMENTUM]. AMALIA
DE SOLMS VIDUA
INCONSOLABILIS MARITO
INCOMPARABILI P[OSUIT].

Er zijn meerdere vertalingen mogelijk. C.J. Vooys vertaalde het als volgt: 'Voor haar onvergetelijke gemaal Frederik Hendrik Prins van Oranje, heeft zijn ontroostbare weduwe Amalia van Solms als uiting van haar rouw en onvergankelijke liefde een gedenkteken opgericht, dat op zichzelf zonder weerga is en daarom juist hem waardig'.[19]

Tussen 1998 en 2001 werd de Oranjezaal gerestaureerd door een team van restauratoren, kunst- en architectuurhistorici en chemici onder leiding van prof. Anne van Grevenstein-Kruse, hoogleraar praktijk van conservering en restauratie. Bij die gelegenheid vond er een diepgaand onderzoek plaats naar de schilderingen en decoraties in de zaal, waarvan de resultaten werden verwerkt in diverse publicaties.[18]

Op 24 maart 2014 dineerden enkele tientallen regeringsleiders in de Oranjezaal ter gelegenheid van de Nucleaire Veiligheidstop in Den Haag.

Werken in de Oranjezaal (selectie)

Standbeeldenreeks stadhouders[bewerken]

In opdracht van stadhouder Frederik Hendrik vervaardigde beeldhouwer François Dieussart (ca. 1600-ca. 1663), per contract van 19 april 1646, van wit marmer uit Carrara vier levensgrote beelden van de stadhouders Willem I, Maurits, Willem II en Frederik Hendrik. Het was de enige keer dat een groep prinsen van Oranje ten voeten uit in marmer werd uitgebeeld. De beeldhouwer begon met de dynastieke reeks in 1646 en leverde de laatste in 1651. Ze kregen een plek in het voorhuis, zoals blijkt uit een in 1655 gepubliceerde tekening van een doorsnede van wat toen nog de 'Sael van Orange' heette. Vermoed wordt dat de beelden van Willem I en Maurits naast de hoofdingang stonden. Bij het betreden van het voorhuis zou dan rechts dat van Willem I hebben gestaan en links dat van Maurits, aangezien het hoofd van Willem I naar links was afgewend en dat van Maurits naar rechts. Uit een inventarislijst blijkt dat het kwartet in 1694 in Huis Honselaarsdijk stond, een ander bezit van de Oranjes. Door vererving kwamen de beelden in het bezit van koning Frederik I van Pruisen en belandden in de marmerzaal van het Stadsslot van Potsdam, dat in 1945 door een bombardement werd vernietigd. Daarbij gingen ze verloren. Repicla's kregen een prominente plek op het bordes, naast de voordeuren van Huis ten Bosch. Ze hebben daar gestaan tot omstreeks 1958.[noot 13][21][22]

Toegankelijkheid[bewerken]

De tuinen waren vroeger toegankelijk voor publiek, behalve als koningin Juliana in het paleis verbleef. Sinds koningin Beatrix hier haar intrek nam is het terrein afgesloten. Van 1960 tot 1976 werd het hoofdgedeelte van Huis ten Bosch jaarlijks een maand lang ter bezichtiging opengesteld voor belangstellenden. Zo waren in de zomer van 1962 de Oranjezaal, de Witte eetzaal en de Japanse en Chinese kamer toegankelijk.[23] In 1970 bedroeg het toegangsgeld een kwartje en een dubbeltje voor belangstellenden onder de zestien jaar. In de aanloop naar een van de restauraties van het paleiscomplex werd de Oranjezaal van 7 september tot en met 1 november 2015 opnieuw opengesteld voor publiek. 49.673 belangstellenden maakten daar gebruik van.

Replica's Huis ten Bosch[bewerken]

Een replica van dit paleis staat in het themapark Huis ten Bosch bij Nagasaki. De replica huisvest een museum voor Japanse en internationale kunstenaars. Ook in het gesloopte Holland-dorp van de Nederlands-Chinese zakenman Yang Bin bij Shenyang stond een replica. Sinds 1982 staat er een schaalmodel van Huis ten Bosch in miniatuurstad Madurodam in Den Haag.

Fotogalerij[bewerken]

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Marten Loonstra, Het húijs int bosch. Het Koninklijk Paleis Huis ten Bosch historisch gezien. Zutphen, 1985.
  • Mariska Vonk, Huis ten Bosch. De Oranjezaal. Pracht en praal van de Oranjedynastie; uitg. Waanders, Zwolle, 2015; ISBN 978 94 6262 070 4.