Paleosiberische talen
Met Paleosiberische talen (ook 'Paleoaziatisch' of 'Hyperboreïsch') wordt een restgroep van enkele kleine (bedreigde) taalfamilies en isolaten bedoeld die niet onderling verwant zijn en ook niet verwant zijn aan andere (prominentere) taalfamilies in Siberië, namelijk de Indo-Europese (Russisch), de Altaïsche (Toengoezische en Turkse talen) en Oegrische. De benaming is slechts een geografische verzamelnaam en verwijst niet naar genetische, taalhistorische of taaltypologische verwantschap. Meestal worden de volgende talen tot de Paleosiberische groep gerekend:
- De Tsjoektsjo-Kamtsjadaalse talen: Tsjoektsjisch, Korjaaks en Kamtsjadaals (Itelmeens)
- De Jenisejische talen: het Ket en verwante talen Arin, Assan en Kot, die in de vroege 19e eeuw uitstierven maar bekend zijn door woordenlijsten die door Russische pioniers sinds de 18e eeuw zijn opgesteld
- De isolaten Joekagiers, en Nivch (Giljaaks)
- Taalkundigen rekenen soms ook de Eskimo-Aleoetische talen tot de Paleosiberische talen, en soms ook het Aino.
Ze worden alle gesproken in noordoostelijk Siberië.
Algemene kenmerken
[bewerken | brontekst bewerken]De Paleosiberische talen hebben agglutinatie, en veel hebben een ergatief naamvalsysteem. De meeste kennen geen grammaticaal geslacht, maar een paar maken wel onderscheid op basis van persoon–niet-persoon.
Bestudering en bronnen
[bewerken | brontekst bewerken]De vroegste vermeldingen van Paleosiberische volkeren stammen uit de 17e eeuw, toen Russische pioniers Oost-Siberië verkenden. Een van de eerste personen die onderzoek deden naar Paleosiberische talen was Vasili Tatisjtsjev. Hij stelde woordenlijsten op en gaf die mee aan leden van de eerste Kamtsjatka-expeditie in 1737. Daardoor groeide de belangstelling voor de Paleosiberische talen gestaag. Woordenboeken verschenen in de 18e eeuw. Vanaf het midden van de 19e eeuw nam taalkundig onderzoek in Oost-Siberië sterk toe. In die periode schoof de onderzoeker Schrenk de hypothese naar voren dat de Paleosiberische volkeren de oorspronkelijke bewoners van Siberië waren, die in de loop der eeuwen zouden zijn verdreven of geassimileerd door Indo-Europese, Altaïsche en Oeralische groepen, zodat ze nu alleen nog voorkwamen in noordoostelijk Siberië. Daarom gebruikte hij als eerste de benaming Paleoaziatisch, van het Griekse palaios, 'oud'. Taalkundig onderzoek met een etnografische inslag kwam pas op gang aan het einde van de 19e eeuw. Onder andere de comparatieve grammatica's uit deze periode zouden de basis vormen voor het 20e-eeuwse (Russische) onderzoek.
Overzicht
[bewerken | brontekst bewerken]
- Tsjoektsjo-Kamtsjadaalse taalfamilie:
- Zuidelijke tak:
- Kamtsjadaals (Itelmeens)
- Noordelijke tak:
- Zuidelijke tak:
- Joekagiers (volgens een omstreden hypothese verwant met de Oeralische talen)
- Jenisejische talen (vermoedelijk verwant aan de Noord-Amerikaanse Na-Denétalen):
- Ket
- Arin †
- Assan †
- Kot †
- Nivch
- Eskimo-Aleoetische talen (categorisering redelijk aanvaard)
- Aino (categorisering omstreden)
- Koreaans (categorisering erg omstreden)
- Abondolo, D. (red.). The Uralic Languages. London: Routledge, 2006 (1998).
- Campbell, L. & Mauricio J. Mixco. A Glossary of Historical Linguistics. Edinburgh: Edinburgh University Press, 2007.
- Comrie, B. The Languages of the Sovjet Union. Cambridge: Cambridge University Press, 1981.
- Grenoble, L.A. Language Policy in the Soviet Union. New York: Kluwer Academic Publishers, 2003.
- Worth, Dean. 'Paleosiberian.' In: Soviet and East European Linguistics. Red. T.A. Sebeok. Den Haag: Mouton, 1980 (1963), blz. 345-373.