Paraceratherium
| Paraceratherium Status: Uitgestorven Fossiel voorkomen: Oligoceen (33,9–23,04 Ma) van Eurazië | ||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Deel van een reconstructieschilderij door paleokunstenaar Charles Robert Knight | ||||||||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||||||||||
| Paraceratherium Forster-Cooper, 1911 | ||||||||||||||||||||
| Typesoort | ||||||||||||||||||||
| Paraceratherium bugtiense Forster-Cooper, 1911 | ||||||||||||||||||||
| Soorten | ||||||||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||||||||
| Paraceratherium op | ||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||
Paraceratherium is een genus uitgestorven zoogdieren behorend tot de familie Paraceratheriidae (superfamilie Rhinocerotoidea of neushoornachtigen) dat tijdens het tijdvak Oligoceen, 33,9–23,04 miljoen jaar geleden (33,9–23,04 Ma),[2] leefde in een groot paleoverspreidingsgebied[3] in Eurazië. De grootste concentratie aan fossielen ligt in Kazakhstan, Mongolië en China (Centraal-Azië). Ten zuiden van dit gebied, in Noord-India (in het zuidoosten van de staat Uttar Pradesh) en Pakistan, en ten westen ervan, in Georgië, Turkije (Anatolië), Bulgarije en Roemenië, werden ook resten gevonden. Paraceratherium was een van de grootste landzoogdieren aller tijden.
Ontdekking en naamgeving
[bewerken | brontekst bewerken]
De etymologische betekenis van de genusnaam Paraceratherium is zoveel als 'verwant aan het hoornloze beest'. 'Paraceratherium' is samengesteld uit het Griekse para; 'naast, nabij of verwant aan' en het Griekse/Latijnse 'Aceratherium'; a (Latijn) = zonder, keras (Grieks) = hoorn, therium (Latijn) = beest/dier. De genusnaam werd in 1911 ingevoerd door de Engelse paleontoloog Sir Clive Forster-Cooper (1880–1947), toenmalig directeur van het Cambridge University Museum of Zoology en van het Natural History Museum in Londen, bij zijn wetenschappelijke beschrijving van de typesoort (type species) Paraceratherium bugtiense Forster-Cooper, 1911. De soortnaam 'bugtiense' verwijst naar de vindplaats in de Dera Bugti Hills (provincie Beloetsjistan (Balochistan), Pakistan) in sedimenten uit het tijdvak Oligoceen (era Kenozoïcum, periode Paleogeen). De genusnaam Paraceratherium verwijst naar het in 1911 al bestaande genus hoornloze Rhinocerotide neushoorn Aceratherium Kaup (1832). Forster-Cooper ontdekte de eerste identificeerbare fossielen van Paraceratherium in 1910. In 1907 en 1908 had de Engelse geoloog Guy Ellcock Pilgrim fossielen ontdekt (een bovenkaak, tanden uit de onderkaak en kaakfragmenten) in basale Miocene lagen in Pakistan (eveneens in de Dera Bugti Hills) en klassificeerde ze als een nieuwe soort van Aceratherium, nl. Aceratherium bugtiense Pilgrim, 1908 (typesoort). Aceratheriumfossielen komen voor van Oligoceen tot Boven-Mioceen (Khan et al., 2009). Omdat zijn vondsten toch voldoende verschillen vertoonden met de resten van Aceratherium (het genus waarin de typesoort Paraceratherium bugtiense Forster-Cooper (1911) oorspronkelijk geplaatst was),[5] onder meer kenmerkende grote naar beneden gerichte bovenste snijtanden, vond Forster-Cooper het gerechtvaardigd om een nieuw genus, Paraceratherium, en een nieuwe soort, Paraceratherium bugtiense, in te voeren. Concreet hernoemde hij de 'soort' 'Aceratherium bugtiense' dus tot Paraceratherium bugtiense. De allereerste fossielen van Paraceratherium werden in 1846 gevonden, eveneens in Balochistan (Pakistan) in de Dera Bugti Hills, door een Brits soldaat genaamd Vickary, maar deze fragmentarische resten waren destijds niet identificeerbaar.
Taxonomische geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Paraceratherium heeft een complexe taxonomische geschiedenis. Initieel werd het in de familie Hyracodontidae Cope, 1879 (superfamilie Rhinocerotoidea), geplaatst, maar de meeste onderzoekers plaatsen het nu in de aparte familie Paraceratheriidae Osborn 1923 (onderfamilie Paraceratheriinae Osborn, 1923),[6] gebaseerd op de onderscheidende, afgeleide kenmerken (apomorfieën) van het genus. Paraceratherium was vroeger ook bekend onder onder meer de namen Indricotherium Borissiak, 1916 en Baluchitherium Forster-Cooper, 1913. Deze worden door de meeste onderzoekers niet meer als valiede genera, maar als junior synonyms van Paraceratherium Forster-Cooper (1911) beschouwd (bv. Fortelius & Kappelman, 1993; Lucas & Sobus, 1989; Matthew, 1931). Fossielen van Paraceratherium die in het begin van de twintigste eeuw gevonden werden, waren fragmentarisch en werden daardoor door paleontoloog Guy Ellcock Pilgrim in 1908 geclassificeerd als een nieuwe soort binnen het reeds bestaande Rhinocerotide genus Aceratherium Kaup (1832), nl. Aceratherium bugtiense. Traditioneel werden toen veel soorten ondergebracht in het genus Aceratherium louter op basis van het ontbreken van hoorns, waardoor het geslacht als een wastebasket taxon gebruikt werd. Toen Forster-Cooper in 1911 meer complete specimina vond, bleken belangrijke verschillen aan te tonen en te rechtvaardigen dat de soort 'Aceratherium bugtiense' een nieuwe genusnaam vereiste. Daarom werd deze soort door Forster-Cooper hernoemd tot Paraceratherium bugtiense. De etymologische betekenis van deze soortnaam, 'verwant aan het hoornloze beest van de Dera Bugti Hills', benadrukt de nauwe verwantschap met 'Aceratherium bugtiense', maar erkent Paraceratherium bugtiense tegelijkertijd als een aparte, nieuwe soort. Paleontologische revisies van het genus Aceratherium hebben vele er onterecht in ondergebrachte soorten in de loop der tijd uit verwijderd, maar het kon behouden blijven voor specifieke correct gediagnosticeerde soorten uit het Mioceen tijdvak van Eurazië en heeft momenteel nog steeds een geldige taxonomische status.
Soorten
[bewerken | brontekst bewerken]Gebaseerd op recent onderzoek en paleontologische consensus ressorteren onder het geslacht (genus) Paraceratherium verschillende geldige soorten hoornloze neushoornachtigen (Rhinocerotoidea) van reusachtige afmetingen uit het Oligoceen van Eurazië, met Paraceratherium bugtiense als typesoort (type species). Hoewel de taxonomische geschiedenis complex is, worden de volgende soorten erkend : Paraceratherium bugtiense, P. grangeri, P. huangheense, P. asiaticum, P. lepidum, P. linxiaense en P. sp.[1] (Deng et al., 2021).
Paleobiogeografie
[bewerken | brontekst bewerken]Paraceratherium had een grote verspreiding in een breed scala aan habitats : van Kazachstan en Mongolië (Centraal-Azië) in het noorden tot Pakistan en India (Zuid-Azië) in het zuiden en van de Balkan in het westen tot China in het oosten. Aangenomen wordt dat het genus in Centraal-Azië ontstond, het gebied dat nu China, Mongolië en Kazakhstan omvat. Het zou zich via voorouderlijke vormen tijdens het Laat-Eoceen (het middelste tijdvak van de periode Paleogeen, era Kenozoïcum) of rond de overgang Eoceen-Oligoceen (het jongste tijdvak van het Paleogeen) vanaf het toenmalige 'Mongoolse plateau' langs de oostkust van de ondiepe Tethyszee en over de toenmalige Tibetaanse regio naar Zuid-Azië (Pakistan en India) verspreid hebben, tezamen met andere landzoogdieren zoals Ruminantia (onderklasse Theriiformes, infraklasse Placentalia, orde Artiodactyla (Evenhoevigen)) en Anthracotheriidae (orde Artiodactyla, onderorde Suina). Deze regio bestonden tijdens het Oligoceen waarschijnlijk uit laaggelegen gebieden van minder dan tweeduizend meter hoogte. Dit wordt aangetoond door fossielen van vissen en planten met tropische kenmerken die worden aangetroffen in de Oligocene lacustriene afzettingen van het centrale Tibetaanse gebied (Su et al., 2019; Botsyun et al., 2019). Tot aan het late Oligoceen laten de evolutie en verspreiding van Paraceratherium bugtiense naar P. linxiaense en P. lepidum zien dat het Tibetaans plateau, zoals het nu is, nog niet bestond en nog geen barrière vormde voor de biogeografische uitwisseling van zelfs de grootste toenmalige landzoogdieren. Fossielen ontdekt in het Kagizman-Tuzlucabekken (geologisch bekken) in Turkije wijzen erop dat het verspreidingsgebied zich ver naar het westen uitstrekte en dat Paraceratherium tijdens het Oligoceen dus ook in Europees-Aziatische regio's voorkwam, zoals resp. zelfs Oost-Europa (Bulgarije, Roemenië en Georgië) en ten zuiden van Centraal-Azië in de provincie Balochistan (Pakistan) en in Noord-India. Hoewel Paraceratherium een grote paleogeografische verspreiding had, bestaan veel van de vondsten uit Oost-Europa en West-Azië (Turkije) uit fragmentarische specimina in vergelijking met de completere vondsten in Centraal-Azië. De globale verspreiding werd sterk beïnvloed door de paleogeografische evolutie van de Alpen-Himalayagebergtegordel tijdens het Oligoceen. De eerste fossielen van Paraceratherium werden in 1910 door de Engelse paleontoloog Sir Clive Forster-Cooper gevonden in de Chitarwataformatie in Dera Bugti (Bugti Hills) (de typelocatie) in Balochistan, Pakistan. Deze vondsten impliceren een sterke geografische verbinding tussen Zuid-Azië en het daarboven gelegen Centraal-Azië, in welke laatste gebied de hoogste concentratie fossielen aangetroffen wordt (Kazakhstan, Mongolië en China).

Geologie en paleo-ecologie
[bewerken | brontekst bewerken]Paraceratherium leefde in het geologisch tijdperk Oligoceen (meer bepaald een tijdvak), van 33,9 tot 23,04 miljoen jaar geleden (33,9 tot 23,04 Ma).[2] Fossielen worden aangetroffen in terrestrische afzettingen,[7] voornamelijk in Centraal- en Zuid-Azië, nl. resp. Kazakhstan, Mongolië en China, en Pakistan (provincie Balochistan). Deze afzettingen werden doorheen Eurazië opgestapeld in geologische bekkens die gevormd werden tijdens de collisie van de Arabische en Euraziatische platen en op overstromingsvlaktes, in andere fluviatiele en lacustriene paleomilieus, en eveneens in semi-aride[8] paleomilieus. Deze paleomilieu's waren laaggelegen subtropische wouden, open bosgebied,[9] ten gevolge van droogte efemerische[10] meren, rivierdalen en droge vlaktes met verspreide bomen, in een klimaat van seizoensgebonden zware regenval afgewisseld met lange droogteperioden. Paraceratherium was door zijn zeer grote schouderhoogte (tot 4,8 meter) en lange nek (2 tot 2,5 meter) perfect aangepast voor het eten van hoge vegetatie. Het voedde zich met de bladeren, takken en vruchten van hoge bomen die verspreid stonden over gebieden met open struikgewas en verspreide bossen. Belangrijke ontdekkingen werden gedaan in specifieke geologische formaties waarvan de lithologische samenstelling bestaat uit fijnkorrelige sedimenten, zoals mudstone, en mediumkorrelige sedimenten, zoals zandsteen. Zulke sedimenten wijzen op afzettingsgebieden met traagstromend water of paleomilieus met overstromingsvlaktes die gunstig zijn voor de preservering van grote beenderen. Paraceratherium wordt dikwijls gevonden in associatie met andere zoogdieren, zoals kleinere neushoorns, vroege evenhoevigen (infraklasse Placentalia, superorde Laurasiatheria, orde Artiodactyla), vertegenwoordigers van de orde Hyaenodonta (onderklasse Theriiformes, Placentalia, superorde Ferae, familie Hyaenodontidae, onderfamilie Hyaenodontidae, genus Hyaenodon), van de familie Chalicotheriidae (Theriiformes, Placentalia, orde Perissodactyla (Onevenhoevigen), onderorde Ancylopoda, genus Chalicotherium), van de orde Cetartiodactyla (onderorde Suina, familie Entelodontidae, genus Entelodon) en van de orde Rodentia (Theriiformes, Placentalia). Vanwege hun enorme omvang is fossilisatie relatief zeldzaam; gedeeltelijke schedels, kaken en losse beenderen van ledematen zijn de meest voorkomende skeletelementen. De paleontologische context toont aan dat Paraceratherium van het toneel verdween toen de overgang van het Oligoceen naar het Mioceen een temperatuurdaling, drogere perioden en verschuivingen van hun habitat weg van bossen met zich bracht. Naarmate open graslanden en savannes zich in hun habitat uitbreidden, werden hun zeer gespecialiseerde dieet en immense omvang meer dan waarschijnlijk een evolutionair nadeel ten opzichte van modernere, grasetende zoogdieren. Fossielen van Paraceratherium worden aangetroffen in een grote verscheidenheid aan sedimentaire contexten. Dit weerspiegelt hun uitgebreide geografische verspreiding over Eurazië :
Kazachstan
[bewerken | brontekst bewerken]Indricotheriumformatie
[bewerken | brontekst bewerken]De Indricotheriumformatie (Midden-Oligoceen), met de informele Indricotheriumhorizont, beslaat een deel van het synclinale Ili Basin (een geologisch bekken) in Noord-Tien Shan, Oost-Kazachstan. De formatie werd genoemd naar Indricotherium Borissiak (1916), een junior synonym van het gelijkaardige, maar eerder beschreven genus Paraceratherium Forster-Cooper (1911), en al geruime tijd niet meer gebruikt door de meeste onderzoekers. Ontsluitingen van de formatie zijn geconcentreerd in de centrale syncline en aangrenzende anticlinale kernen, zoals de Aktau Anticline. Deze ruimtelijke verdeling weerspiegelt het Oligocene sedimentatielandschap van rivier- en beeksystemen en overstromingsvlaktes in het noordelijke Tien Shan voorland. Bekende ontsluitingslocaties bevinden zich voornamelijk in de kern van het bekken en bevatten gewervelde fossielen, onder meer Paraceratherium (Voigt et al., 2011). Als gevolg van de synclinale geometrie en van de afzettingspatronen varieert de dikte van de formatie lateraal (in de breedte), waardoor in het midden van het bekken voldoende diepte wordt bereikt om in het stratigrafisch profiel (de (verticale) opeenvolging van gesteentelagen) de oudste Kenozoïsche sedimentatiefasen waarneembaar te maken, waaronder kanaalvullingen,[11] overstromingsafzettingen[12] en paleosols (zoals caliche[13] en gypsisols). Deze diktevariaties ontstaan door onregelmatige fluviatiele afzetting en latere tektonische plooiing. De reconstructie van de paleogeografie van het bekken gebeurt op basis van stratigrafische kartering (Voigt et al., 2011).
De afzettingen van de Indricotheriumformatie vormen de basale opvulling van het Ili Basin en worden gekenmerkt door variërende lithofacies[14] die dynamische rivierpaleomilieus weerspiegelen, waaronder grofkorrelige stroomgeulzanden en fijnerkorrelige, buiten de oevers afgezette silt- en kleilagen (overstromingsafzettingen of overbank deposits). Sedimentaire strukturen, zoals cross-bedding in de stroomgeulfacies, wijzen op sterke stroming ('hoge energiestromingsregime'), terwijl dunne moddersteenlaagjes en horizontale laminatie in het areaal van overstromingsvlaktes duiden op periodieke overstromingen en sedimentatie door zwakke stroming ('lage energiestromingsregime') (Kley et al., 2010). De variaties in lithofacies treden lateraal op door het bekken heen en vertonen een overgang van grovere, door zand gedomineerde afzettingen nabij de sedimentbronnen naar meer afgelegen kleirijke overstromingsvlaktesequenties,[15] waardoor de invloed van de bekkenbrede fluviatiele dynamiek benadrukt wordt. De minerale samenstelling wordt gedomineerd door kwartshoudende zanden en kleimineralen in de silt- en kleisteen, wat consistent is met een herkomst uit nabijgelegen bergachtige terreinen, hoewel gedetailleerde geochemische analyses nog beperkt zijn (Kley et al., 2010).
Fossielen afkomstig uit de Indricotheriumformatie en andere gerelateerde vindplaatsen uit het Oligoceen van Kazachstan (waaronder de regio's van de Turgay Trog en het Aralmeer) geven inzicht in de verspreiding van de Euraziatische Oligocene fauna, in het bijzonder in de westwaartse migratie van Paraceratheriidae van het Mongoolse Plateau naar Centraal-Azië (Kazachstan en Mongolië) (Deng et al., 2021). Fossielen afkomstig uit de regio's van de Turgay Trog en het Aralmeer documenteren soorten uit het vroege tot late Oligoceen, zoals Paraceratherium asiaticum ('Paraceratherium transouralicum') en P. lepidum, deel uitmakend van een diverse zoogdiergemeenschap die aangepast was aan vlaktes met verspreide bossen (Deng et al., 2021). De ouderdom van de Indricotheriumformatie werd biostratigrafisch bepaald en benadrukt de rol ervan bij het correleren van continentale (gevormd op het land) en mariene lagen, afgezet in een periode van regionale tektonische activiteit en verkoeling van het klimaat (Voight et al., 2011).
De biostratigrafie van de formatie is voornamelijk op de zoogdierpaleofauna[16] gebaseerd die als een belangrijke indicator dient voor relatieve datering van het Oligoceen van Centraal-Azië. De thanatocoenose, die de Indricotheriumfauna genoemd wordt, wordt gekenmerkt door indexsoorten zoals de reusachtige neushoornachtige Paraceratherium, maar ook genera van de orde Hyaenodonta (onderklasse Theriiformes, infraklasse Placentalia, superorde Ferae), van de familie Chalicotheriidae (Theriiformes, Placentalia, orde Perissodactyla (Onevenhoevigen), onderorde Ancylopoda), van de orde Rodentia (Theriiformes, infraklasse Placentalia, superorde Euarchontoglires) en vroege vertegenwoordigers van de orde Artiodactyla (Theriiformes, infraklasse Placentalia, superorde Laurasiatheria). Deze vijf taxa zoogdieren definiëren samen een onderscheiden biozone die de faunale veranderingen gedurende dit interval weerspiegelt (Coombs, 1976). De Indricotheriumfauna correleert met het Laat-Oligocene Aziatische biochronologisch[17] landzoogdiertijdperk Tabenbulukiaan.[18] Deze correlatie is gebaseerd op het gemeenschappelijke voorkomen van Paraceratherium en geassocieerde onevenhoevigen in equivalente lagen in Kazachstan en Mongolië. Aldus sluit de Indricotheriumformatie aan bij regionale Oligocene stratigrafische eenheden met Paraceratheriumgedomineerde levensgemeenschappen, waar biozones afgebakend worden door de aanwezigheid van afgeleide ('geavanceerde') Rhinocerotoïden en post-Eocene knaagdierdiversificaties (Deng et al., 2021; Kordikova, 1998). Voorlopige biozonering of paleobiostratigrafie[19] binnen de formatie toont subtiele faunale verschuivingen (faunal shifts),[20] waarbij lagere (oudere) stratigrafische niveaus worden gedomineerd door Paraceratheriumhoudende levensgemeenschappen en de bovenste (jongste) niveaus een toegenomen paleobiodiversiteit aan kleine zoogdieren laten zien. Dit vergemakkelijkt plaatselijke correlaties doorheen de geologische bekkens in Kazachstan, zoals het Aralmeergebied (Lucas & Kordikova, 1998). De biozonering wijst op het belang van de Indricotheriumformatie in regionale paleobiostratigrafische arealen die Centraal-Aziatische sequenties[15] met elkaar verbinden zonder afhankelijk te zijn van absolute geochronologie (Kordikova, 1998).
Aralformatie
[bewerken | brontekst bewerken]De Aralformatie in West-Kazachstan is vernoemd naar de regio Noord-Aral en het bekken van het Aralmeer, waar de typelocaties zoals Akespe en Altynshokysu zich bevinden. De naam Aral is afkomstig uit Turkse talen en betekent 'eiland'. De formatie is ook wel bekend als de 'Corbulalagen', fossielhoudende lagen met Corbula helmerseni, een uitgestorven soort zout watermossel, in de huidige systematiek bekend als Lentidium helmerseni en in 1912 voor het eerst beschreven door George Mikhailovski. De soort fungeert als een belangrijk gidsfossiel in sedimentaire gesteenten die in Oligocene en Miocene mariene tot brak waterpaleomilieus gevormd werden. De periode waarin de Aralformatie ontstond correspondeert met de regressieve fase van de Paratethys, een periode met sedimentatie in lagune- en meerpaleomilieus op een kustvlakte. Hoewel de precieze ouderdom van de formatie onderwerp is geweest van historisch wetenschappelijk debat onder paleontologen, plaatst consensus het voornamelijk in het Laat-Oligoceen, 27,30 tot 23,04 miljoen jaar geleden, specifiek in de etage Chattien en het Aziatische biochronologisch[17] landzoogdiertijdperk Tabenbulukiaan.[18] Onder meer bijv. Popov et al. (1993) hebben in het verleden geopperd dat de Aralformatie zich tot in het Onder-Mioceen uitstrekt (Lopatin, 1996).
De Aralformatie komt voor in het noordelijke deel van het Aralgebied, in het oosten van het Ustyurt Plateau en in het zuidelijke deel van de Turgayvlakte. Doorgaans bestaat ze uit grijsgroene kalkhoudende kleisteen met tussenlagen van veelkleurige kleisteen, siltsteen en slecht geconsolideerde zandsteen. Deze afzettingen vertegenwoordigen lage-energie aquatische milieus[21] met trage sedimentatie, die in de loop van miljoenen jaren overgingen in terrestrische[7] overstromingsvlakten. De Aralformatie varieert in dikte en in lateraal voorkomen (in het horizontaal vlak). Doorgaans zijn er twee typen profielen ontsloten: het westelijke zandig-siltig-kleiige profieltype met een gering aandeel carbonaatgesteenten (kalksteen), en het oostelijke kleiig-carbonatische type met een klein aandeel zandige en siltige gesteenten. Het profiel van de typelocatie Altynshokysu behoort tot het oostelijke type, al is het aandeel silt en zand op deze locatie groter dan bv. op de typelocatie Akespe. De Aralformatie bedekt concordant de zanden van de Chagraiformatie en dagzoomt in het bovenste deel van de steile zuidwestelijke helling van het Altynshokysu Plateau waar het 15–20 m dikte bereikt en uit kleiige en carbonaat-kleiige gesteenten bestaat met een geringe bijmenging van klastisch materiaal. De formatie kan worden onderverdeeld in members met onderling verschillende lithologische kenmerken. Van onder (ouder) naar boven (jonger) : member 1) lichtgrijze kleiige siltsteen (tot 1 m dik), member 2) lichtgrijze en groengrijze klei met tussenlagen van mergel (tot 18 m dik) en member 3) zandige kalksteen, zandsteen en zand (tot 1 m dik). Naast de kenmerkende schelpen van het tweekleppige weekdier Corbula helmerseni en resten van slakken (Gastropoda), bevatten de klei- en siltlagen van de Aralformatie beenderen van diverse vissen (informele groep Pisces), amfibieën (Amphibia), schildpadden (Testudines), vogels (Aves) en zoogdieren (Mammalia) (insecteneters (Eulipotyphla), haasachtigen (Lagomorpha), knaagdieren (Rodentia), roofdieren (Carnivora), walvisachtigen (Cetacea), onevenhoevigen (Perissodactyla) en evenhoevigen (Artiodactyla)). Laag 8 van member 2 bevat resten van onevenhoevigen uit de superfamilie Rhinocerotoidea indet.[22]
Het species Paraceratherium dat in de Aralformatie aangetroffen wordt is 'Paraceratherium transouralicum', door Maria Vasilievna Pavlova[23] in 1922 initieel 'Indricotherium transouralicum' genoemd en dikwijls beschouwd als synoniem van of gegroepeerd met Paraceratherium asiaticum (Lucas & Sobus, 1989). De Aralformatie bevatte een van de meest volledige bekende 'Indricotherium' (= Paraceratherium)skeletten (maar met ontbrekende schedel), opgegraven tijdens een van de expedities tussen 1910 en 1916 van de Russische Academie van Wetenschappen en opgesteld in het Orlov Paleontological Museum van de Russische Academie van Wetenschappen in Moskou. Het diende als basis voor de belangrijkste Paraceratheriine skeletreconstructies van het midden van de twintigste eeuw, zoals de reconstructie uit 1959 door de Sovjetpaleontologe Vera Isaakovna Gromova (1891-1973), gespecialiseerd in fossiele hoefdieren (informele groep Ungulata) en verbonden aan de Russische Academie van Wetenschappen. In 1916 gebruikte de Russische en Sovjet geoloog en paleontoloog Aleksei Alekseevich Borissiak (1872-1944) dit skelet om een nieuw genus (geslacht) in te voeren, 'Indricotherium' ('Indrik-beest'), vernoemd naar een mythologisch Russisch monster. In 1922 kende Pavlova officieel de soortnaam (soortaanduiding) 'transouralicum' toe. In 1923 dan weer gaf Borissiak het genus de soortnaam 'asiaticum'. Maar omdat Pavlova het jaar ervóór de soort 'Indricotherium transouralicum' had beschreven, werd 'Indricotherium transouralicum' prioritair de geldige combinatie. 'Indricotherium asiaticum Borissiak, 1923' is al meer dan een eeuw geen valide soort meer en wordt beschouwd als een junior synonym van 'Indricotherium transouralicum Pavlova, 1922'. Latere taxonomische revisies wezen uit dat 'Indricotherium' qua bouw identiek is aan het eerder benoemde geslacht Paraceratherium Forster- Cooper, 1911. Als gevolg daarvan werd 'Indricotherium transouralicum Pavlova, 1922' hernoemd als Paraceratherium (Indricotherium) transouralicum Pavlova, 1922. Het geslacht 'Indricotherium' zelf wordt door moderne paleontologen meestal beschouwd als een junior synonym van Paraceratherium. Deng et al. (2021) en andere onderzoekers beschouwen Paraceratherium (Indricotherium) transouralicum als het vrouwelijke dier van Paraceratherium bugtiense en dus niet als twee afzonderlijke soorten. De in de beenderen vastgestelde anatomische verschillen, zoals de welving van de scheldel, kan het gevolg zijn van sexueel dimorfisme binnen een enkele wijdverspreide soort (Paraceratherium bugtiense). Van Paraceratherium (Indricotherium) transouralicum Pavlova, 1922 (Paraceratherium bugtiense, sensu Deng et al., 2021) werd in de Shintuzsay paleontologische vindplaats in de Chelkarnurinformatie in het Qostanaydistrict van Noord-Kazakhstan veertig kilometer ten zuidoosten van de stad Turgay eveneens een skelet gevonden, maar dan een volledig. Het wordt tentoongesteld in het Museum of Nature in de Academy of Sciences in Almaty, Kazachstan. Hoewel oudere literatuur deze Paraceratheriinae dikwijls onderbrengt in een brede interpretatie van de 'regionale Aral-etage' of de Indricotheriumformatie, plaatst moderne sequentiestratigrafie de belangrijkste verspreiding van Paraceratherium asiaticum ('Paraceratherium transouralicum') iets dieper in de regionale stratigrafische kolom, voornamelijk binnen de Laat-Oligocene Chiliktaformatie en de Laat-Oligocene Chagrayformatie.
Chelkarnurinformatie
[bewerken | brontekst bewerken]De Chelkarnurinformatie bevindt zich voornamelijk in de Turgay Trog (geologisch bekken) in de zuidelijke uitlopers van het Turgayplateau (Chelkarnuragebergte) in het Qostanaydistrict van Noord-Kazakhstan. De sedimentaire gesteenten van de formatie dateren uit het bovenste Onder-Oligoceen tot Boven-Oligoceen tijdvak (etages Rupelien–Chattien) (Nigmatova et al., 2026). De formatie bestaat voornamelijk uit lagen groene, dense, blokvormige klei waarin dikwijls gips- en siderietnodules[24] worden aangetroffen. Dit wijst op laagland-lacustrine of fluviatiele afzettingspaleomilieus. Wereldberoemd in de Chelkarnurinformatie is de Midden-Oligocene fossielrijke Shintuzsay paleontologische vindplaats veertig kilometer ten zuidoosten van de stad Turgay in het Qostanaydistrict, met onder meer en vooral een uitzonderlijk goed gepreserveerd en volledig skelet van de gigantische hoornloze neushoornachtige Paraceratherium (Indricotherium) transouralicum Pavlova (1922), een van de grootste landzoogdieren die ooit geleefd hebben. Het skelet werd ontdekt door de Sovjetpaleontoloog M.D. Birjukov en later wetenschappelijk beschreven door de Sovjetpaleontologe Maria Vasilievna Pavlova[23] in 1922. Het wordt tentoongesteld in het Museum of Nature in de Academy of Sciences in Almaty, Kazachstan[25].
De geologische context van de Shintuzsaylocatie wordt gekenmerkt door fijnkorrelige roodkleurige en gevlekte kleiien met afwisselende zand- en siltlagen die zich tijdens het Midden-Oligoceen, ca. 28,5 miljoen jaar geleden, opgehoopt hebben in een laaggelegen bekken. De fossielhoudende lagen zijn sedimenten die op oude overstromingsvlaktes gevormd werden, in traag stromende rivieren en in ondiepe, 'wandelende' meren (shifting lakes).[26] De kleur van de sedimenten wijst op diepe verwering in een vochtig tot subtropisch klimaat dat uiteindelijk overging in een meer gematigd klimaat met gemengde bossen. De fijnkorrelige klei- en siltlagen zijn uitermate geschikt om delicate plantenafdrukken (taphoflora)[27] en zoogdierbeenderen te preserveren. Fossiele pollen en gedetailleerde bladafdrukken van soorten zoals Cercidiphyllum crenatum maken het mogelijk om het toenmalige klimaat en de toenmalige vegetatie van het Turgaygebied te reconstrueren. De Shintuzsayvindplaats wordt beschouwd als een belangrijke locatie voor het in kaart brengen van de verschuiving van de vroege subtropische vegetatie uit het Eoceen naar fundamenteel andere, matig vochtminnende bossen. De paleontologische context van de vindplaats toont een diverse mix van zowel oude subtropische flora als nieuwere, zeer adaptieve planten aangepast aan een gematigd klimaat (zoals redwood en elzen). Buiten Paraceratherium bugtiense werden op de Shintuzsayvindplaats onder meer nog twee andere soorten onevenhoevigen (Perissodactyla) aangetroffen : Ardynia kazachstanica Radinsky (1967) (onderorde Ceratomorpha, superfamilie Rhinocerotoidea, familie Hyracodontidae), en Protapirus gromovae Birjukov, 1972 (familie Tapiridae).
Binnen-Mongolië
[bewerken | brontekst bewerken]Naogangdaiformatie
[bewerken | brontekst bewerken]
De Naogangdaiformatie is een belangrijke paleontologische en geologische vindplaats in het Erlianbekken (geologisch bekken) in Centraal-Binnen-Mongolië (Gobiwoestijn), een autonome regio in China. De formatie dateert uit de era Kenozoïcum, periode Paleogeen (geologisch tijdperk Vroeg-Oligoceen) en staat bekend om rijke lagen fossiele zoogdieren, waaronder knaagdieren (orde Rodentia) en onevenhoevigen (orde Perissodactyla). De lithologische samenstelling van de formatie is een afwisseling van lagen zandsteen, kleisteen en veelkleurige mudstone. Geologen onderscheiden een Onder-Naogangdaiformatie (laat Onder-Oligoceen, Bai et al., 2018) met de Middle White Beds en Upper Red Beds, en een Boven-Naogangdaiformatie (laat Onder-Oligoceen, Bai et al., 2018), met resten van grote zoogdieren zoals de gigantische neushoornachtige Paraceratherium grangeri (vindplaats 'Holy Mesa'), Ardynia kazachstanensis (een Hyracodontide) en Zaisanamynodon borisovi (een Aminodontide). De Upper Red Beds staan bekend om een diverse variëteit aan knaagdieren, waaronder Cricetidae (superfamilie Muroidea) en Dipodidae (superfamilie Dipodoidea), beide behorend tot de onderorde Myomorpha. De Boven-Naogangdaiformatie wordt ook de 'Upper White Layer' genoemd. Deze wordt gedomineerd door grijswitte tot gele grofkorrelige zandsteen, los geelkleurig zandig grind en leverkleurige mudstone. De Middle White Beds en Upper Red Beds van de Onder-Naogangdaiformatie zijn samengesteld uit veelkleurige moddersteen, baksteenrode zandige kleien met kalkhoudende nodulen[24] en diepbruinrode moddersteen.
China
[bewerken | brontekst bewerken]Jiaozigouformatie
[bewerken | brontekst bewerken]De Jiaozigouformatie bevindt zich in het Linxia Basin (geologisch bekken) in de Gansu provincie van noordwest-China (Volksrepubliek China). In deze Laat-Oligocene formatie werden in 2015 nabij het dorp Wangjiachuan een goed gepreserveerde volledige schedel en (onder)kaak met de geassocieerde eerste halswervel (atlas) (tezamen holotype HMV[28] 2006) van een volwassen individu, en de wervelkolom en twee thoraxwervels van een ander individu (paratype HMV 2007) van de soort Paraceratherium linxiaense gevonden. Zij dienden als de basis voor de beschrijving en de naamgeving van de soort in 2021. De beenderen zijn ongeveer 26,5 miljoen jaar oud (Laat-Oligoceen, tijdsnede Chattien), tonen aan dat Paraceratherium linxiaense een nieuw ontdekte, sterk gespecialiseerde soort is en dat voorouderlijke gigantische neushoornachtigen vrij door Centraal-Azië konden trekken zonder te worden tegengehouden door het Tibetaans Plateau. P. linxiaense wijst op een noordelijk verspreidingsgebied waar deze soort een nauwe evolutionaire band had met Paraceratherium lepidum (Laat-Oligoceen).
De formatie bestaat uit bruinachtige, grofkorrelige conglomeraatachtige zandsteen met grootschalige cross-bedding (kruisgelaagdheid) in het onderste deel, en uit bruinrode siltige moddersteen (mudstone) met secundair gips[29] in het bovenste deel. Fossielen van neushoornachtigen (Rhinocerotoidea) zijn afkomstig uit de zandsteen in het onderste deel van deze formatie. Vindplaatsen zijn Jiaozigou (het dorp waarnaar de formatie genoemd is), Yagou, Tala en Wangjiachuan in het district Dongxiang (bv. Qiu & Wang, 2007; Deng et al., 2021). Van de twaalf bekende grote zoogdieren in de Jiaozigouformatie behoren er negen tot de neushoornachtigen en vormen dan ook de dominante groep met 75% van het totaal aantal aanwezige soorten. Deze omvatten Hyracodontidae, Paraceratheriidae en Rhinocerotidae.

Paraceratherium linxiaense was de dominerende soort in een divers en dynamisch paleo-ecosysteem[30] dat bewaard bleef in de afzettingen van de Jiaozigouformatie in het Linxia Basin. De co-fauna[31] bestond uit een zeer diverse groep grote herbivore en carnivore zoogdieren, sterk gedomineerd door vroege verwanten van de neushoorn, en uit zeer diverse kleine in verspreide bossen levende zoogdieren. Het Linxia Basin was een hotspot voor prehistorische neushoornachtigen (superfamilie Rhinocerotoidea). Paraceratherium linxiaense deelde zijn habitat met andere gigantische neushoornachtigen zoals Turpanotherium en Dzungariotherium (beide orde Perissodactyla (onevenhoevigen), familie Paraceratheriidae, onderfamilie Paraceratheriinae), met de semi-aquatische[32] neushoorn Aprotodon (Perissodactyla, familie Rhinocerotidae (neushoorns)) en de gespecialiseerde Ardynia (Perissodactyla, onderorde Ceratomorpha, Rhinocerotoidea, familie Hyracodontidae) (Deng et al., 2023). Andere megamammalia (grote tot zeer grote zoogdieren) naast Rhinocerotoidea en Rhinocerotidae waren Entelodontidae (orde Artiodactyla (evenhoevigen)) zoals de omnivore Paraentelodon (de hell pig), met het formaat van een moderne neushoorn en uitgerust met zeer krachtige kaken. Een hoge grazer was Schizotherium (Perissodactyla, familie Chalicotheriidae, onderfamilie Schizotheriinae). Het gebruikte de gekromde klauwen aan de voorpoten als haken om takken naar beneden te trekken en bladeren, vruchten, schors en twijgen van bomen te plukken. Schizotherium is een kleiner zoogdier dat een bijzondere plaats inneemt binnen de paleontologie. Het zag eruit als een bizarre kruising tussen een modern paard en een grondluiaard. Door de gekromde klauwen bewoog het zich waarschijnlijk voort op de knokkels. Fossielen worden aangetroffen in het Oligoceen van Eurazië, van China, Mongolië en Kazachstan tot in West-Europa. Apex predatoren[33] waren de Hyaenodonta Hyaenodon weilini en Megalopterodon sp. (familie Hyaenodontidae, onderfamilie Hyaenodontinae). Deze laatste was een reusachtige soort waarvan fragmentarische resten van zeer grote tanden en kaken algemeen gevonden worden in de Jiaozigouformatie. Megalopterodon sp. was een zeer grote hyena-achtige carnivoor die op grote prooien joeg. Vele onderzoekers beschouwen het als een synoniem voor Hyaenodon mongoliensis. Naast deze megamammalia leefde een zeer diverse levensgemeenschap 'microzoogdieren'. Hiertoe behoorden de primitieve, zwaargebouwde en gravende knaagdierachtige Tsaganomys (orde Rodentia, familie Tsaganomyidae), oerhamsters zoals Eucricetodon en Bagacricetodon (Rodentia, superfamilie Muroidea, familie Cricetidae, onderfamilie Cricetinae), primitieve slaapmuizen (Rodentia, onderorde Sciuromorpha, familie Gliridae) en vroege zwevende knaagdieren zoals Eomyodon (Rodentia, superfamilie Eomyoidea, familie Eomyidae) (Wang et al., 2023).
Onderzoek naar stabiele isotopen[34] door en geologische gegevens van het Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology (IVPP) (Chinese Academy of Sciences) te Beijing, Volksrepubliek China, schetsen een duidelijk beeld van het paleomilieu : weelderige, open bosgebieden in een vochtig en tropisch tot subtropisch klimaat. De regio kenmerkte zich door een mozaïeklandschap bestaande uit dichte subtropische bossen die naadloos overgingen in open bosgebieden en rivierdalen. Omdat er zoveel grote neushoornachtigen en neushoorns samenleefden moesten voedselbronnen verdeeld worden om overconcurrentie te vermijden. Terwijl kleinere neushoorns, zoals Allacerops (Perissodactyla, Rhinocerotoidea, familie Eggysodontidae of onderfamilie Eggysodontinae in familie Hyracodontidae), dichter bij de grond aten in meer open gebieden, gebruikte Paraceratherium linxiaense zijn girafachtige nek en flexibele bovenlip om bladeren uit de toppen van hoge bomen te eten. Deze voedselbron was voor geen enkel ander dier bereikbaar. De aanwezigheid van deze subtropische en tropische fauna in het Linxia Basin toont aan dat het Tibetaans Plateau tijdens het Oligoceen nog geen barrière op grote hoogte vormde. De topografie was veel lager, waarschijnlijk onder de tweeduizend meter. Er was een vochtige doorgang in het laagland waardoor onder meer de gigantische neushoornachtige Paraceratheriinae zich vrij door Centraal- en Zuid-Azië konden verplaatsen (Biasatti et al., 2018).
Xianshuiheformatie
[bewerken | brontekst bewerken]In 2025, in het Duitse wetenschappelijk tijdschrift Palaeontographica (Abteilung A), beschreven Li et al. (Li, Z. et al.) uit de pakketten gele zandsteen in het onderste deel van de fossielrijke Onder-Xianshuiheformatie te Huangyangtou, een klein dorp ca. dertig km. ten noordwesten van Lanzhou (provincie Gansu, Volksrepubliek China), postcraniale[35] beenderen van Paraceratherium huangheense. Deze soort werd in 2017 door Li et al. (Li, Y-X et al.) genoemd naar de Huanghe, de Gele Rivier, in de buurt waarvan de soort voor het eerst gevonden werd. Fossielen van Paraceratherium huangheense zijn beperkt tot het late Onder-Oligoceen van het Lanzhou Basin, een geologisch bekken in het centrale deel van de provincie Gansu, in het dal van de Gele Rivier. Het zijn de eerste fossielen van deze soort uit de Onder-Xianshuiheformatie. De specifieke vinddata van deze postcraniale beenderen zijn niet expliciet vastgelegd in de beschikbare literatuur. De Xianshuiheformatie maakt deel uit van een gebied waar Chinese paleontologen de afgelopen twee decennia met tussenpozen veldwerk hebben verricht en fossielen hebben verzameld. Vóór de vondsten uit de Onder-Xianshuiheformatie waren enkel een rechter(onder)kaak en tanden (holotype NWUV[36] 1479) bekend uit het Onder-Oligoceen van de Hanjiajingformatie (paleomagnetische ouderdom : 31,5 miljoen jaar) van het Lanzhou Basin, provincie Gansu, ontdekt in 2015 en in 2017 in het Chinese wetenschappelijk tijdschrift Vertebrata Palasiatica beschreven door Li et al. (Li, Y-X et al.).
De door Li et al. in 2025 beschreven postcraniale skeletelementen leveren aanvullende morfologische kenmerken en maken een gedetailleerde vergelijking met andere grote Paraceratheriinae mogelijk. Desalniettemin zijn er meer fossielen nodig om kenmerken te kunnen vaststellen die nog meer identificatie op het niveau van de soort Paraceratherium huangheense mogelijk maken. De postcraniale beenderen uit de Onder-Xianshuiheformatie leverden belangrijke gegevens met betrekking tot de afmetingen van de ledematen, de voortbeweging, de totale lichaamsgrootte en het lichaamsgewicht. De aangetroffen hals- en rompwervels, zoals de atlas (de eerste halswervel) en delen van de wervelkolom, werpen licht op de lange gespecialiseerde nek. Onvolledige en volledige ledemaatbeenderen, zoals dijbeen, scheenbeen en middenvoetsbeenderen, en enkelbeenderen zoals het sprongbeen (astragalus of talus) en het hielbeen (calcaneus), werden gebruikt voor onder meer het bepalen van het lichaamsgewicht dat op ongeveer 14,5 ton geschat werd.

De Xianshuiheformatie is ontsloten in onder meer de geologische bekkens van Lanzhou en Xining in Noordwest-China en bestaat voornamelijk uit niet-mariene afzettingen uit het late Onder-Oligoceen tot het Midden-Mioceen. Het Xiningbekken ligt ca. 200 kilometer ten westen van Lanzhou, in het oosten van de provincie Qinghai, nabij de oostelijke rand van het Qinghai-Tibetaans Plateau. De Lower Member van de Xianshuiheformatie wordt gekenmerkt door gele zandsteen, moddersteen (mudstone) en kleiige zandsteen uit het late Onder-Oligoceen en vertoont vele paleomagnetische kenmerken die corresponderen met geomagnetische chrons met een ouderdom van ca. 28,4 – 23 miljoen jaar (ca. 28,4 – 23 Ma). De Upper Member bereikt een dikte van meer dan driehonderd meter en bevat voornamelijk lichtoranje en gele zandsteen en conglomeraten, afgewisseld met siltsteen en moddersteen, en bevat een hoog gehalte zandige matrix (Deng et al., 2019). De formatie biedt een zeer betrouwbaar paleoseismisch[37] en geochronologisch archief (Liu et al., 2022). Paleomagnetische bemonstering, bv. door middel van gedetailleerde polariteitskolommen,[38] dateert de formatie van ongeveer 31 miljoen jaar oud (31 Ma) (op de ondergrens) tot ongeveer 15 Ma (op de bovengrens) (Liu et al., 2022). Deze betrouwbare magnetostratigrafie stelt geologen in staat om veranderingen in de tijdschaal van geomagnetische polariteit in kaart te brengen naast paleontologische referentiepunten (Zhanxiang, 2001). Het gebied is tektonisch verbonden met de Xianshuihe-breukzone (Xianshuihe Fault System (XSHF)), een ongeveer 350 km lange, noordwest-zuidoost lopende links-laterale afschuivingsbreuk aan de zuidoostelijke rand van het Tibetaans Plateau (Zhanxiang, 2001). De breukzone snijdt door de omgevende sedimentaire gesteenten en stollingsgesteenten. Frictional heating[39] en post-seismische hydrothermale vloeistoffen[40] in de breukkern leiden tot complexe geologische alteratie, waaronder de precipitatie van kwarts, veldspaat en carbonaat (bv. Lemot et al., 2024; Haibing Li et al., 2023).
De Xianshuiheformatie en omgevende afzettingen staan bekend om hun inhoud belangrijke fossielen van vooral megamammalia (grote zoogdieren) uit het Midden-Tertiair (tijdvakken Oligoceen en Mioceen). Paraceratherium huangheense leefde in de subtropische tot semi-aride[8] open bosgebieden[9] (open woodland) van de Lanzhou- en Linxia geologische bekkens in de Chinese Gansu Provincie (bv. Li, Z. et al., 2025; Li, Y. et al., 2017) en deelde het paleo-ecosysteem[30] met megaherbivoren (grote tot zeer grote planteneters), vroege carnivoren en kleine zoogdieren (Zhang et al., 2018). Andere grote herbivoren die leefden van bladeren en twijgen waren onder meer de zeer grote varkensachtige omnivoor Paraentelodon (orde Artiodactyla, familie Entelodontidae), de neushoorn Aprotodon (orde Perissodactyla, onderorde Ceratomorpha, superfamilie Rhinocerotoidea, familie Rhinocerotidae) en de grote, bladeren en twijgen etende Chalicotheriër met klauwachtige hoeven Schizotherium (Perissodactyla, familie Chalicotheriidae, onderfamilie Schizotheriinae) (bv. Quan et al., 2025; Li, Z. et al., 2016). De belangrijkste grote roofdieren in het paleo-ecosysteem waren grote Hyaenodonta (superorde Ferae, orde Hyaenodonta) die gespecialiseerd waren in de jacht op vroege herbivoren. Op de graslanden leefden diverse kleinere zoogdieren zoals Ctenodactylidae (kamvingers), eekhoornachtige knaagdieren (onderklasse Theriiformes, infraklasse Placentalia, orde Rodentia), en vroege haasachtigen (superorde Euarchontoglires, orde Lagomorpha, familie Palaeolagidae) (Li, Z. et al, 2016).
Het Aziatische moesson-aride milieusysteem begon zich tijdens het Oligoceen te ontwikkelen, de exacte ligging van de grens van de aride zone in die periode is echter onzeker. Fossiele zoogdiergemeenschappen kunnen worden gebruikt om de leefomgeving van een gebied te reconstrueren. De fossiele soorten die in de Onder-Xianshuiheformatie aangetroffen worden, maken deel uit van de Nanpopingfauna uit de bovenste Onder-Oligocene lagen van het geologisch bekken van Lanzhou. Deze paleofauna[16] wordt gekenmerkt door zoogdieren van twee verschillende groottes. Kleine soorten waren knaagdieren van graslanden, zoals de Ctenodactylidae, terwijl de grote soorten bewoners van open bossen[9] waren, zoals Paraceratherium en Paraentelodon. Van de 23 geïdentificeerde zoogdiersoorten in de Nanpopingfauna was ca. 40% bosbewonend, terwijl de overige ca. 60% kenmerkend waren voor graslanden. De Nanpopingfauna werd vergeleken met de even oude (contemporaine) Dingdanggoufauna uit het noordelijk gelegen Danghegebied in West-Gansu en de Jiaozigoufauna uit het zuidelijk gelegen Linxiagebied in Zuidwest-Gansu. De Nanpopingfauna bevat genera van beide andere fauna's en vormt daardoor een overgangslevensgemeenschap tussen bos- en graslandfauna, waaruit kan afgeleid worden dat de zuidelijke grens van de aride zone in het Chinese Oligoceen waarschijnlijk in de nabijheid van het geologisch bekken van Lanzhou lag (Li, Z. et al, 2016).
Mongolië
[bewerken | brontekst bewerken]Hsanda Gol-formatie
[bewerken | brontekst bewerken]De Hsanda Gol-formatie is een pakket sedimentair gesteente uit het Oligoceen, gelegen in het gebied van Valley of Lakes in Centraal-Mongolië (noordelijke Gobiwoestijn). Centraal-Mongolië is een geografisch gebied binnen de soevereine staat Mongolië. De Hsanda Gol-formatie strekt zich uit over de geologische bekkens van Taatsiin Tsagaan Nuur (of Tsagan Nor) en Taatsiin Gol, is het meest ontsloten langs een zuidwest-noordoost lopende kam ten oosten van een basaltplateau tussen de stromen Tatal Gol en Hsanda Gol en vormt een belangrijk gesteentepakket in de Kenozoïsche sedimentaire opvulling van het Tsagan Norbekken. De precieze chronostratigrafie is vastgesteld aan de hand van ingesloten basalten die gedateerd zijn met behulp van ⁴⁰Ar/³⁹Ar-radiometrische datering (bijv. basalt I werd gedateerd op ca. 31,5 Ma) en magnetostratigrafische correlatie (Daxner-Höck et al., 2017). De formatie bestaat hoofdzakelijk uit roodbruine tot donkerbruine siltige kleisteen, kleisteen en alternerende horizonten caliche,[13] indicatief voor paleosols. Het vertegenwoordigt fluviolacustriene en eolische sedimentatiepaleomilieus in een semi-aride steppelandschap met efemerische[41] rivieren en playameren[42] (Harzhauser et al., 2016). De formatiedikte varieert per locatie met secties tot wel veertig meter dikte in ontsloten heuvelruggen, hoewel samengestelde sequenties[15] een grotere algehele accumulatie suggereren (Daxner-Höck et al., 2017). De Hsanda Gol-formatie bedekt de Tsagan Ovoformatie uit het Laat-Eoceen en wordt onderverdeeld in onderste en bovenste beds.[43] Deze worden door basalt I gescheiden, met in bepaalde gebieden aanvullende members zoals de Tatal Member en de Shand Member. De Hsanda Gol-formatie wordt bedekt door de Lohformatie uit het Mioceen (Daxner-Höck et al., 2017) en is lithologisch monotoon met zeldzame zandlenzen en fossiele graafgangen. De Hsanda Gol-formatie wordt gekenmerkt door slecht gesorteerde sedimenten afkomstig van noordelijke sedimentatiebronnen, wat wijst op lage-energiesedimentatie onder toenemende droogte, beïnvloed door de uplift van het Hangaygebergte en het Tibetaanse Plateau (Harzhauser et al., 2016). Paleomilieu-indicatoren, waaronder calichenodules[24] en slakkenhuisjes van bv. het genus Vallonia, wijzen op episodische vochtigheid binnen een dominant semi-aride regime, onderdeel van een bredere aride gordel in Centraal-Azië (Daxner-Höck et al., 2017).
De formatie is vanuit paleontologisch oogpunt bekend om een bestand van meer dan 19.000 gewervelde fossielen, afkomstig uit meer dan zeventig stratigrafische niveaus, en is onderverdeeld in de biozones A (vroeg-Rupelien : ca. 33,9–31,5 Ma), B (laat-Rupelien : ca. 31,5–28,1 Ma), C (vroeg-Chattien : ca. 28,1–25,6 Ma), C1 (midden-Chattien : ca. 25,6–24,0 Ma) en C1-D (laat-Chattien : ca. 24,0–23,0 Ma). Deze biozonering is gebaseerd op paleontologische/geologische gegevens van zoogdieren en Gastropoda, gegevens die faunawisselingen (faunal shifts)[20] aantonen. De fossiele levensgemeenschappen worden voornamelijk door kleine zoogdieren gedomineerd, welke ca. 98% van de gevonden specimina uitmaken, waardoor een gedetailleerde biostratigrafie mogelijk is (Daxner-Höck et al., 2017). Belangrijke taxa zijn onder meer knaagdieren (onderklasse Theriiformes, infraklasse Placentalia, orde Rodentia, familie Tsaganomyidae) zoals Tsaganomys altaicus en Yindirtemys deflexus, haasachtigen (superorde Euarchontoglires, orde Lagomorpha, familie Palaeolagidae) zoals Sinolagomys kansuensis en Desmatolagus gobiensis en Eulipotyphla (Theriiformes, Placentalia, superorde Laurasiatheria, familie Erinaceidae) waaronder Palaeoscaptor acridens. Meer zeldzame grotere zoogdieren zijn Rhinocerotidae zoals Aceratherium cf. pauliacense (Theriiformes, Placentalia, orde Perissodactyla, onderorde Ceratomorpha, superfamilie Rhinocerotoidea, familie Rhinocerotidae) en Hyaenodonta, zoals Hyaenodon spp.[44] (Theriiformes, Placentalia, superorde Ferae, familie Hyaenodontidae, onderfamilie Hyaenodontinae). Paraceratherium zelf is vertegenwoordigd door de soort Paraceratherium grangeri. Fossielen van onder meer deze soort hebben cruciale anatomische verhoudingen annex afmetingen opgeleverd voor de reconstructie van het genus. Hoewel in de Hsanda Gol-formatie fossielen van Paraceratherium aangetroffen worden, was het dier waarschijnlijk een tijdelijke bezoeker in plaats van een permanente bewoner van de droge omgeving die de formatie karakteriseert. Lagere gewervelden zijn onder meer genera van de klasse Amphibia (stam Chordata) en hagedissen (Lacertilia) (Chordata, klasse Reptilia, orde Squamata), zoals Lacerta sp.[45] (Daxner-Höck et al., 2017). Deze fauna's documenteren een belangrijke diversificatie[46] van knaagdieren en belangrijke faunawisselingen die verband houden met periodes van stapsgewijs toenemende droogte rond 31 en 25 miljoen jaar geleden (Harzhauser et al., 2016). De betekenis van de formatie ligt in haar rol als referentiepunt voor de biochronologie[17] van Oligocene zoogdieren in Azië. Het maakt correlatie mogelijk tussen de Mongoolse landzoogdiertijdperken (land mammal ages, afkorting LMA) Hsandagoliaan[47] en Tabenbulukiaan[18] en wereldwijde geologische tijdschalen, en levert bewijzen voor paleoklimatologische verschuivingen tijdens de overgang van het Eoceen naar het Oligoceen en het begin van de vroege Icehouse world.[48] (Daxner-Höck et al., 2017). Het geïntegreerde stratigrafische raamwerk van de Hsanda Gol-formatie, dat biostratigrafie, radiometrische datering en magnetostratigrafie combineert, vergemakkelijkt correlaties binnen Centraal-Azië en benadrukt de invloed van tektonische en klimatologische factoren op terrestrische (landgebonden of continentale) paleo-ecosystemen (Harzhauser et al., 2016).


De naam van de formatie werd ingevoerd en voor het eerst beschreven (Berkey & Morris, 1927) tijdens de Central Asiatic Expeditions (CAE) (1921-1930) van het American Museum of Natural History (AMNH) onder leiding van de Amerikaanse zoöloog Roy Chapman Andrews, ook natuuronderzoeker en ontdekkingsreiziger. Het doel was om de Gobiwoestijn in Mongolië en China te onderzoeken om het geologische en paleontologische potentieel ervan te verkennen. Deze expedities markeerden het begin van systematisch paleontologisch onderzoek in centraal Mongolië (souvereine staat Mongolië). Eerder vonden reeds oppervlakkige exploraties plaats door ontdekkingsreizigers Ferdinand von Richthofen, een Duits ontdekkingsreiziger, geoloog en geograaf en Raphael Pumpelly, een Amerikaans geoloog en ontdekkingsreiziger. Deze hadden de paleontologische/geologische waarde van het gebied wel opgemerkt, maar ontdekten weinig fossielen. In het geologisch bekken van Tsagan Nor (centraal en zuidwestelijk Mongolië), ten noordoosten van het Altaigebergte, werden in 1923 bij opgravingen onder leiding van de Amerikaanse paleontoloog Walter Willis Granger en de Amerikaanse geoloog Charles Peter Berkey, rijke sedimenten met zoogdierfossielen blootgelegd. Zij benoemden deze sedimenten formeel 'Hsanda Gol-formatie' naar de stroom Hsanda Gol die het belangrijkste deel van de formatie blootlegt. De dikte van deze dagzoom werd oorspronkelijk op ongeveer honderdtachtig meter (zeshonderd voet) geschat, wat later door modernere meetmethodes tot veertig meter teruggebracht werd. Gebaseerd op voorlopige faunavergelijkingen werd de formatie toen provisioneel tot het tijdvak Mioceen gerekend (periode Neogeen). Belangrijke vindplaatsen zijn onder meer de geologische typelocatie Shand Gol, Taatsiin Gol en Tatal Gol, waar in rode en gevlekte klei-slibafzettingen de eerste aanzienlijke levensgemeenschap zoogdieren uit het Oligoceen aangetroffen werd, zoals fragmenten van grote onevenhoevigen (Paraceratherium) en roofdieren (orde Hyaenodonta). Granger en Canadees-Amerikaans paleontoloog William Diller Matthew richtten naar aanleiding van deze paleontologische ontdekkingen het Hsandagoliaanse tijdperk van Aziatische landzoogdieren op (Hsandagolian Asian Land Mammal Age (HALMA)). Het tijdperk wordt gedefinieerd door de kenmerkende zoogdierenlevensgemeenschap van de formatie, waaronder primitieve knaagdieren zoals Cricetops (familie Muridae) en carnivoren zoals Hyaenodontidae. Onder meer de eerste formele wetenschappelijke rapporten van de Central Asiatic Expeditions (CAE) van het AMNH uit het jaar 1923, waaronder beschrijvingen van schedels van 'Paraceratherium transouralicum' (volgens Deng et al., 2021, en andere onderzoekers Paraceratherium bugtiense) en geassocieerde resten van Hyaenodontidae, benadrukken de rol van Centraal-Azië als bakermat van de vroege evolutie van zoogdieren in het era Kenozoïcum. Latere expedities in de late jaren 1920 bouwden voort op deze basis en verfijnden onder meer de stratigrafische correlaties. De eerste rapporten werden gepubliceerd als onderdeel van de American Museum Novitates, die korte beschrijvingen gaven van de geologische, paleontologische en zoölogische ontdekkingen die in de vroege jaren 1920 waren gedaan. Vervolgens werden uitgebreide onderzoekspapers verzameld en geformaliseerd in de Central Asiatic Expeditions of the American Museum of Natural History: Preliminary Contributions in Geology, Palaeontology, and Zoology, die vanaf 1926 in omloop gebracht werden. In 1932 verscheen een boek door Roy Chapman Andrews met bijdragen van onder meer hoofdpaleontoloog Granger : 'The new conquest of central Asia : a narrative of the explorations of the Central Asiatic expeditions in Mongolia and China, 1921-1930', onder auspiciën van het American Museum of Natural History als de enige sponsor en organisator van de expedities.
Uitzonderlijke vondsten tijdens de derde Central Asiatic Expedition in 1922 in de Hsanda Gol-formatie waren een ongeveer vijftien meter van elkaar gescheiden schedel en gedeeltelijke onderkaak (tezamen typespecimen[4] AMNH 18650)[49] en vier in sediment rechtopstaande poten met voetbeenderen van Paraceratherium. De initiële vondst van deze ledemaatbeenderen werd gedaan door Liu Hsi-Lu, een van de Chinese fossielenverzamelaars van het team, die het rapporteerde aan Granger, de hoofdpaleontoloog van de expeditie. Beide vondsten werden gedaan vijftien mijl ten noorden van Tsagan Nor (ook wel Taatsiin Tsagaan Nuur genoemd), in de Hsanda Gol Beds nabij Loh (ajmguud (bestuurlijke regio) Övörhangaj) (Andrews & Granger, 1932; Osborn, 1923), in de noordelijke Gobiwoestijn (Centraal Mongolië). De schedel werd geprepareerd door Otto Falkenbach, van 1900 tot 1946 als paleontologisch preparateur[50] verbonden aan het American Museum of Natural History Paleontology Laboratory. De rechtopstaand gefossiliseerde ledematen werden aangetroffen in rood sediment op de steile helling van een heuvel. Nadat hij door zijn teamgenoot Liu Hsi-Lu verwittigd was dat hij een groot wit bot ontdekt had, zette Granger diens minimale opgraving voort, en was verbaasd een voet en het onderbeen van een Paraceratherium (toen nog 'Baluchitherium') vertikaal in het sediment aan te treffen. Fossiele ledemaatbeenderen worden zelden in zulke positie gevonden. Granger bedacht dat de enige mogelijke verklaring hiervoor het wegzinken van het dier in drijfzand of vloeibare modder moet geweest zijn (een zogenaamde quicksand death trap). Liu had de rechterachterpoot gevonden, de rechtervoorpoot moest zich dus, indien bewaard gebleven, verder de helling af bevinden. Rekening houdend met de richting waarin de voet wees, mat hij ongeveer negen voet af (30,48 cm x 9 = ca. 2,74 m), begon te graven en vond een enorm been, eveneens rechtopstaand en lijkend op de stam van een fossiele boom. Aan de hand van de positie van de rechtervoorpoot en linkervoorpoot, was het niet moeilijk om de twee ledematen aan de andere kant te vinden (de linkervoorpoot en de linkerachterpoot). Toen alle vier de poten waren uitgegraven, elk staande in hun eigen kuil, was het visueel effect ervan buitengewoon en was het duidelijk wat er met het dier in het vroege Oligoceen gebeurd was. Andrews ging tezamen met Granger op een heuveltop zitten waarvandaan de vier uitgegraven rechtopstaande ledematen goed in het opgravingsterrein konden geobserveerd worden. Waarschijnlijk was een nietsvermoedende Paraceratherium komen drinken uit een waterpoel die het verraderlijke drijfzand (of modder) bedekte en dus onzichtbaar maakte. Plotseling begon het dier te zinken. De positie van de beenderen van de poten liet zien dat het dier iets achterover op zijn achterpoten was gaan zitten, wanhopig worstelend om zich te bevrijden uit het vastzuigende zand. Door zijn groot gewicht moet het snel volledig in het drijfzand (of in de modder) gezonken zijn en stierf in staande houding toen het verstikkende sediment zijn keel en neus vulde (Andrews & Granger, 1932). Als het slechts gedeeltelijk begraven zou zijn geweest (bv. tot op de hoogte van de buik), zich niet los kon maken en daardoor van honger gestorven, zou het lichaam op zijn zij gevallen zijn met de beenderen van de ledematen en de overige beenderen van het skelet in een veel meer horizontale en veel meer voorkomende tafonomische positie. Als Granger en Andrews een volledig skelet rechtopstaand in het omgevende sediment hadden aangetroffen, zou dat een werkelijk uitzonderlijke vondst geweest zijn. Naarmate het sediment van de heuvel dat de beenderen insloot/bedekte in de loop van de geologische tijd erodeerde, verweerden de beenderen van het skelet, tezamen met het omgevende sediment (de matrix), heel langzaam. De beenderen braken en raakten in duizenden meestal niet-identificeerbare fragmenten verspreid over de omgevende bodem. Tijdens het Oligoceen moeten grote aantallen van 'Baluchitherium' (Andrews & Granger, 1932) (Paraceratherium dus) in Mongolië geleefd hebben, want beenderen en beenderfragmenten werden door de Central Asiatic Expeditions gevonden overal waar fossielhoudende lagen uit die tijd voorkwamen (Andrews & Granger, 1932). De specifieke vondsten van de afzonderlijke ledematen en de schedel en gedeeltelijke onderkaak (welke laatste twee waarschijnlijk tot hetzelfde individu behoren), beide ontdekt op de vindplaats nabij Loh, werden de type-exemplaren die gebruikt werden om de nu ongeldige soort 'Baluchitherium grangeri Osborn, 1923' (de nu geldige soort Paraceratherium grangeri Osborn, 1923) te benoemen. De fossielen zijn ca. 28 tot 30 miljoen jaar oud en dateren dus uit het Onder-Oligoceen (etage Rupelien).
Turkije
[bewerken | brontekst bewerken]In Turkije worden resten van Paraceratherium aangetroffen in de Kizilirmakformatie (in het geologisch bekken Çankiri-Çorum Basin in Centraal-Anatolië), Turabiformatie (in het Kağizman-Tuzluca Basin, Oost-Anatolië) en Güngörmezformatie (eveneens in het Kağizman-Tuzluca Basin, Oost-Anatolië). Deze formaties dateren uit het Laat-Oligoceen.
Kizilirmakformatie
[bewerken | brontekst bewerken]De Kizilirmakformatie is vernoemd naar de Kizilirmak (Turks voor 'Rode Rivier'), de langste rivier die volledig binnen de grenzen van Turkije stroomt. De formatie is ontsloten in de provincies Çankiri en Çorum. De formatie toont afwisselende facies van oeverzones[51] en rivierdelta's (een stelsel van rivieren en meren) die tijdens het Laat-Oligoceen op de locatie van het huidige Anatolië een cruciale landbrug vormden, bestaande uit vochtige, begroeide corridors. Deze landbrug reikte vanuit het binnenland van Centraal-Azië tot in Oost-Europa, waardoor Paraceratheriinae vanuit Azië tot diep in het westen konden migreren (tot in het gebied dat nu Roemenië beslaat). De Kizilirmakformatie maakt deel uit van de pakketten sedimentair gesteente van het Çankiri-Çorum Basin, dat tijdens een compressief tektonisch regime ontstond ten gevolge van de continentale collisie tussen de Arabische en de Euraziatische plaat, en dat met fluviatiele tot lacustriene sedimenten opgevuld werd. Uit de fluviatiele/lacustriene afzettingen van de formatie (vooral rode zandsteen, siltsteen, kleisteen en mudstone) is een Paraceratherium sp.[1] (of indet. sp.)[52] bekend en schedels en ledematen van Paraceratherium n. sp. (of sp. nov.).[53] De paleofauna[16] toont verwantschappen maar ook verschillen tussen Aziatische en Europese paleofauna's.
Paraceratherium sp. (of Paraceratherium indet. sp.) wordt vertegenwoordigd door een in 2002 nabij het dorp Gözükizilli (Delice) in conglomeraten ontdekt fragmentarisch rechterspaakbeen (radius) in de onderste member van de Kizilirmakformatie. Het was de allereerste vondst van een Paraceratheriine in Turkije en werd in de wetenschappelijke literatuur onder meer door Antoine et al. (2008) beschreven en geclassificeerd als een onbepaalde soort binnen het genus (Oyal et al., 2016). Anatomisch gezien vertoont het spaakbeen uit Gözükizilli de sterkste overeenkomsten en morfologische affiniteit met Paraceratherium bugtiense, de typesoort van het genus dat initieel ontdekt werd in de Dera Bugti Hills (provincie Beloetsjistan (Balochistan)), Pakistan (het toenmalige Indische subcontinent). De proporties en de robuustheid van het spaakbeen en de specifieke aanhechtingsvlakken voor de spieren en gewrichten komen nauw overeen met de Pakistaanse specimina. Hoewel het fossiel het meest aanleunt bij Paraceratherium bugtiense, wijzen de afmetingen en de algemene structuur van het spaakbeen ook op een duidelijke evolutionaire link met Paraceratherium asiaticum ('Paraceratherium transouralicum') uit Kazachstan. Het hielp aantonen dat de Euraziatische populaties in wezen deel uitmaakten van een gigantisch, doorlopend faunacomplex. Door de sterke gelijkenis met P. bugtiense en P. asiaticum kon geconcludeerd worden dat het dier uit de Kizilirmakformatie geen geïsoleerde dwergvorm of een sterk afwijkend zijspoor was. In plaats daarvan vormde dit individu een directe anatomische en geografische brug tussen de Centraal- en Zuid-Aziatische Paraceratheriinae en de latere, meer zeldzamere fragmentarische vondsten van reuzenneushoorns in de Balkan (zoals in Bulgarije en Roemenië).
Nog in de Kizilirmakformatie wordt een Paraceratherium n. sp. (of Paraceratherium sp. nov.) vertegenwoordigd door uitzonderlijk goed gepreserveerde schedels en ledematen die op basis van morfologische en biometrische vergelijkingen afwijken van de bekende Aziatische soorten. Hierdoor is dit materiaal in wetenschappelijke publicaties en congressen (zoals door Oyal et al., 2016) in aanmerking genomen als een potentieel nieuwe, unieke soort binnen Anatolië. Het werd in 2006 door een gezamenlijk team van het Turkse Directoraat van Mineralen Onderzoek en Exploratie (MTA) en het Muséum national d'histoire naturelle (Frankrijk) ontdekt tijdens systematische opgravingen in de Kizilirmakformatie (waaronder de vindplaatsen Gözükizilli, Bağdatli en Kavşut) (Oyal, 2016). Hoewel de fauna van de Turkse Kizilirmakformatie een sterke Aziatische affiniteit heeft, toont Paraceratherium sp. nov. een unieke combinatie van basale (primitieve) en hoogst gespecialiseerde morfologische eigenschappen ten opzichte van de bekende Aziatische soorten (Deng et al., 2021). De Turkse variant was qua lichaamsgrootte weliswaar enorm, maar consistent kleiner en slanker dan de gigantische Paraceratherium asiaticum (uit Kazachstan) en Paraceratherium linxiaense (uit China). In omvang en dikte van de ledematen leunt Paraceratherium sp. nov. veel dichter aan bij Paraceratherium bugtiense. Kaakfragmenten uit het Çankırı-Çorum Basin (waaronder van de vindplaatsen Gözükizilli, Bağdatli en Kavşut) tonen een relatief korter diastema (de tandeloze ruimte tussen de snijtanden en de kiezen) dan bij de geavanceerde Aziatische soorten. Dit wijst op een iets minder gespecialiseerde grijpfunctie van de lippen. De symphysis mandibulae (de verbinding tussen de twee onderkaakhelften) is bij de Turkse vorm robuuster en staat onder een fractioneel andere hoek dan bij Paraceratherium asiaticum, wat invloed had op hoe de voorste lophodonten[54] op elkaar aansloten. De bovenste premolaren (valse kiezen P2–P4) van de Turkse soort lijken minder op echte grote kiezen (ze zijn minder 'gemolariseerd') dan die van Paraceratherium asiaticum of Paraceratherium linxiaense. De verbindingen tussen de tandknobbels (zoals de protocoon[55] en hypocoon)[56] zijn minder gecompliceerd. Op de molaren van Paraceratherium sp. nov. is het cingulum (een beschermende rand aan de basis van de tandkroon) op specifieke plaatsen sterker ontwikkeld of juist anders gevormd dan bij Paraceratherium bugtiense. Bovendien is de dikte en plooiing van het tandglazuur minder complex dan bij de late, hoog-gespecialiseerde Aziatische takken Paraceratheriinae. In de ledematen zijn de middenvoets- en middenhandsbeentjes (metapodia) van Paraceratherium sp. nov. relatief slanker en minder extreem afgeplat dan die van de zwaardere Centraal-Aziatische soorten. Dit duidt op een dier dat weliswaar zwaar was (met een geschat lichaamsgewicht van zo'n 10 tot 15 ton), maar mobieler was in een mogelijk geaccidenteerd of dichter bebost terrein. De veel completere fossielen uit het Çankırı-Çorum Basin (afkomstig uit de vindplaatsen Kavşut, Bağdatlı en aanvullingen uit Gözükizilli) hebben paleontologen in staat gesteld om de anatomie van de Turkse reuzenneushoorn gedetailleerd te reconstrueren Oyal, 2016).
Naast Paraceratherium worden in de Kizilirmakformatie voornamelijk fossielen van andere landzoogdieren aangetroffen. Paleontologisch onderzoek naar deze formatie richt zich hoofdzakelijk op de rijke paleofauna van herkauwers (onderklasse Theria, infraklasse Placentalia, superorde Laurasiatheria, orde Artiodactyla, onderorde Ruminantia) en neushoornachtigen (Theria, Placentalia, orde Perissodactyla, onderorde Ceratomorpha, superfamilie Rhinocerotoidea, familie Rhinocerotidae). Tot de belangrijkste aangetroffen diersoorten behoort een diverse subfauna[57] vroege herkauwers, waaronder de dominante soort Iberomeryx parvus, een kleine primitieve dwerghertachtige (familie Tragulidae) waarvan talrijke tand- en kaakresten zijn gevonden. Iberomeryx sp.[1] is een grotere, nog onbenoemde variant binnen hetzelfde geslacht. Een vroege hoornloze vertegenwoordiger van de hogere herkauwers is Dremotherium guthi (infraorde Pecora, superfamilie Bovoidea, familie Moschidae). Een primitieve herkauwer met opvallend hoogkronige tanden is Palaeohypsodontus (familie Bovidae). Het voorkomen van dit genus in de Kizilirmakformatie wijst op een migratieconnectie met Centraal-Azië. In de formatie worden ook resten van een niet gedetermineerde grote soort (indet. sp.)[52] van de hertachtigenfamilie Lophiomerycidae aangetroffen. De onderste member van de Kizilirmakformatie bevat op de vindplaats te Gözükizilli ook resten van de kleine Rhinocerotide Protaceratherium sp., cf.[58] Protaceratherium albigense. Kleinere zoogdieren zijn vertegenwoordigd door vroege haasachtigen (superorde Euarchontoglires, orde Lagomorpha), en door primitieve geslachten van de onderorde Feliformia (katachtigen) (superorde Laurasiatheria, orde Carnivora). De samenstelling van deze fauna, met vooral de grotere herkauwers in de bovenste lagen van de formatie, wijst erop dat Centraal-Anatolië tijdens het Laat-Oligoceen transformeerde van dichte bossen naar een meer open laaglandomgeving met graslanden of savannes.
Bronnen & voetnoten
[bewerken | brontekst bewerken]- Li, Z., Zhang, Y., Li, Y., Xie, K. & Mörs, T. (2025). Postcranials of the giant rhino Paraceratherium huangheense (Mammalia, Perissodactyla) from the Early Oligocene Lanzhou Basin, NE Tibetan Plateau.. Palaeontographica Abteilung A 331(1-3), July 2025. DOI: https://doi.org/10.1127/pala/0165.
- Wang, B., Zhanxiang, Q. (2023). Micromammal fossils from the basal part of the Jiaozigou Formation in Yagou area, Linxia Basin, Gansu Province. Vertebrata Palasiatica, pp. 284–316. DOI: https://doi.org/10.19615/j.cnki.2096-9899.230927.
- Li, S., Jiangzuo, Q., & Deng, T. (2022). Body mass of the giant rhinos (Paraceratheriinae, Mammalia) and its tendency in evolution. Historical Biology, Pages 2513-2524, 2022. DOI: https://doi.org/10.1080/08912963.2022.2095908.
- Baldermann, A. et al. (2021). Palaeo-environmental evolution of Central Asia during the Cenozoic: new insights from the continental sedimentary archive of the Valley of Lakes (Mongolia). European Geosciences Union, Volume 17, issue 5 CP, 17, 1955–1972, 2021. DOI: https://doi.org/10.5194/cp-17-1955-2021.
- Deng, T., Lu, X., Wang, S., Flynn, L.J., Sun, D., He, W., Chen, S. (2021). An Oligocene giant rhino provides insights into Paraceratherium evolution. Communications Biology 4, 2021, S. 639, doi:10.1038/s42003-021-02170-6
- Deng, T., Hou, S. & Wang, S. (2019). Neogene integrative stratigraphy and timescale of China. Science China Earth Sciences, Volume 62, pages 310–323 (2019). DOI: https://doi.org/10.1007/s11430-017-9155-4.
- Bai, B., Wang, Y., Li, Q., Wang, H., Mao, F., Gong, Y. & Meng, J. (2018). Biostratigraphy and Diversity of Paleogene Perissodactyls from the Erlian Basin of Inner Mongolia, China. American Museum Novitates.
- Biasatti, D., Deng, T., Wang, Y. (2018). Paleoecology of Cenozoic rhinos from northwest China: a stable isotope perspective. Vertebrata Palasiatica. 56. 10.19615/j.cnki.1000-3118.170519. DOI: https://doi.org/10.19615/j.cnki.1000-3118.170519.
- Zhang, P., Ao, H., Dekkers, M.J., An,Z., Wang, L., Li, Y., Liu, S., Qiang, X., Chang, H., Zhao, H. (2018). Magnetochronology of the Oligocene mammalian faunas in the Lanzhou Basin, Northwest China. Journal of Asian Earth Sciences, Volume 159, 2018, Pages 24-33. DOI: https://doi.org/10.1016/j.jseaes.2018.03.021..
- Daxner-Höck, G. et al. (2017). Oligocene stratigraphy across the Eocene and Miocene boundaries in the Valley of Lakes (Mongolia). Paleobiodivers Paleoenviron. 2017 Mar 7;97(1):111–218. DOI: https://doi.org/10.1007/s12549-016-0257-9.
- Li, Y., Zhang, Y., Li, J., Li, Z., Xie, K. (2017). New fossils of paraceratheres (Perissodactyla, Mammalia) from the Early Oligocene of the Lanzhou Basin, Gansu Province, China. Vertebrata PalAsiatica, 55(4): 367–381. DOI: https://doi.org/10.19615/j.cnki.1000-3118.170922.
- Harzhauser, M. et al. (2016). Stepwise onset of the Icehouse world and its impact on Oligo-Miocene Central Asian mammals. Sci Rep. 2016 Nov 29;6:36169. DOI: https://doi.org/10.1038/srep36169.
- Oyal, N. (2016). Description, evolution and paleogeography of the giant rhinoceros (Paraceratherium, Rhinocerotoidea, Mammalia) from the Oligocene of the Çankiri-Çorum Basin. Thesis for: Ph.D.. DOI: https://doi.org/10.13140/RG.2.2.30670.87366.
- Prothero, D.R. (2013). Rhinoceros giants :The palaeobiology of Indricotheres. Series : Life of the Past. Indiana University Press, 2013, 160pp, ISBN 978-0-253-00819-0, S. 1–141.
- Se, S., Antoine, P., Varol, B., Ayyildiz, T., Sözeri, K. (2011). Giant rhinoceros Paraceratherium and other vertebrates from Oligocene and middle Miocene deposits of the Kağızman-Tuzluca Basin, Eastern Turkey. Naturwissenschaften (2011) 98:407–423. DOI: https://doi.org/10.1007/s00114-011-0786-z.
- Qiu, Z., Wang, B. (2007). Paracerathere fossils of China. Palaeontologia Sinica 193 (New Series C, 29), 2007, S. 1–396 (S. 247–386 in Englisch).
- Mellett, J.S. (1968). The Oligocene Hsanda Gol Formation, Mongolia: A Revised Faunal List. American Museum novitates, no. 2318, published by The American Museum of Natural History, New York City, March 28 1968.
- Granger, W., Gregory, W.K. (1936). Further notes on the gigantic extinct rhinoceros, Baluchitherium, from the Oligocene of Mongolia. Bulletin of the American Museum of Natural History 72, 1936, S. 1–73.
- Andrews, R.C., Granger, W., Pope, C.H. & Nelson, N.C. et al. (1932). The new conquest of central Asia : a narrative of the explorations of the Central Asiatic expeditions in Mongolia and China, 1921-1930. The American Museum of Natural History, New York, 1932.
- Osborn, H.F. (1923). Baluchitherium grangeri, a giant hornless rhinoceros from Mongolia. American Museum novitates, no. 78, published by The American Museum of Natural History, New York City, May 25 1923.
- 1 2 3 4 5 sp. is de afkorting voor species (soort) en betekent dat de soort (nog) niet geïdentificeerd is en/of niet kan bepaald worden.
- 1 2 Cohen, K.M., Finney, S.C., Gibbard, P.L. & Fan, J.-X. (2013; updated). (c) International Commission on Stratigraphy, December 2024. Episodes 36: 199-204
- ↑ Paleobiogeografie is de vakwetenschap die de geografische verspreiding van planten (clade Archaeplastida Adl et al., 2005) en dieren (Rijk Metazoa Haeckel, 1874 of Rijk Animalia Linnaeus, 1758) door de tijd en ruimte heen onderzoekt. Het combineert elementen uit de paleontologie, geologie, evolutiebiologie en biogeografie om de ontwikkeling en verspreiding van meestal uitgestorven soorten in het geologisch verleden te reconstrueren.
- 1 2 3 4 Een typespecimen (of type-exemplaar) is het fysieke referentie-exemplaar van een organisme dat dient als de officiële basis om een nieuwe wetenschappelijke naam aan een soort (species) of geslacht (genus) toe te kennen. Het is het tastbare bewijs waaraan andere exemplaren getoetst worden.
- ↑ Het was oorspronkelijk geplaatst in Aceratherium bugtiense Forster-Cooper (1911).
- ↑ Paraceratheriinae Osborn, 1923 was vroeger Indricotheriinae Borissiak, 1923. Aleksei Alekseevich Borissiak (1872-1944) was een Russisch en Sovjet geoloog en paleontoloog.
- 1 2 Terrestrische afzettingen, of terrestrische sedimenten, zijn afzettingen die op het land gevormd zijn.
- 1 2 Een semi-aride klimaat (halfwoestijn- of steppeklimaat) is een droog klimaat waarin er meer water verdampt dan er aan neerslag valt, maar minder extreem dan in een echte woestijn. Het is de natuurlijke overgangszone tussen droge woestijnen en nattere gebieden.
- 1 2 3 'Open bosgebied' (open woodland) is een overgangshabitat bestaande uit wijd elkaar staande beboste gebieden met bomen met een kruinbedekking van minder dan 30%. Tussen deze beboste gebieden liggen graslanden.
- ↑ 'Efemerisch' betekent kortstondig (tijdelijk) aanwezig, bv. meren die in lager gelegen terreindepressies door zware regenval in het natte seizoen in een vrij korte gevormd worden, maar vrij snel opdrogen door daaropvolgende lange droogtreperioden.
- ↑ In de vakwetenschap geologie verwijst een kanaalvulling (channel fill) naar het sediment dat in een voormalige stroomgeul (bv. een rivier) is afgezet nadat de waterloop van nature is verlegd of opgedroogd. Deze geologische structuren zijn te herkennen aan hun typische trogvormige doorsnede.
- ↑ 'Overstromingsafzettingen' (overbank deposits) zijn sedimentlagen – meestal fijnkorrelig zand, slib en klei – die afgezet worden op de overstromingsvlakte van een waterloop wanneer het water ten gevolge van neerslag over de oevers stroomt of deze doorbreekt. Omdat het water snelheid verliest zodra het de snelstromende hoofdgeul verlaat ('energiearm water'), kan het geen zware sedimenten (bv. grofkorrelig grind) meer meevoeren, waardoor deze lagen achterblijven (afgezet worden).
- 1 2 'Caliche' is een harde cementachtige laag in de bodem, rijk aan calciumcarbonaat (kalk). Het ontstaat in aride en semi-aride gebieden en belemmert plantengroei door water- en wortelpenetratie te beperken. De term verwijst naar de gecementeerde sedimenten (zand, klei, grind) zelf, die variëren van zachte nodulen ('knollen') tot heel harde kilometerslange gesteentelagen.
- ↑ In de vakwetenschap geologie wordt met 'lithofacies' het gesteente bedoeld dat het resultaat is van afzetting in een bepaald sedimentair paleomilieu, inbegrepen zowel de fysieke als organische kenmerken (fossielinhoud) van dat gesteente.
- 1 2 3 In de vakwetenschap geologie wordt met 'sequentie' een opeenvolging van boven elkaar liggende gesteente- of sedimentlagen bedoeld die 'genetisch' (door dezelfde geologische/sedimentologische processen) aan elkaar verwant zijn en worden begrensd door zogenaamde discordanties (onderbrekingen in de afzettingen).
- 1 2 3 'Paleofauna' wordt gevormd door de levensgemeenschappen dieren (Rijk Metazoa Haeckel, 1874 of Rijk Animalia Linnaeus, 1758) die leefden gedurende een bepaalde periode van de geologische geschiedenis, vooral die genera die enkel als fossiel bekend zijn.
- 1 2 3 Biochronologie is een methode binnen de vakwetenschappen geologie en paleontologie die relatieve dateringen uitvoert op basis van fossielen. In plaats van absolute ouderdommen in jaren te meten, rangschikt men gesteentelagen en organismen in de tijd op basis van hun evolutionaire ontwikkeling. Biochronologie maakt gebruik van gidsfossielen en evolutionaire stadia om dit te bewerkstelligen.
- 1 2 3 Het Tabenbulukiaan is een biochronologisch tijdperk, cruciaal voor paleontologen om fossiele zoogdieren uit Azië te dateren en correleren. De naam is afgeleid van het Tabenbulukgebied (geologische typelocatie) in de regio (provincie) Gansu in Noordwest-China, waar de Zweedse paleontoloog Birger Bohlin in de 20e eeuw historisch belangrijke opgravingen deed. Het Tabenbulukiaan kende een karakteristieke fauna zoogdieren, vooral Rodentia (knaagdieren), zoals Ctenodactylidae (kamvingers), en de gigantische hoornloze neushoornachtige Paraceratherium. Het Tabenbulukiaan maakt deel uit van de Chinese Paoniuquanformatie.
- ↑ Paleobiostratigrafie is een subdiscipline binnen de vakwetenschappen geologie en paleontologie die gesteentelagen dateert en correleert op basis van de fossielen die erin bewaard zijn gebleven. Het is de pijler onder de relatieve chronologie van de Aarde, waarmee geologen tijdsperioden wereldwijd met elkaar kunnen vergelijken.
- 1 2 Een faunal shift (faunawissel) verwijst naar een beduidende verandering in de samenstelling van diersoorten in een specifiek gebied of paleoecosysteem over een bepaalde periode. Mogelijke oorzaken zijn onder meer migratie en uitsterven.
- ↑ Een aquatisch milieu met lage energie is een omgeving met rustig water, waar zwakke golven, trage stromingen of stilstaand water voorkomen dat zware deeltjes in beweging komen. Omdat het water weinig kracht heeft, zakken kleine deeltjes modder, klei en slib naar de bodem en vormen daar fijnkorrelige sedimentlagen.
- ↑ De afkorting indet staat voor indeterminatus, wat onbepaald of niet-geïdentificeerd betekent. Biologen en paleontologen gebruiken deze term in de taxonomie wanneer een organisme of fossiel niet nauwkeurig kan worden geclassificeerd binnen een specifiek genus of species.
- 1 2 Maria Vasilievna Pavlova (1854–1938) was een vooraanstaand Sovjet- en Russisch paleontologe die gespecialiseerd was in fossiele hoefdieren (informele groep Ungulata). Haar beschrijving van 'Indricotherium transouralicum', 1922 vormde de structurele basis voor de meeste moderne wetenschappelijke reconstructies van het dier.
- 1 2 3 Een 'nodule' ('knol') is in de geologie een compact, afgerond lichaam bestaande uit mineralen of gesteente dat verschilt van het omringende gesteente. Nodules worden gevormd door mineralisatie of chemische processen, dikwijls rond organisch materiaal. Ze kunnen een onregelmatige vorm hebben, maar zijn in de geologie een structureel element.
- ↑ https://rhinoresourcecenter.com/library/images/paraceratherium-indricotherium-transouralicum-m-pavlova-1922-museum-of-nature-almaty-2/ [Paraceratherium (Indricotherium) transouralicum Pavlova, 1922, Museum of Nature, Almaty]
- ↑ Een shifting lake is een meer waarvan het hydrologisch regime verandert of een meer dat zich fysiek verplaatst ('wandelt'). Shifting lakes ondergaan abrupte transformaties in waterkwaliteit, ecologie of geografische locatie. Afhankelijk van de context benadrukt de term kantelpunten in het milieu of in 'geografische mobiliteit'. Een hydrologisch regime verwijst naar de seizoensgebonden variaties in neerslag en waterafvoer die de beschikbaarheid van water in zoetwatersystemen beïnvloeden. Het kan de fysieke kenmerken van aquatische habitats beïnvloeden, waardoor de samenstelling van de populatie hogere planten en hun ecologische interacties veranderen.
- ↑ Een taphoflora is een paleobotanische term voor een thanatocoenose, maar meer bepaald een plantengemeenschap of paleoflora, die bewaard is gebleven in sedimentaire gesteenten. Het verwijst specifiek naar een verzameling plantenfossielen (zoals bladeren, zaden, sporen en hout) uit één bepaalde paleontologische vindplaats (fossielenvindplaats) of laag. Deze fossiele levensgemeenschappen worden gebruikt om het klimaat en de oorspronkelijke vegetatie van een specifiek gebied uit het geologisch verleden te reconstrueren.
- 1 2 'HMV' is de afkorting voor 'Hezheng Paleozoological Museum'. Het museum is gelegen in het oosten van Hezheng County, Liangjiazhuang New Village, Chengguan Town, Linxia Hui Autonomous Prefecture, Gansu Province, China.
- ↑ 'Secundair gips' is in de vakwetenschap geologie mineraal gips dat is ontstaan door een opeenvolging van chemische processen in de bodem nadat een gesteente of sediment zich al had gevormd. Als het mineraal pyriet in de bodem in aanraking komt met water en zuurstof oxideert het en ontstaat er zwavelzuur. Dit reageert vervolgens met calciumcarbonaat (kalk) dat al in de bodem aanwezig is. De chemische reactie tussen al deze stoffen resulteert in de vorming en kristallisatie van nieuw gips (secundair gips) in de bodem.
- 1 2 Een 'paleo-ecosysteem' is een ecosysteem waarvan de samenstellende paleo-fauna en flora enkel door fossielen bekend is.
- ↑ De biologische term 'co-fauna' wordt gebruikt in de vakwetenschappen ecologie, paleontologie en geologie om diersoorten aan te duiden die gelijktijdig in hetzelfde gebied of ecosysteem leven en leefden. In de paleontologie en geologie verwijst 'co-fauna' specifiek naar fossiele levensgemeenschappen en beschrijft de specifieke groep dieren die gelijktijdig leefde en fossiel bewaard is gebleven tezamen met een grotere, centrale (dominant voorkomende) soort.
- ↑ 'Semi-aquatisch' betekent dat een plant of dier regelmatig in zowel water- als landmilieus leeft. Semi-aquatische organismen hebben gedurende hun hele volwassen leven contact met beide biotopen.
- ↑ Een 'apex predator' (of toppredator) is een roofdier dat bovenaan de voedselketen staat en zelf geen natuurlijke vijanden heeft. Deze toproofdieren spelen een cruciale rol in het ecosysteem door het controleren van de populaties van hun prooidieren en daardoor het in stand houden van de biodiversiteit.
- ↑ 'Stabiele isotopen' zijn atomen van hetzelfde chemisch element die qua aantal protonen gelijk zijn, maar verschillen in het aantal neutronen en geen radioactieve straling uitzenden. Ze vervallen niet en veranderen niet in de loop van de tijd, in tegenstelling tot hun onstabiele (radioactieve) tegenhangers.
- ↑ 'Postcraniaal' betekent 'achter de schedel gelegen'.
- 1 2 'NWUV' staat voor 'Northwest University', Xi'an, China.
- ↑ 'Paleoseismologie' is de wetenschap die aardbevingen uit het geologisch verleden en uit het historisch verleden bestudeert. Waar traditionele seismologie gebruikmaakt van meetinstrumenten (seismometers) om huidige trillingen te registreren, focust deze tak zich op de sporen van zware aardbevingen in geologische afzettingen uit de diepe tijd (deep time) en in archeologische lagen uit het nabije verleden.
- ↑ Een 'polariteitskolom', gebruikt in de magnetostratigrafie, is een visuele weergave die historische veranderingen in het aardmagnetisch veld in het geologisch verleden, zoals vastgelegd in gesteentelagen, in kaart brengt. Volgens de gebruikelijke conventie worden zwarte banden gebruikt voor normale magnetische polariteit waarbij het kompas naar het noorden wijst, en witte banden voor omgekeerde magnetische polariteit, waarbij het kompas naar het zuiden wijst. In de vakwetenschap geologie worden deze intervallen, die ontstaan door periodieke omkeringen van het aardmagnetisch veld van de planeet, gebruikt om gesteentelagen wereldwijd met elkaar te correleren en gesteentelagen zonder fossielen te dateren.
- ↑ Frictional heating ('wrijvingswarmte') in de vakwetenschap geologie is de omzetting van mechanische kinetische energie in thermische energie wanneer gesteentemassa's langs elkaar wrijven, glijden of schuren en daardoor warmte overgedragen wordt. Deze sterke lokale temperatuurstijging treedt op langs actieve breuklijnen tijdens aardbevingen, onder bewegende gletsjers, in grote gesteenteverschuivingen of wanneer visceuze magma, dik en stroperig gesmolten gesteente met een hoge weerstand tegen stroming, zich een weg omhoog baant door nauwe vulkanische kanalen.
- ↑ 'Post-seismische hydrothermale vloeistoffen' zijn zeer hete, mineraalrijke wateren en gassen die ná een aardbeving (de post-seismische fase) door de opengebroken aardkorst gaan circuleren.
- ↑ 'Efemerisch' betekent kortstondig (tijdelijk) aanwezig, bv. meren die in lager gelegen terreindepressies door zware regenval in het natte seizoen in een vrij korte periode gevormd worden, maar vrij snel opdrogen door daaropvolgende lange droogtreperioden.
- ↑ Een 'playameer' is een ondiep, tijdelijk (efemerisch) meer in een droog (aride) klimaat. Het ontstaat wanneer regenwater zich verzamelt in een komvormig bekken (de playa) en vormt een overgangscategorie tussen een droge vlakte en een permanent meer.
- ↑ Een bed (Engels, in het Nederlands vertaald als een laag of stratum) is in de vakwetenschap geologie de kleinst herkenbare, individuele eenheid van gesteente of sediment. Het is een duidelijk afgebakende laag die naar boven en onder wordt begrensd door vlakke scheidingslijnen (bedding planes). Een bed is samengesteld uit homogeen sediment, sedimentair gesteente of vulkanisch gesteente. De dikte van een bed kan sterk variëren; van enkele centimeters tot soms meters dik. Om als bed geclassificeerd te worden, moet het zich in kleur, textuur en samenstelling duidelijk onderscheiden van de beds erboven en eronder. In de geologie worden beds vaak verder ingedeeld op basis van hun opbouw en hoe ze zijn afgezet.
- ↑ De afkorting 'spp.' staat voor het meervoud van species (soort) en betekent zoveel als 'verschillende soorten' of 'soorten'. In de biologie en paleontologie wordt deze term in de wetenschappelijke naamgeving gebruikt om aan te geven dat het om meerdere (of alle) soorten binnen één specifiek genus gaat, zonder dat deze allemaal afzonderlijk worden genoemd.
- ↑ 'Sp.' is de afkorting voor species (soort). Het wordt gebruikt achter de geslachtsnaam (de genusnaam) wanneer een organisme wel tot een bepaald geslacht behoort, maar de exacte soortnaam (nog) niet bekend is of niet specifiek wordt benoemd.
- ↑ 'Diversificatie' verwijst in de vakwetenschap paleontologie naar het evolutionaire proces waarbij de verscheidenheid aan levensvormen en soorten in een populatie, regio of paleo-ecosysteem toeneemt. Het vormt de basis van biodiversiteit en ontstaat door genetische variatie, natuurlijke selectie en soortvorming.
- ↑ Het 'Hsandagoliaan' is een geologische/paleontologische term die verwijst naar een Aziatisch tijdperk van landzoogdieren (Asian Land Mammal Age, afkorting : ALMA). Het omvat een periode van ongeveer 33 tot 25,6 miljoen jaar geleden (33 tot 25,6 Ma), van het vroege tot het late Oligoceen (era Kenozoïcum, periode Paleogeen). De naam is afgeleid van de Hsanda Gol-formatie, een bekende fossielrijke vallei (gol is Mongools voor rivier/vallei) in het Tsagan Nor-bekken (geologisch bekken) van de Gobiwoestijn in Centraal-Mongolië. Het Hsandagoliaan dient als een cruciaal referentiepunt voor het dateren en indelen van de evolutionaire geschiedenis van zoogdieren in Azië. De periode wordt gekenmerkt door grote klimaatveranderingen, belangrijke veranderingen in de diversiteit van zoogdieren en het verschijnen van vroege moderne zoogdiergroepen. Het Hsandagoliaan bevat een overvloed aan fossielen van vroege knaagdieren (orde Rodentia), vroege herkauwers (onderorde Ruminantia) en vroege, gigantische zoogdieren zoals de neushoornachtige Paraceratherium, die in dit tijdperk de Aziatische vlakten domineerden.
- ↑ Icehouse world (of Icehouse Earth) is een geologische klimaattoestand die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van permanente ijskappen op een of beide polen van de Aarde.
- ↑ AMNH 18650 was het typespecimen dat diende voor de benoeming van de nu ongeldige soort 'Baluchitherium grangeri Osborn, 1923', later herbenoemd naar Paraceratherium grangeri Osborn, 1923. Dit typespecimen is vernoemd naar Walter Willis Granger, de hoofdpaleontoloog van de derde Central Asiatic Expedition onder leiding van Roy Chapman Andrews.
- ↑ Een paleontologisch preparateur (of fossielenpreparateur) is een gespecialiseerd technicus die fossiele specimina in het labo uit de matrix haalt, reinigt en restaureert voor wetenschappelijk onderzoek en museumtentoonstellingen. Een paleontologisch preparateur vormt de essentiële schakel tussen het ontdekken van een fossiel in het veld en het toegankelijk maken ervan voor onderzoek of publieke bezichtiging. De functie vereist een nauwgezette combinatie van wetenschap, geduld en artistiek talent. De belangrijkste taken buiten het verwijderen van matrix zijn nog stabilisatie, assemblage, het maken van afgietsels en het onderhoud van museumcollecties.
- ↑ De 'oeverzone' is de ecologische overgangszone of strook land die tussen land en water ligt.
- 1 2 indet. sp. staat voor het Latijnse species indeterminata of species indeterminabilis, wat 'niet-gedetermineerde soort' betekent. De afkorting wordt gebruikt in de vakwetenschappen biologie en paleontologie en betekent dat resp. een gevonden levend exemplaar of gevonden fossiel wel definitief toebehoort aan een genus (biologisch geslacht), maar dat de exacte soort (nog) niet bepaald kan worden.
- ↑ n. sp. of sp. nov. staan voor het Latijnse species nova, wat 'nieuwe soort' betekent. De afkortingen worden gebruikt in de vakwetenschappen biologie en paleontologie en betekenen dat resp. een gevonden levend exemplaar of gevonden fossiel wel aan een genus (biologisch geslacht) toegewezen werd, maar waarvan de specifieke soort nog nieuw is voor de wetenschap en nog een officiële soortnaam ('soortaanduiding') moet krijgen.
- ↑ 'Lophodonten' zijn kiezen (molaren en premolaren) van zoogdieren waarbij de knobbels op het kauwvlak (occlusale vlak) zijn samengesmolten tot dwarsliggende harde richels of kammen (zogeheten 'lophs'). Dit type gebit is een specifieke evolutionaire aanpassing voor herbivoren (planteneters). De harde glazuurranden op het kauwvlak werken als een effectieve rasp of molensteen om taai, vezelig plantaardig materiaal — zoals grassen en bladeren — fijn te malen.
- ↑ Het 'protocoon' is in de vakwetenschappen biologie en paleontologie de belangrijkste knobbel (cusp) aan de tongzijde (linguale zijde) van een bovenste molaar (kies) bij zoogdieren. Het is een fundamentele component van het tribosfenische gebitstype (een gebit met een revolutionair type kies bij vroege zoogdieren die zowel kon snijden als pletten), dat kenmerkend is voor de vroege evolutie van de echte zoogdieren. In deze evolutie (zoals bij uitgestorven paardachtigen (Equidae), bv. Hipparion) is de vorm, grootte of het losliggen van het protocoon een belangrijk determinatiekenmerk om diersoorten te identificeren.
- ↑ Het 'hypocoon' is een belangrijke evolutionaire knobbel (cusp) op de kiezen (molaren) in de bovenkaak van zoogdieren. Het bevindt zich aan de achter-binnenzijde (distolinguale zijde) van de tandkroon. De ontwikkeling van de hypocoon wordt in de vakwetenschappen paleontologie en biologie gezien als een van de belangrijkste doorbraken in de evolutie van zoogdieren.
- ↑ Een 'subfauna' is een gelokaliseerde fauna en vormt een onderscheiden subcategorie of specifieke onderverdeling van het dierenleven binnen een groter geografisch gebied of ecosysteem.
- ↑ De afkorting cf. staat voor het Latijnse woord confer, wat 'vergelijk' of 'vergelijk met' betekent. In de vakwetenschappen biologie en paleontologie (zoals in dit artikel specifiek bij de primitieve neushoorn Protaceratherium) wordt dit gebruikt om aan te geven dat een fossiel of organisme sterk lijkt op die specifieke soort (in dit artikel dus specifiek de soort Protaceratherium albigense), maar dat er nog geen absolute zekerheid is over de exacte identificatie. Het betekent dus concreet : "Dit fossiel lijkt het meest op Protaceratherium albigense, vergelijk het (voorlopig) daar mee."