Paradigma (wetenschapsfilosofie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Paradigma is in de wetenschap en in de filosofie een samenhangend stelsel van modellen en theorieën die een denkkader vormen waarbinnen de 'werkelijkheid' geanalyseerd en beschreven wordt. Langer bestaande paradigma's worden vaak niet eens meer als zodanig ervaren; onderwijs maakt een paradigma 'vanzelfsprekend'.

Etymologie[bewerken]

Het woord paradigma, van het Oudgrieks παράδειγμα, betekent oorspronkelijk eenvoudigweg ‘voorbeeld’. Het meervoud is paradigmata of paradigma's. Zo zijn in Plato's Timaeus de ideale (intelligibele) paradigmata de oerbeelden die de 'goddelijke werkman' gebruikte om de wereld te scheppen. Plato noemde deze intelligibele paradigmata de Ideeën.

Vóór de jaren 1960 werd het woord voornamelijk gebruikt in grammatica, of retoriek als een term voor een illustratieve parabel of fabel. Pas vanaf de jaren ´60 vond de term ingang binnen een wetenschappelijke of andere epistemologische context.

Paradigma in de wetenschapsfilosofie[bewerken]

Een nieuwe wetenschappelijke waarheid overwint niet door de tegenstanders te overtuigen en hun het licht te laten zien, maar omdat de tegenstanders ten slotte sterven en er een nieuwe generatie opgroeit die ermee vertrouwd is. (Max Planck, in zijn wetenschappelijke autobiografie.)

De wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn beschreef de voortschrijdende ontwikkeling van kennis in de vorm van paradigma's[1]. Bij het toepassen van een wetenschappelijke methode komen steeds opnieuw waarnemingen naar boven die niet in de bestaande modellen of paradigma's passen (anomalieën). Gedurende enige tijd is het mogelijk om via kleine aanpassingen van een model de nieuwe waarneming in te passen, maar soms gebeurt het dat deze opeengestapelde aanpassingen een model steeds meer onder spanning zetten: het model is niet langer mooi, maar kent vele uitzonderingen of bijzondere situaties. Op zulke momenten kan een nieuwe set theorieën ontstaan, een nieuw paradigma, dat op een andere manier alle tot dan toe bekende waarnemingen kan verklaren. Er zal zich rond de nieuwe theorie een groep wetenschappers vormen die de nieuwe theorie aanhangen, maar tegelijkertijd zal er onder andere wetenschappers een weerstand opkomen tegen deze verandering; deze laatste groep zal de oude theorie blijven verdedigen. Wanneer de nieuwe theorie succesvol blijkt, en steeds meer aanhang krijgt, spreekt men van een paradigmaverschuiving.

Een dergelijke paradigmawisseling betekende voor Kuhn overigens niet dat er een beter, vooruitgegaan paradigma voor het oude in de plaats was gekomen. Hij stelt dat alle paradigma's aan elkaar gelijk staan omdat je denkkader bij deze wisseling zo erg verandert dat de wereld er onvergelijkbaar anders uitziet. En omdat de dingen onvergelijkbaar anders zijn, is het ene paradigma niet beter dan het andere. Het is dus belangrijk dat er niet zozeer minderwaardige paradigma's zijn, maar simpelweg alleen verschillende paradigma's. Binnen een paradigma kan er wel vooruitgang bestaan in de vorm van wetenschappelijke vooruitgang doordat de natuurwetenschappen bepaalde puzzels oplost die het gelijk van het dan heersende paradigma bewijzen. Kuhn vindt ook dat Karl Popper ongelijk heeft wat betreft het belang van de falsificatie voor de wetenschap. Kuhn zegt namelijk dat tijdens de periode van gelijk bewijzen van het paradigma er geen serieuze falsificatie geduld wordt, en tijdens een paradigmaverschuiving of wetenschappelijke revolutie er geen redelijke discussie tussen de oude en nieuwe paradigma's mogelijk is.

Voorbeelden[bewerken]

Heliocentrisme en Newtoniaans wereldbeeld
Een sprekend voorbeeld van een paradigmaverschuiving is de Copernicaanse revolutie in het wereldbeeld vanaf de 16e eeuw onder invloed van het werk van astronomen als Nicolaas Copernicus, Tycho Brahe, Johannes Kepler, Galileo Galilei en Isaac Newton: hun voorkeur voor empirische waarnemingen boven religieuze voorstellingen doorbrak het eerdere op autoriteit berustende Aristoteliaanse wereldbeeld. Men spreekt sedertdien over het Newtoniaanse wereldbeeld.
Mercurius
Een beroemde anomalie is het gedrag van de planeet Mercurius. De omwenteling van Mercurius om de zon voldoet niet aan de zwaartekrachtswetten van Newton. Die anomalie heeft men eeuwenlang proberen te verklaren, onder andere met een onontdekte planeet, Vulcanus. Einstein stelde met zijn algemene relativiteitstheorie een paradigmatische verandering van de opvatting over het heelal voor, waar het gedrag van Mercurius wel in paste. Die relativistische voorstelling van Einstein van het heelal werd de opvolger van de klassieke Newtoniaanse voorstelling.
Zwarte stralers en kwantummechanica
Een tweede anomalie kwam voort uit onderzoek naar de straling die door ideale hete lichamen - zwarte stralers - wordt uitgezonden. Spectraalanalyse daarvan vertoonde een patroon dat aanvankelijk onverklaarbaar leek. Max Planck slaagde er in 1900 wel in een theoretisch verklaringsmodel op te stellen. Maar daarbij had hij als rekenmethode aangenomen dat straling slechts kon worden uitgezonden in kleine pakketjes, kwanta, in plaats van continu. Die aanname was volstrekt niet in overeenstemming met de heersende idee dat natuurkundige grootheden continu kunnen variëren, en Planck was er dan ook van overtuigd dat er een "betere" verklaring moest zijn. De aanname bleek echter wel degelijk te kloppen, en de kwantummechanica die hieruit voortkwam, was een van de grootste paradigmaverschuivingen in de twintigste-eeuwse natuurkunde.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Thomas S Kuhn, The structure of scientific revolutions ( 1st. ed., Chicago: Univ. of Chicago Press, 1962)