Participatiewet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Participatiewet (Pw) is ingevoerd met ingang van 1 januari 2015 en vervangt het voorgaande stelsel van Wet werk en bijstand (WWB), Wet sociale werkvoorziening en Wajong.[1] Het doel is om zoveel mogelijk mensen met arbeidsvermogen naar werk toe te leiden, bij voorkeur naar regulier werk, en Bijstand te verlenen aan mensen die niet (meer) in staat zijn om zelf in hun levensonderhoud te voorzien. De Participatiewet geeft een (aanvulling op het) inkomen tot het toepasselijke sociaal minimum.

Artikel 7, eerste lid, van de Participatiewet bevat de opdracht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente om:

  1. bijstandsontvangers, andere uitkeringsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden te ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en daarbij - indien noodzakelijk geacht - een re-integratievoorziening aan te bieden;
  2. financiële bijstand te verlenen aan personen die niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Bevoegdheid[bewerken]

Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand, en voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling.

De gemeenteraad dient in elk geval de volgende verordeningen vast te stellen:

Terugvordering, boete en verhaal[bewerken]

Op 1 januari 2013 is in werking getreden de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgevingen de wet Wet huisbezoeken in de sociale zekerheid.

Indien na verlening van de bijstand blijkt dat deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, en meestal ook verplicht, het te veel betaalde terug te vorderen. Dat kan van de betrokkene zelf. Indien er te veel is betaald omdat geen rekening was gehouden met een partner, dan kan ook van die partner worden teruggevorderd.

Naast terugvordering kan er ook sprake zijn van verhaal van kosten. Het college is verplicht om de kosten te verhalen op degene die onderhoudsplichtig is voor de persoon die bijstand ontvangt. In de praktijk gaat het daarbij om de ouders, (ex-)echtgenoot of (ex-)partner.

Het loont om een ontstane vordering in het huidig dienstjaar terug te betalen. Als een vordering 'over het jaar heen wordt getild', dan wordt het restbedrag eenmalig gebruteerd. De afgedragen loonbelasting aan de fiscus wordt dan verrekend aan de klant. Zo kan een vordering met gemak 30 tot 40% hoger worden. Deze verrekening van loonbelasting tussen burger en gemeente kan overigens in de aangifte inkomstenbelasting worden gecorrigeerd door het volledige terugbetaalde bedrag in de aangifte van het betreffende kalenderjaar, op te voeren als negatief loon.

Financiering[bewerken]

Gemeenten ontvangen van het Rijk één ongeoormerkt budget (de zogenaamde gebundelde uitkering o.g.v. art. 69 Participatiewet) voor de financiering van de uitkeringen Participatiewet, IOAZ, IOAZ en Bbz levensonderhoud startende ondernemers alsmede voor loonkostensubsidies Participatiewet. Bij een budgettekort hoger dan het eigen risico van 5% kan de gemeente bij het Rijk een verzoek indienen om aanvullend budget, de zogenaamde vangnetuitkering. Een budgetoverschot mag de gemeente zelf houden. Gemeenten hebben dus een financieel belang bij het beperken van de uitkeringsuitgaven.

Gemeenten ontvangen daarnaast via de integratie-uitkering sociaal domein van het gemeentefonds een ongeoormerkt budget voor o.a. de bekostiging van de re-integratie naar werk.

Recht op bijstand[bewerken]

Voorwaarden voor het recht op bijstand:

  • 18 jaar of ouder;
  • een inkomen van ten hoogste 100% van de voor de betrokkene van toepassing zijnde bijstandsnorm;
  • beperkt eigen vermogen;
  • woonachtig en rechtmatig verblijvend in Nederland;
  • Nederlander of daarmee gelijkgesteld;
  • woonachtig in de gemeente, waar bijstand wordt aangevraagd.

Geen recht op bijstand hebben:

  • gedetineerden;
  • personen jonger dan 27 jaar die door het Rijk bekostigd onderwijs kunnen volgen;
  • personen van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven.

Referentieminimumloon[bewerken]

Het in artikel 37 bedoelde netto minimumloon wordt het (algemene) referentieminimumloon genoemd (niet te verwarren met het referentieminimumloon voor de AOW). Het is het bedrag dat twee partners samen netto zouden ontvangen als een van beiden bruto een bedrag aan uitkering zou krijgen gelijk aan het bruto minimumloon incl. vakantietoeslag, en zijn/haar partner geen inkomen zou hebben, en de maximale algemene heffingskorting voor een bepaald gedeelte (1e helft 2017: 81,25%) uitbetaald zou krijgen.

Hetzelfde artikel bepaalt dat het bovengenoemde percentage van de maximale algemene heffingskorting dat voor de partner in aanmerking wordt genomen halfjaarlijks wordt verlaagd, op 1 januari en 1 juli. De verlaging van 1 juli 2017 bedraagt 1,25 %-punt (het percentage is dan 80), daarna is deze steeds 2,5 %-punt, tot en met de verlaging van 1 juli 2033 (het percentage is dan 0).

De Wet van 15 december 2011, houdende geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene Ouderdomswet bepaalde de daling in halfjaarlijkse stappen van elk 2,5 %-punt, voor het eerst per 1 januari 2012, tot het percentage per 1 juli 2031 nul zou zijn. Per 1 juli 2013 werd het dus 90%. De Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013) bepaalt onder meer dat de afbouw in de jaren 2014 t/m 2017 gesteld wordt op 1,25 %-punt per halfjaar in plaats van 2,5 %-punt. Per 1 juli 2017 wordt het dus de genoemde 80%, per 1 januari 2018 77,5%, en uiteindelijk per 1 juli 2033 0%.

De halfjaarlijkse stappen van elk 2,5 %-punt resulteren in een halfjaarlijkse daling van het referentieminimumloon met ruim € 4 per maand. In combinatie met de inflatiecorrectie is er naar verwachting meestal toch nog wel een kleine stijging van het nominale bedrag.[2]

Het referentieminimumloon wijkt af van het netto loon van iemand die werkt voor het minimumloon, of wat beiden samen netto zouden ontvangen als dit voor een van beiden zou gelden, want iemand die werkt krijgt arbeidskorting, terwijl anderzijds de heffingskorting(en) lager zouden zijn: in het eerste geval zou die eenmaal ontvangen worden, in het tweede geval zou de partner een kleiner deel van de algemene heffingskorting dan hierboven genoemd ontvangen, doordat de afbouw van de dubbele heffingskorting voor kostwinners eerder is begonnen en wat sneller verloopt.

Uiteindelijk is het referentieminimumloon dus het bedrag dat iemand netto zou ontvangen als hij bruto een bedrag aan uitkering zou krijgen gelijk aan het minimumloon incl. vakantietoeslag. Door het ontbreken van arbeidskorting is het uiteindelijke referentieminimumloon minder dan het individuele netto minimumloon.

De dubbele heffingskorting wordt ook in het referentieminimumloon afgebouwd om te voorkomen dat over een aantal jaren twee partners samen financieel beter af zouden zijn met bijstand dan wanneer één voltijds tegen het minimumloon werkt, of dat recht zou ontstaan op aanvullende bijstand als van twee partners één voltijds tegen het minimumloon werkt, en de ander wel wil werken maar geen werk kan vinden.[3]

De verlagingen werken door in alle Participatiewet-uitkeringen doordat de normbedragen vaste percentages zijn van het referentieminimumloon (zie onder), maar ook in de Anw, IOAW, IOAZ en TW. Echter niet in de AOW, deze blijft op hetzelfde niveau.

Berekening per 1 januari 2014:

Het bruto minimumloon inclusief vakantie-uitkering bedraagt € 1604,45 per maand, dit is per jaar € 19.253,40. Naar beneden afgerond op een veelvoud van € 54 is dit € 19.224. De loonheffing volgens box 1 is 36,25% van € 19.224 (naar beneden op euro's afgerond), is € 6968. De heffingskorting is 1,8875 maal de algemene heffingskorting van € 2103, is € 3969. De loonheffing is dus € 2999 per jaar, dit is € 249,91 per maand. Het algemene referentieminimumloon (niet te verwarren met het referentieminimumloon voor de AOW) is dus € 1604,45 - € 249,91 = € 1354,54 per maand.[4] (€ 16.254,48 per jaar).

Begrip gehuwde[bewerken]

Artikel 3 bepaalt dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een bloed- of aanverwant in de eerste graad is.

Aanvulling inkomen tot norm[bewerken]

Onder inkomen wordt verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid, uit vermogen, uit (onder)verhuur, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud (alimentatie) en voorlopige teruggaven van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor zover deze inkomsten betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Artikel 19 bepaalt dat algemene bijstand het eigen inkomen aanvult tot maximaal de toepasselijke bijstandsnorm (ook wel sociaal minimum genoemd). De artikelen 20 t/m 23 geven de bedragen. Dit zijn deels de facto ronde percentages van het referentieminimumloon, hoewel de percentages niet in de wet genoemd worden. Artikel 38 bepaalt dat met ingang van de dag waarop het referentieminimumloon wijzigt de bedragen worden herzien met het percentage van deze wijziging. Daardoor zijn de bedragen de facto (behoudens de doorwerking van afrondfouten) vaste percentages van het referentieminimumloon. Artikel 19 bepaalt verder dat in de algemene bijstand een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5% van die bijstand (de vakantietoeslag is daardoor ongeveer 5,26% van het bedrag zonder vakantietoeslag). Artikel 38 bepaalt dat dit percentage gelijk gelijk wordt gehouden aan de procentuele verhouding tussen de netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag over het minimumloon en het netto minimumloon. Onder netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag wordt verstaan het verschil tussen het referentieminimumloon en het bedrag dat het referentieminimumloon zou zijn zonder zonder rekening te houden met de aanspraak op vakantiebijslag. Dit wordt afgerond op 5%.[5] Uit het vorenstaande blijkt dat het percentage van 5,26% lager is dan de gebruikelijke 8% doordat het om het netto bedrag gaat, niet door een aparte keuze om minder te verstrekken.

De norm (netto, incl. vakantietoeslag) is voor personen van 21 tot 65 jaar 50% van het referentieminimumloon. Dit is per 1 juli 2012 netto € 668,44 per maand (€ 8021 per jaar). Een alleenstaande die de (woon)kosten niet met anderen kan delen krijgt een toeslag tot 20% van het referentieminimumloon, dus in totaal € 935,81 per maand, (d.i. € 11.230 per jaar). Voor een jongere geldt een lager bedrag.[6]

Bij twee "gehuwden" is er pas recht op bijstand als de gezamenlijke inkomsten minder zijn dan de norm voor beiden gezamenlijk. De norm is gelijk aan het referentieminimumloon, dit is per kalendermaand per 1 juli 2012 € 1336,87.

In overleg met het Rijk is een plan van de gemeente Enschede niet doorgegaan, om bijstand te weigeren voor zover men door zijn pensioen eerder te laten ingaan inkomen kan verwerven.[7][8]

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)[bewerken]

Een onderdeel van de Participatiewet is de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO), uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank. Het betreft een alleenstaande die de AOW-leeftijd heeft bereikt, en twee partners van wie dat voor minstens een van beide geldt. Er kan aanspraak bestaan op AIO als de alleenstaande of één of beide partners een onvolledige AOW hebben. Voor een alleenstaande is de norm ongeveer 76,8% van het algemene referentieminimumloon (niet te verwarren met het referentieminimumloon voor de AOW), en voor twee partners samen 105,7%. De bedragen zijn € 1026,66 en € 1413,13 per maand.[9] Er zijn ongeveer 40.000 uitkeringsgerechtigden. Per jaar bedragen deze uitkeringen in totaal ongeveer € 200 miljoen.[10]

Vermogen[bewerken]

Er is een vermogenstoets: artikel 19 bepaalt dat er slechts recht op algemene bijstand bestaat indien er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Artikel 34 bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan voor een alleenstaande € 5.895 per 1 januari 2015 of voor twee "gehuwden" samen het dubbele.

Van de overwaarde van het eigen huis wordt in 2015 maximaal € 49.700 buiten beschouwing gelaten. Als deze waarde meer is dan kan de gemeente een krediethypotheek afsluiten.

Als iemand na het opmaken van het niet-vrijgelaten vermogen bijstand aanvraagt, wordt bezien of hij zijn vermogen niet te snel heeft uitgegeven. Er kan dan geconcludeerd worden dat hij "onvoldoende besef van verantwoordelijkheid heeft betoond bij het voorzien in de kosten van het bestaan." In dat geval wordt een sanctie toegepast bij de uitbetaling van de bijstand.

Wegens het wettelijke afkoopverbod telt pensioenvermogen dat is opgebouwd in de tweede pijler niet als vermogen, maar dat in de derde pijler wel. De regering heeft aangekondigd ook een derdepijlerpensioen tot (incl. eventueel tweedepijlerpensioen) twee maal de AOW vrij te gaan laten. Om te voorkomen dat mensen vlak voor een bijstandsaanvraag hun vermogen wegsluizen naar hun derdepijlerpensioen, geldt daarbij de randvoorwaarde dat er in de jaren voor de bijstandsaanvraag sprake moet zijn van een gelijkblijvende of dalende inleg.[11]

Kostendelersnorm[bewerken]

Per 1 januari 2015 is in de Participatiewet de kostendelersnorm (artikel 19a, eerste lid, Pw) ingevoerd. De kostendelersnorm houdt in dat als een bijstandsgerechtigde een woning deelt met een of meer volwassenen (de echtgenoot niet inbegrepen), de bijstandsuitkering wordt verlaagd, omdat wordt aangenomen dat in die situatie de woonkosten kunnen worden gedeeld. Irrelevant is of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. Alleenstaanden, die de woning delen met één volwassene, ontvangen 50% van de gehuwdennorm. De korting loopt op al naar gelang het aantal volwassen medebewoners: hoe meer volwassen medebewoners, hoe lager de bijstandsuitkering. De norm voor iemand die in een woning woont met in totaal n volwassenen bedraagt [ 30 + 40 / n ] % van het referentieminimumloon. Dit is dus 70% bij 1 persoon, 50% bij 2, 43 1/3 % bij 3, 40% bij 4, 38% bij 5, enz. De inkomens- en vermogenstoets worden individueel of per paar toegepast.

Op de regel dat een volwassen medebewoner word aangemerkt als “kostendelende medebewoner” gelden o.g.v. art. 19a, eerste lid, Pw twee uitzonderingen:

  1. woningdelende huurders, onderhuurders of kostgangers met een contract op basis van een commerciële prijs, waarbij die commerciële prijs ook daadwerkelijk wordt betaald, niet alleen door de belanghebbende, maar ook door alle medebewoners; vanwege fraudegevoeligheid en het tegengaan van schijnconstructies in de sfeer van familierelaties zijn zuiver zakelijke relaties tussen familieleden buiten deze uitzondering gehouden;
  2. studenten.

Alleenstaande ouder[bewerken]

De Wet hervorming kindregelingen heeft de aparte norm voor de alleenstaande ouder afgeschaft. Door een verschil in definitie van alleenstaande ouder tussen de Participatiewet en de fiscale regels kan een alleenstaande ouder in de bijstand wel geraakt worden in de verlaging van zijn norm, maar geen alleenstaande-ouderkop krijgen, bijvoorbeeld in het geval van een gehuwde waarvan de partner gedetineerd is. Dan zal er volgens de Belastingdienst nog altijd sprake zijn van een toeslagpartner en de alleenstaande-ouderkop niet tot uitbetaling komen. Voor het jaar 2015 is voor een aantal groepen alleenstaande ouders overgangsrecht gemaakt.

Bijzondere bijstand[bewerken]

Bijzondere bijstand is een uitkering voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan die niet uit het inkomen of vermogen kunnen worden voldaan.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan vergoeding voor de eigen bijdrage thuiszorg, brillen, hoortoestellen en orthopedisch schoeisel, veelal is een aanvullende zorgverzekering een vereiste om voor vergoeding voor medische kosten in aanmerking te komen. Maar ook vergoeding voor schoolreisjes of het lidmaatschap van een sportclub.

Het college van Burgemeester en wethouders dient de noodzaak van de bijstandsverlening vast te stellen. Daarbij heeft het college enige beoordelingsvrijheid. Daarnaast heeft het college een behoorlijke beleidsvrijheid als het gaat om het bepalen van de draagkracht.

Er bestaan in de praktijk soms grote verschillen tussen de verschillende gemeenten in de wijze waarop de verlening van bijzondere bijstand plaatsvindt.

Anders dan een aanvraag voor algemene bijstand, moet een aanvraag voor bijzondere bijstand niet bij het UWV worden ingediend maar bij het college van burgemeester en wethouders. Doorgaans zal de aanvrager zich daarvoor tot de Gemeentelijke Sociale Dienst moeten wenden.

Categoriale inkomensondersteunende voorzieningen houden in dat aan een categorie mensen inkomensondersteuning wordt verstrekt zonder dat voor iedereen in de categorie wordt vereist dat hij de (on)kosten daadwerkelijk maakt, en dat de ondersteuning noodzakelijk is. Artikel 35 staat gemeenten toe deze te verlenen aan mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, aan chronisch zieken en gehandicapten, en aan mensen met schoolgaande kinderen, mits deze mensen een inkomen hebben van niet meer dan 110% van de bijstandsnorm. Zie ook gemeentelijk minimabeleid.

Individuele inkomenstoeslag[bewerken]

Op grond van artikel 36 verlenen gemeenten op aanvraag een zogenaamde individuele inkomenstoeslag. Dit is een tegemoetkoming voor personen van 21 tot 65 jaar die langere tijd van een minimuminkomen hebben moeten leven, geen of weinig eigen vermogen hebben en ook geen uitzicht hebben op betaald werk.

Algemeen geaccepteerde arbeid[bewerken]

Onder de Participatiewet is de cliënt die jonger is dan de AOW-leeftijd verplicht om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Dit is een verzwaring ten opzichte van de Abw waarin nog werd gesproken van passende arbeid.

Tegenprestatie[bewerken]

De Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden heeft aan artikel 9, 1e lid van de Participatiewet toegevoegd onderdeel c, dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd verplicht naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. In gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren besteedt de klant hier gemiddeld 16 uur per week aan, maar de variatie onder gemeenten is groot: in een aantal gemeenten ligt het gemiddelde rond de 4 uur, maar er zijn ook gemeenten die klanten minstens 24 uur aan de tegenprestatie laten besteden per week. De gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren geven in meerderheid aan dat het instrument ook wordt ingezet om burgers te ontmoedigen een uitkering aan te vragen. Gemeenten kiezen hiervoor als zij het vermoeden hebben dat deze de uitkering eigenlijk niet nodig heeft, of als onderdeel van een beleid om de instroom te verkleinen. Bij ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren is de gemiddelde duur korter dan een halfjaar. Ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie uitvoert heeft een maximum gesteld aan de duur van de tegenprestatie. Een aantal gemeenten geeft aan dat de duur afhankelijk is van de individuele situatie, of dat de tegenprestatie duurt tot het einde van de uitkering. In de meeste gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren heeft de uitkeringsgerechtigde invloed op de keuze van de activiteiten die hij opgelegd krijgt. De minister juicht dit toe.[12][13]

De Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten (zie boven) die onder meer bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het opdragen van de tegenprestatie, die in ieder geval ook betrekking hebben op hoe wordt omgegaan met de situatie dat niet direct maatschappelijk nuttige activiteiten voorhanden zijn, trad op 1 juli 2015 in werking. Hierbij worden alle colleges dus verplicht beleid te formuleren om de genoemde tegenprestatie op te dragen en daar uitvoering aan te geven. Het college legt geen tegenprestatie op aan personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de tegenprestatie.

Omdat de tegenprestatie geacht kan worden te vallen onder het "opleggen van normale burgerlijke verplichtingen dan wel kleine gemeenschapsdiensten" en deze bovendien alleen verlangd wordt van degene die is aangewezen op uitkeringen die bekostigd worden uit de algemene middelen, en daarnaast nog onder de beperkende voorwaarde dat betrokkene deze verplichtingen naar vermogen kunnen worden opgelegd, is er volgens de regering geen schending van het verbod op dwangarbeid. Zie ook werkverschaffing.

Een en ander geldt ook voor degenen met een IOAW- of IOAZ-uitkering.

Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004[bewerken]

Het doel van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (een algemene maatregel van bestuur op grond van de Participatiewet) is het verschaffen van financiële steun aan mensen in de bijstand, die zelfstandig ondernemer willen worden. Voordat de Bbz bestond werden bijstandsgerechtigden die zelfstandig ondernemer wilden worden, geholpen met micro-kredieten.

Er kan een renteloze lening worden verstrekt van maximaal € 2534 en deze wordt alleen rentedragend wanneer de betrokkene daadwerkelijk zijn bedrijf start. Wanneer zijn bedrijf echter niet levensvatbaar wordt, wordt dit bedrag omgezet in een schenking.

Daarnaast bestaat er nog de mogelijkheid tot het aanvragen van een rentedragend krediet van maximaal € 30.668 tegen een rentepercentage van 4,5% en een looptijd van 10 jaren.

Ten derde kan er nog aanspraak worden gemaakt op een uitkering inzake levensonderhoud als aanvulling op het eigen (gezins)inkomen (tot het bedrag, wat men anders ook als bijstandsinkomen had gehad), gedurende maximaal 36 maanden (3 jaren), nadat men van start is gegaan als ondernemer. Men houdt dan zolang een bijstandsuitkering als aanvulling op het inkomen als zelfstandige. Deze bijstandsuitkering wordt dan verstrekt als een lening en moet alleen worden terugbetaald als het bedrijf echt succesvol is. Dit is niet het geval als de onderneming binnen die 3 jaren wordt gestaakt.

De gemeente (sociale dienst) is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Bbz., maar schakelt vaak de onafhankelijke advies- en begeleidingsorganisatie IMK Intermediair (Instituut Midden- en Kleinbedrijf) in om de cliënten te begeleiden die zelfstandig ondernemer willen worden.

Cliënten zijn tijdens dit traject vrijgesteld van hun sollicitatieplicht en hoeven niet langer ingeschreven te staan bij het UWV WERKbedrijf.

Rechtsbescherming[bewerken]

Tegen beslissingen over het (niet) verlenen van bijstand en beslissingen over terugvordering kan betrokkene een bezwaarschrift indienen. Op die procedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat impliceert dat tegen de beslissing op bezwaar desgewenst beroep kan worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en eventueel hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. In spoedgevallen kan ook een voorlopige voorziening gevraagd worden bij de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

Externe links[bewerken]