Particuliere initiatieven

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Particuliere Initiatieven (PI) is een verzamelnaam voor burgers die, al dan niet in georganiseerd verband, actief bijdragen aan armoedevermindering in ontwikkelingslanden. De inzet van deze burgers gaat verder dan financiële steun: zij zijn actief betrokken bij projecten en onderhouden doorgaans directe contacten met personen en organisaties in ontwikkelingslanden. Het aantal Particuliere Initiatieven in Nederland wordt geschat op 6.400.[1]

In Vlaanderen spreekt men van Vierde Pijlerinitiatieven. Deze pijler bestaat naast de drie klassieke pijlers in de ontwikkelingshulp: bilaterale hulp (eerste pijler), multilaterale hulp (tweede pijler) en hulp door maatschappelijke (ontwikkelings)organisaties (derde pijler). De Vierde Pijler is daarbij een verzamelnaam voor steun aan projecten, draagvlak- en bewustwordingsinitiatieven door bedrijven, scholen, serviceclubs en vakbonden. Vrijwilligersgroepen met projecten in het zuiden – het equivalent van de Nederlandse particuliere initiatieven – maken onderdeel uit van deze Vierde Pijlerbeweging. In Vlaanderen houdt men het op 1.100 tot 2.700 actieve groepen.[2]

Kenmerken[bewerken | brontekst bewerken]

De groep particuliere initiatieven is zeer divers. Onder particuliere initiatiefnemers bevinden zich enerzijds mensen die een bescheiden initiatief steunen, zoals schoolgeld betalen voor enkele kinderen. Anderzijds zijn in dit veld professioneel werkende vrijwilligersgroepen actief die tientallen projecten voor duizenden mensen ondersteunen. Een breed gedragen definitie van particulier initiatief ontbreekt vooralsnog.

In 2005 verscheen in Nederland een eerste verkennend onderzoek naar de kenmerken van particuliere initiatieven.[1] Hierin worden particuliere initiatieven getypeerd als kleinschalige organisaties, zowel qua aantal medewerkers als qua inkomsten. Deze organisaties drijven uitsluitend of vrijwel uitsluitend uit vrijwilligers. Een gemiddelde organisatie telt vijf actieve medewerkers. Ruim de helft van hen is ouder dan 50 jaar.

Het budget van particuliere initiatieven loopt zeer uiteen. Ruim 40 procent van de particuliere initiatieven heeft een inkomen van minder dan 20.000 euro. Een even groot percentage heeft een inkomen tussen de 20.000 en de 100.000 euro. Iets minder dan 15 procent heeft meer dan 100.000 euro te besteden. De belangrijkste thema’s waar de organisaties zich op richten zijn onderwijs, gezondheidszorg, gender en watervoorziening. De activiteiten van particuliere initiatieven spitsen zich in hoofdzaak toe op zichtbare projecten, zoals bouwen en renoveren van scholen.

Motivatie[bewerken | brontekst bewerken]

Ongeveer een derde van de particuliere initiatieven begint na een verblijf in een ontwikkelingsland.Veel initiatiefnemers hebben tijdens zo’n verblijf een persoonlijke band opgebouwd met bewoners. Om aan een hulpvraag van deze contactpersonen te voldoen, roepen zij een eigen organisatie in het leven, waar zij vrienden en bekenden bij betrekken.

Ook persoonlijke motieven spelen een rol bij het opzetten van een project in een ontwikkelingsland. Een gevoel van solidariteit, de behoefte om iets te betekenen voor anderen, is duidelijk belangrijk. Ook plichtsbesef en schuldgevoel spelen mee, evenals zelfontplooiingsmotieven. Van minder belang zijn het sociale motief (waardering die men krijgt vanuit de sociale omgeving) en geloofsovertuiging

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Burgerbetrokkenheid bij ontwikkelingssamenwerking vindt zijn oorsprong in de katholieke missie en de protestantse zending. In de jaren 60 en 70 groeide het aantal burgerinitiatieven die zich richtten op het ondersteunen van kleinschalige projecten en het vergroten van bewustwording en draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. De laatste jaren lijkt sprake te zijn van een versnelde groei van het particuliere initiatief: ruim een derde van de organisaties is jonger dan vijf jaar, wat duidt op een toename.[1] Ook de media besteden de laatste jaren meer aandacht aan burgers met projecten in het ontwikkelingslanden.

De opkomst van het particuliere initiatief in de ontwikkelingssamenwerking past binnen de trend van een terugtrekkende overheid en een verdergaande individualisering van de maatschappij. Bovendien zijn de subsidiemogelijkheden voor projecten van particulieren steeds verder verruimd, vooral sinds 2004.(Zie 'Financiering en ondersteuning')

Brancheorganisatie[bewerken | brontekst bewerken]

In juli 2009 werd in Nederland de brancheorganisatie PartIn opgericht . Een eerste doelstelling van PartIn is belangenbehartiging. PartIn wil het kleinschalig particulier initiatief een stem geven in de discussie over ontwikkelingssamenwerking. Een tweede hoofddoel van PartIn is kwaliteitsverbetering. Partin wil zich inzetten voor kennisdelen en deskundigheidsbevordering van aangesloten particuliere initiatieven.

Kwaliteit[bewerken | brontekst bewerken]

In 2007 werd een eerste wetenschappelijke studie gepubliceerd naar de kwaliteit en werkwijze van particuliere initiatieven in ontwikkelingslanden.[3] Dit onderzoek laat zien dat er ruimte voor verbetering is. Zo investeren particuliere initiatieven weinig aan kennisopbouw van de lokale bevolking. Ze werken bovendien veelal samen met individuen, niet met organisaties. Dat maakt de voortgang van het project op lange termijn kwetsbaar. Veel particuliere initiatieven werken bovendien geïsoleerd. Ze hebben nauwelijks contact met andere partijen en weten nauwelijks wie er nog meer in hun gebied actief is. Ook de monitoring, evaluatie en transparantie is vaak onder de maat.

Financiering en ondersteuning[bewerken | brontekst bewerken]

De belangrijkste inkomstenbron voor Particuliere Initiatieven zijn donaties van particulieren. Daarnaast bieden verschillende draagvlak- en ontwikkelingsorganisaties subsidiemogelijkheden. De organisatie Wilde Ganzen financiert sinds haar oprichting in 1957 initiatieven van particuliere initiatieven. Particuliere Initiatieven kunnen steun aanvragen voor een project van een partnerorganisatie in een ontwikkelingsland. De voorwaarde is dat zij in Nederland voorlichting geven en een deel van de fondsen werven.

In 1991 werden de subsidiemogelijkheden voor particuliere initiatieven uitgebreid. Minister Jan Pronk van Ontwikkelingssamenwerking riep het Programma Kleinschalige Plaatselijke Activiteiten (KPA) in het leven. Het programma verstrekt subsidie aan groepen burgers die voorlichting geven en ontwikkelingsactiviteiten ondersteunen. In 1994 werd dit programma ondergebracht bij de Nationale Commissie Duurzame Ontwikkeling (NCDO). Eind 2010 kwam het KPA-programma ten einde.

Sinds 2004 hadden de meeste medefinancieringsorganisaties een eigen subsidieloket voor projecten van particulieren. Deze loketten gaan schuil achter het digitale portaal ‘Linkis’. Deelnemers aan Linkis waren Cordaid, Oxfam-Novib, Hivos en Impulsis. Linkis is inmiddels opgeheven. Impulsis was een samenwerkingsverband tussen ICCO, Kerk in Actie en Edukans. Linkis is eind 2015 opgeheven.

Van alle hier genoemde organisaties steunen alleen Wilde Ganzen (op grote schaal) en Kerk in Actie en Edukans (op kleine schaal) nog Particuliere Initiatieven. Daarnaast biedt Wilde Ganzen de partnerorganisaties van Particuliere Initiatieven trainingen en coaching op het vlak van fondsenwerven en het betrekken van de lokale overheid in ontwikkelingslanden zélf. Dit gebeurt in het programma Change the Game Academy, dat het e-learning gedeelte wereldwijd gratis beschikbaar stelt: https://www.changethegameacademy.org

In Vlaanderen hebben verschillende overheden, zoals gemeenten en provincies, subsidie-instrumenten voor zogeheten solidariteitsgroepen. De verschillen per overheid zijn groot. Daarnaast is België rijk aan stichtingen en fondsen waar particuliere groepen geld kunnen aanvragen, zoals de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij.

Discussie[bewerken | brontekst bewerken]

De kwaliteit van particuliere initiatieven is een punt van discussie. Particuliere initiatieven zelf zijn van mening dat zij effectiever werken dan grote ontwikkelingsorganisaties. Zij onderbouwen deze stelling met het argument dat hun organisatie nauwelijks overheadkosten maakt, en dat zij directe contacten hebben met de lokale bevolking.

Bij reguliere ontwikkelingsorganisaties leeft het idee dat particuliere initiatieven weinig kennis hebben van ontwikkelingswerk, en niet voldoende op de hoogte zijn van de lessen die de sector de afgelopen decennia heeft geleerd. De vrees bestaat dat particuliere initiatieven fouten uit het verleden herhalen, en zich bedienen van achterhaalde methoden voor ontwikkelingssamenwerking.

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  1. a b c Bouzoubaa, H. en Brok, B., Particuliere initiatieven op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, Cidin, Nijmegen 2005
  2. Develtere, P. en Stessens, J., De vierde pijler van de ontwikkelingssamenwerking in Vlaanderen: de opmars van de wereldverbeteraar, HIVA, Leuven, 2006
  3. Schulpen, L. Development in the Africa for beginners, CIDIN, Nijmegen, 2007