Patat-frietgrens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Benaming voor gefrituurde staafjes aardappel in 1972

De patat-frietgrens is de informele benaming voor een opvallende isoglosse (scherpe overgang van klein taalverschil) binnen het Nederlands taalgebied. In Nederland wijst het gebruik van ‘friet’ dan wel ‘patat’ er vaak op of de spreker van beneden of boven de grote rivieren afkomstig is. Veel Nederlandstaligen hebben bovendien een voorkeur voor en/of afkeer van een van beide varianten.[1] Met uitzondering van Zeeland loopt de isoglosse grotendeels gelijk met die van de zachte g.

Zowel het woord ‘patat' als het woord 'friet(en)’ is ontstaan uit het Belgisch-Franse ‘patates-frites’, in de zuidelijke dialecten ook wel uitgesproken als ‘patat friet’.[2] In België stamt de vroegste verwijzing naar het gerecht uit 1857, wanneer het onder de naam ‘pommes de terre frites’ in Luik wordt aangetroffen. In 1862 wordt in Antwerpen de aanwezigheid van het gerecht ook in het Nederlandse taalgebied vastgesteld.[3] In de tweede helft van de 19e eeuw is friet vooral te vinden op kermissen in de grote Belgische steden, later volgen de meer permanente frietkotten. In zuidelijk Nederland is er met enige vertraging een grotendeels parallelle ontwikkeling te zien. De eerste friet in Nederland werd, voor zover bekend, gegeten op een kermis in Breda in 1868, de eerste frietzaak van Nederland werd in 1905 gestart in Bergen op Zoom, beide steden nabij de Belgische grens.[4][5] In Noord-Nederland wordt friet pas na de Tweede Wereldoorlog een ingeburgerd gerecht.

De patat-friet-isoglosse is opmerkelijk, omdat het ongebruikelijk is dat er voor een betrekkelijk recent begrip verschillende benamingen gangbaar zijn. Bovendien valt de isoglosse in de spaarzame andere gevallen bijna altijd samen met de Nederlands-Belgische staatsgrens. ‘Friet’ is een verkorting van het oorspronkelijke ‘patates-frites’. In het Zuid-Nederlandse taalgebied lag een verkorting tot 'patat' niet voor de hand, omdat die term er al sinds de 17e eeuw gebruikt werd voor aardappelen. De vorm ‘frieten’ of ‘friets’ is vooral in West-Vlaanderen in zwang en was oorspronkelijk de meervoudsvorm van ‘friet’, waarna het enkelvoud in onbruik raakte. Het gerecht heeft zich in twee golven verspreid, elk met een andere benaming. De eerste golf (‘friet’) ontstond eind 19e eeuw in België en bereikte begin 20ste eeuw Zuid-Nederland. De tweede golf begon kort na 1945 in de Randstad, eerst als ‘patatfriet’ maar al snel verkort tot ‘patat’.[6]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]