Paul Lebeau

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Paul Lebeau (Borgerhout, 29 juni 1908Brussel, 18 oktober 1982) was een Vlaamse letterkundige en schrijver.

Levensloop[bewerken]

Na zijn middelbare school (Grieks-Latijnse Humaniora te Antwerpen) studeerde hij Germaanse Filologie te Leuven, waar hij redactiesecretaris werd van het studentenblad Ons Leven. Verder was hij actief lid van KVHV-Leuven, waar hij meerdere bestuursfuncties heeft waargenomen. Samen met Dr. Mon de Goeyse en Willem Melis richtte hij in 1927 de traditionele Duitse studentenvereniging, K.A.V. Lovania Leuven, herop, in een poging om het Leuvense studentenleven te veredelen. Tijdens deze periode publiceerde hij ook, onder de pseudoniemen Elckerlyk en Van Ginderachter, een aantal jeugdgedichten.

In 1930 doctoreerde Lebeau met het proefschrift Het dilettantisme in de Nederlandse literatuur, waarin hij het onder meer over het tijdschrift Van Nu en Straks heeft. In 1931 begon hij een loopbaan in het onderwijs, maar nadat hij in 1934 (met een studie Het dilettantisme als levenshouding in de West-Europese literatuur) met succes had deelgenomen aan een interuniversitaire wedstrijd, kreeg hij de kans verder te studeren. Hij volgde cursussen in vergelijkende literatuurstudie te Parijs en Berlijn, en kreeg daar les van gerenommeerde specialisten.

Na de oorlog was Lebeau redacteur van Dietsche Warande en Belfort en bestuurslid van Boekengilde De Clauwaert. Onder het pseudoniem van Lambert Stiers trad hij toe tot de redactie van het Vlaams-nationale, culturele maandblad Golfslag. In 1953 stichtte hij de literaire kring De Tafelronde en was mederedacteur van het gelijknamige tijdschrift.

Terug in België gaf hij les aan verschillende athenea, tot hij in 1958 werd aangesteld als docent aan de toenmalige Economische Hogeschool Sint-Aloysius en vanaf 1960 ook aan de Facultés Universitaires St. Louis, allebei te Brussel. Deze functie bleef hij uitoefenen tot zijn pensionnering in 1978.

In 1970 werd Lebeau lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde als opvolger van Stijn Streuvels.

Paul Lebeau overleed op 74-jarige leeftijd.

Literaire betekenis[bewerken]

Paul Lebeau raakte bekend als schrijver van indringende probleemromans (onder meer Mijn vriend Max, Zomer te Zilverberg, De kleine Karamasow ...) en essays (onder meer Het Siegfriedmotief ...).
Naam maakte hij vooral met zijn historische roman Xanthippe (1959), waarmee hij zijn vroegere productie ruimschoots overtrof, en waarvoor hij drie maal bekroond werd. In deze roman laat hij, met veel medegevoel en begrip, de beruchte echtgenote van Socrates haar levensverhaal vertellen.

Hij was medeoprichter en redacteur van De Tafelronde en vanaf 1960 zetelde hij ook in de redactie van Dietsche Warande & Belfort. In 1970 werd hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en van 1976 tot 1977 was hij voorzitter van de vereniging Scriptores Catholici. In 1981, één jaar voor zijn dood, ontving hij nog de Prijs voor Letterkunde van de provincie Antwerpen.

Bibliografie[bewerken]

  • 1933 ‘Het dilettantisme als levenshouding in de literatuur’. In: Dietsche Warande en Belfort, jrg. 33, nr. 12, december 1933, pp. 809–820 en jrg. 34, nr. 1, januari 1934, pp. 6–19
  • 1940. Het experiment. Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel. 225 p.
  • 1942. Mijn vriend Max. Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel. 80 p.
  • 1942. ‘Moeder, waarom leven wij?’ In: Contact: maandschrift voor boekenvrienden. vol. 8 (1942), afl. 4-7 (okt), p. 12.
  • 1947. De zondenbok. Antwerpen: Standaard Boekhandel. 175 p.
  • 1950. ‘De Boomgaardgeneratie’. In: V.E.V.-berichten: halfmaandelijks tijdschrift van het Vlaams Economisch Verbond (1950) (aug), p. 33-36.
  • 1950. Hommage a Jean Perrin. Paris. 25 p.
  • 1950. Johanna-Maria. Leuven: Boekengilde De Clauwaert. 297 p.
  • 1951. De Blauwe Bloem. Leuven: De Clauwaert. 269 p.
  • 1954. Het Siegfriedmotief, of De overbodigen. Leuven: De Clauwaert. 244 p.
  • 1956. De laatste roos. Leuven: De Clauwaert. 65 p.
  • 1957. De kleine Karamazow. Leuven: De Clauwaert. 78 p.
  • 1958. Hommage à Paul Lebeau, membre de l'Académie des sciences, Professeur honoraire à la Faculté de pharmacie de Paris. Paris. 19 p.
  • 1959. Xanthippe. Amsterdam: Standaard Boekhandel. 261 p.
  • 1960. ‘De Katholieke romancier’. In: Dietsche Warande en Belfort: tijdschrift voor letterkunde, kunst en geestesleven vol. 105 (1960), afl. 3 (mrt), p. 226-227.
  • 1960. ‘Oude portretten, vrolijk bekeken’. In: Onze alma mater: orgaan van de "Vlaamsche Leergangen te Leuven" vol. 14 (1960), afl. 2., p. 7-10.
  • 1960. ‘Zakelijk onderzoek’. In: Dietsche Warande en Belfort: tijdschrift voor letterkunde, kunst en geestesleven vol. 105 (1960), afl. 3 (mrt), p. 225.
  • 1961. ‘De kunst van het essay’. In: Noordgouw: cultureel tijdschrift van de Provincie Antwerpen vol. 1 (1961), afl. 3, p. 93-101.
  • 1961. ‘In memoriam: prof. dr. Jozef Muls’. In: Boekengids: algemeen Nederlands critisch-bibliografisch tijdschrift vol. 39 (1961), afl. 5 (juni), p. 161-163.
  • 1962. ‘Het leven intens beleven’. In: Ceulaer, J. de. Te gast bij Vlaamse auteurs 1e reeks. p. 54-60.
  • 1962. ‘In memoriam Filip de Pillecijn’. In: In memoriam Filip de Pillecyn (Hamme 1891-Gent 1962) [Spec. nr. van ] Kruis Leeuw Waasland vol. 10 (1962), afl. 2, p. 17.
  • 1962. Zomer te Zilverberg. Leuven: De Clauwaert.
  • 1963. Omnibus. (waarin opgenomen Johanna-Maria, De blauwe bloem, Het weerzien) Brussel: D.A.P. Reinaert Uitgaven.
  • 1964. ‘Jozef Muls als causeur’. In: Jozef Muls herdacht, p. 137-143.
  • 1966. ‘Enkele bedenkingen bij de tendensen van onze jongste literatuur’. In: Dietsche warande en Belfort: tijdschrift voor letterkunde, kunst en geestesleven vol. 111 (1966), afl. 3 (maart-april), p. 220-225.
  • 1966. Le vin nouveau du Royaume: étude exégetique et patristique sur la Parole eschatologique de Jésus à la Cène. Paris; Bruges: Desclée de Brouwer. 319 p.
  • 1967. Jean Danielou. Paris: Fleurus. 161 p.
  • 1967. Voltooid verleden tijd. Leuven: De Clauwaert. 225 p.
  • 1969. Intercommunion: des chrétiens s'interrogent: Eucharistie, Eglise, unité. Tours: Mame. 234 p.
  • 1972. De tijdvreter en andere verhalen. Leuven: De Clauwaert. 238 p.
  • 1972. ‘Hulde aan Stijn Streuvels’. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1972), afl. 2, p. 188-194.
  • 1974. ‘Gilliams zoals ik hem zie en zag’. In: Maurice Gilliams-nummer. Dietsche War. en Belf vol. 119 (1974), afl. 2 (feb), p. 182 –184.
  • 1975. ‘Schrijvers langs de weg’. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1975), afl. 2, p. 255-268.
  • 1977. Meer suers dan soets: verhalen rondom lief en leed. Leuven: Davidsfonds. 314 p.
  • 1978. ‘Denkend aan Willem Melis’. Ons leven. In: Bijdragen tot de geschiedenis van een generatie. Een liber amicorum voor Mr.Willem Melis. Samenst. Bruyne, Arthur de p. 123-131.
  • 1978. ‘Een leven in dienst van de letteren. In memoriam Paul Hardy’. In: Noordgouw: cultureel tijdschrift van de Provincie Antwerpen vol. 18 (1978), afl. 2-3, p. 187-192.
  • 1978. ‘P.G. Buckinx. Een indruk en een eresaluut’. In: Een woordeloos gebed voor nu en later. Hulde aan P.G. Buckinx en F. de Boeck. Kofschip vol. 6 (1978), afl. 1-2 (feb), p. 22-23.
  • 1979. Het Thomaskruis en andere verhalen. Leuven: De Clauwaert. 159 p.
  • 1979. Verzamelde verhalen. Leuven: De Clauwaert. 453 p.
  • 1980. ‘Denkend aan Bert Peleman’. In: Als de man in de Peel…: Bert Peleman; algemene samenst. en red. Gust Wittebols, p. 39.
  • 1985. Omnibus (De zondebok, Het Siegfriedmotief, of De overbodigen en Zomer te Zilverberg). Leuven: Davidsfonds. 495 p.

Externe links[bewerken]