Percutane coronaire interventie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Röntgenopname van het hart tijdens een PCI

Een percutane coronaire interventie (PCI) – tot 2006 werd in de medische nomenclatuur gesproken van een percutane transluminale coronair angioplastiek (PTCA) – is een angioplastiek, ook wel 'dotteren' genoemd, van een vernauwing (stenose) in een kransslagader. De handelingen bestaan eruit door een ballonnetje in te brengen en dat vervolgens met hoge druk op te vullen zodat het bloedvat opgerekt wordt en dan wel weer voldoende bloed doorlaat. Vaak wordt daarbij tevens een stent geplaatst: een (meestal) stalen veertje met een bepaalde vorm dat in opgevouwen toestand wordt ingebracht maar zich bij het opblazen van de ballon ontplooit en dan zijn vorm vasthoudt, waardoor weer dichtklappen van het vat wordt tegengewerkt. Dit kan weer andere problemen doen ontstaan, zoals het ontstaan van bloedstolsels op het lichaamsvreemde materiaal van de stent zelf en het dichtslibben van het vat net naast de geplaatste stent, maar de laatste jaren zijn er op dit gebied wel belangrijke vorderingen gemaakt, zowel met betrekking tot het materiaal van de stent als de preventie van stolselvorming.

Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg heeft in zijn rapport 66[1] aangetoond dat stents bewerkt met een medicijn een hoger risico geven op verstopping tegenover een stent die niet bewerkt is met een medicijn.

De uitvinder en naamgever van deze techniek is de Amerikaanse arts Charles Dotter.

Zie ook[bewerken]