Personenbelasting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De personenbelasting is in België de inkomstenbelasting die geheven wordt op het wereldwijde jaarinkomen van particulieren. De personenbelasting geldt enkel voor inwoners; voor niet-inwoners geldt de vergelijkbare belasting van niet-inwoners.

Algemene principes[bewerken]

Wereldwijd[bewerken]

Rijksinwoners worden belast op het inkomen ongeacht hun oorsprong. Werk je in België, en heb je aandelen van bijvoorbeeld IBM (een Amerikaanse onderneming) en een woning in Frankrijk die je verhuurt, dan word je volgens dit principe in België belast op de som van je Belgisch loon, het Amerikaans roerend inkomen en het Frans onroerend inkomen.

Maar ook Amerika kan belastingen heffen op het dividend dat de Amerikaans onderneming uitkeert en Frankrijk kan belastingen heffen op het Franse onroerend inkomen. Er kan dus een dubbele belasting ontstaan op buitenlandse inkomsten.

Daarom sluiten landen verdragen af die bepalen wie er recht heeft om het inkomen te belasten. Dergelijke verdragen ter vermijding van dubbele belasting of om te vermijden dat geen van beide landen belastingen heft, noemt men dubbelbelastingverdragen. In ons voorbeeld moet je het dubbelbelastingverdrag tussen België en de Verenigde Staten van Amerika lezen om te weten welke van de twee Staten belasting mag heffen op het dividend, en het verdrag tussen België en Frankrijk om te weten wie het onroerend inkomen mag belasten.

Globalisatie[bewerken]

Onder globalisatie verstaat men dat alle inkomsten die een rijksinwoner geniet, worden samengevoegd dus geglobaliseerd.

Heb je bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid samen met ziektevergoedingen en werkloosheidsuitkeringen en een tweede woning en bovendien ook nog een onderhoudsuitkering, dan wordt je belastbaar inkomen bepaald door de som van al deze inkomsten.

Hierop bestaat een belangrijke uitzondering: de roerende inkomsten (intresten, dividenden, ...) worden afzonderlijk belast tegen een eigen tarief. Ze maken geen deel uit van het geglobaliseerde inkomen. Ook sommige diverse inkomsten worden afzonderlijk belast zoals bepaalde meerwaarden op onroerende goederen.

Persoonlijk[bewerken]

Maximumhuwelijksquotient
Jaar
(inkomsten)
Maximumbedrag
2016 €10 290
2015 €10 230
2014 €10 200
2013 €10 090
2012 €9 810
2011 €9 470
2009-2010 €9 280
2008 €8 880
2007 €8 720
2006 €8 560
2005 €8 330
2004 €8 160

Als men gehuwd is of wettelijk samenwoont gebeurt de aangifte en de berekening gemeenschappelijk. Hiervoor wordt voor iedere rubriek een dubbele kolom voorzien. Elke partner wordt belast op zijn eigen inkomsten. Als algemene regel worden de inkomsten van partners dus niet samengevoegd. Bepaalde inkomsten worden ofwel verdeeld, ofwel (gedeeltelijk) overgeheveld.

Wanneer slechts een van de partners een beroepsinkomen heeft, ofwel een beperkt inkomen heeft, wordt automatisch 30% van het gemeenschappelijk inkomen met een maximum van €10 230 (inkomsten 2015) fictief overgeheveld naar de andere partner. Dit is het principe van het huwelijksquotiënt. Dit is ook van toepassing als beide partners beroepsinkomsten hebben maar waarbij het inkomen van de partner met het laagste beroepsinkomen kleiner is dan 30% van het gezamenlijk beroepsinkomen.

Hierdoor moet men minder belastingen betalen aangezien dit fictieve inkomen vaak in de laagste belastingsschijven valt en het inkomen van de partner met het hoogste inkomen fictief vermindert en dus gedeeltelijk weggenomen wordt uit de hoogste schijven.

Afhankelijk van het huwelijkscontract worden ook roerende inkomsten en onroerende inkomsten verdeeld onder de partners (gemeenschappelijke aanwinsten).

Jaarinkomen[bewerken]

In België is het fiscaal jaar gelijk aan het kalenderjaar. Alle inkomsten die in het kalenderjaar worden verdiend, zijn aan de belasting onderworpen. Deze inkomsten dienen verminderd te worden met de kosten die in datzelfde jaar werden gedaan of gedragen. Het inkomen van een bepaald belastbaar tijdperk wordt aangeslagen in het jaar dat erop volgt. Het inkomstenjaar 2013 is dus gelijk aan het aanslagjaar 2014. Het aanslagjaar bepaalt de toepasselijke wetgeving.

Indexatie[bewerken]

Al de bedragen in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen die in de titel Personenbelasting staan, worden jaarlijks geïndexeerd. Dit geldt zowel voor de belastingschijven, voor de forfaitaire beroepskosten als voor de uitgaven die recht geven op een belastingvermindering.

Belastbare inkomsten[bewerken]

Het "Wetboek van de Inkomstenbelastingen" omschrijft vier categorieën van inkomsten: inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerende goederen, beroepsinkomsten en diverse inkomsten. Hetgeen belast wordt zijn niet de bruto inkomsten maar wel de netto inkomsten. Dit zijn de bruto inkomsten verminderd met hetzij werkelijke, hetzij forfaitaire kosten. Sommige inkomsten zijn volledig vrij van belastingen. Vergeten we niet dat de oorsprong van het inkomen niet relevant is. De rijksinwoners worden immers belast op hun wereldwijd inkomen.

Rijksinwoners[bewerken]

Volgens het Wetboek van Inkomstenbelastingen zijn aan de personenbelasting onderworpen de rijksinwoners, de natuurlijke personen die in België hun woonplaats of de zetel van hun fortuin hebben.

Als woonplaats moet men rekening houden met de werkelijke woonplaats. Het feit dat men in het Rijksregister van de natuurlijke personen is ingeschreven, levert een vermoeden op dat men een rijksinwoner is. Dit vermoeden kan worden weerlegd zowel door de fiscale administratie als door de belastingsplichtige.

De nationaliteit van de personen die aan de Belgische personenbelasting onderworpen zijn, speelt dus geen rol. Bepaalde belastingsvoordelen zijn wel afhankelijk van het gewest waar een persoon woont.

Belastingsschalen[bewerken]

De tarieven van de personenbelasting klimmen op van 25 % tot 50 % (zogeheten "progressieve" tarieven). De opgegeven tarieven zijn geldig voor de inkomsten van 2013, aanslagjaar 2014. De belastingsschalen zijn zo opgesteld dat ze een sociale herverdeling doen van de inkomsten: rijken betalen evenredig meer belasting dan armen.

Belastingsschalen (inkomsten 2013)
Van Tot Tarief Cumulatieve belasting
€0 €8 590 25 % €2 147,50
€8 590 €12 220 30 % €3 236,50
€12 220 €20 370 40 % €6 496,50
€20 370 €37 330 45 % €14 128,50
€37 330 oneindig 50 % pro rata

Verminderingen - Aftrekposten[bewerken]

Forfaitaire schalen voor beroepskosten
(inkomsten 2015)
Percent Inkomen lager dan
29,35% €5 760
10,50% €11 380
8,00% €19 390
3,00% boven €19 390
Forfaitaire beroepskosten
Jaar
(inkomsten)
Forfaitair
maximumbedrag
Inkomensgrens
2015 €4 090 €58 341,33
2014 €3 950 €64 587,50
2013 €3 900 €63 634,84
2012 €3 790
2011 €3 670 €60 059,84
2009-2010 €3 590 €58 685,50
2008 €3 380 €56 768,50
2007 €3 320
2006 €3 230 €55 526,84
2005 €3 110 €54 636,50
2004 €3 050 €53 609,84

Het beroepsinkomen wordt verminderd met:

  • de sociale bijdragen: RSZ ten bedrage van 13,07% van het brutoloon, maar ook ziekenfondsbijdragen of VAPZ voor zelfstandigen.
  • beroepskosten: ofwel de werkelijke beroepskosten die dan ook bewezen moeten worden, ofwel de forfaitaire beroepskosten volgens het beroepsinkomen. De percentages blijven over het algemeen dezelfde maar de schijven worden jaarlijks aangepast.

Het totaal inkomen wordt verder verminderd met:

De belastingen worden verminderd met een zeker percentage op volgende bedragen (bedrag voor inkomsten 2013):

  • de standaard belastingsvrije schijf: bedraagt voor het aanslagjaar 2014 €6 990;
  • aanvullende belastingsvrije schijven in verband met kinderen ten laste resp. €1 490, 3 820, 8 570 of 13 860 voor 1, 2, 3 of 4 kinderen;
  • uitgaven betaald voor de opvang van kinderen tot 12 jaar (beperkt tot €11,2 per dag en per kind).
  • aanvullende belastingsvrije schijven in verband met ouderen +65 ten laste (€2 970 per oudere);
  • 30% van de stortingen voor pensioensparen (max. €940);
  • gebruik van dienstencheques en PWA-cheques (max. €2 720). De belastingvermindering bedraagt 30%;
  • kapitaalaflossing van bepaalde hypothecaire leningen;
  • 30% van het gespaarde bedrag voor langetermijnsparen: maximumbedrag €2 260 voor de periode 2013-2017;
  • vervangingsinkomsten;
  • inkomsten behaald in landen waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten;
  • maximum 45% van betaalde giften van minimum €40;
  • sommen betaald om beschermde monumenten te restaureren;
Maximumbedrag om te laste te zijn
Jaar
(inkomsten)
Maximumbedrag
2015 €3 120
2014 €3 110
2013 €3 070
2012 €2 830
2011 €2 890
2009-2010 €2 830
2008 €2 700
2007 €2 660
2006 €2 610
2005 €2 540
2004 €2 490

Opgelet: om ten laste te kunnen zijn mogen kinderen of ouderen slechts een beperkt eigen inkomen hebben.

Bijkomende aftrek voor kinderen ten laste (inkomsten 2013)
Aantal kinderen ten laste Belastingsvrije som
1 €1 490
2 €3 820
3 €8 570
4 €13 860
elk volgend kind toevoegen €5 290

Diverse inkomsten[bewerken]

Niet verplicht aan te geven
  • Vrijstelling van roerende voorheffing op spaarboekjes tot €1 880 (per persoon)
  • Roerende voorheffing uit effecten (obligaties, aandelen, fondsen) is bevrijdend en moet dus niet worden aangegeven. In het geval dat de belastingsplichtige geen of slechts een gering inkomen heeft kan het nuttig zijn om de ontvangen intresten toch aan te geven; in dat geval wordt de roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk terugbetaald via de personenbelasting.
Op eigen initiatief aan te geven
  • Het gedeelte intresten uit spaarboekjes van meer dan €1 880 moeten wel worden aangegeven
  • Bepaalde (buitenlandse) gemeenschappelijke beleggingsfondsen houden geen roerende voorheffing af. In dat geval moet de belastingplichtige zelf de berekening en de aangifte doen van de roerende inkomsten.

Inning[bewerken]

Deze belasting wordt geïnd door de federale overheid, maar de gewesten en de gemeenschappen krijgen elk een afgesproken deel. Dat is de zogenaamde affectatie.

Boven op de personenbelasting komen nog gemeentelijke opcentiemen. Die zijn verschillend van gemeente tot gemeente maar de meeste liggen tussen 6 en 8%. Dat betekent dat aan de rijksbelasting nog een percent, bijvoorbeeld 6%, toegevoegd wordt voor de gemeente. Sommige gemeenten hebben wel een lager tarief, zoals Nieuwpoort (5%), Aartselaar (4%) en Zwijndrecht (1%). Knokke-Heist, Koksijde en De Panne hebben helemaal geen gemeentelijke opcentiemen.[1]

Jaarlijks dienen bijna zes miljoen Belgen een aangifte in de personenbelasting in bij de Federale Overheidsdienst Financiën. Dat kan ook digitaal gebeuren via Tax-on-web.[2] Gehuwden en wettelijk samenwonenden moeten samen één enkel formulier invullen. Er wordt in hun hoofde ook maar één (gemeenschappelijke) aanslag gevestigd.

Zie ook[bewerken]