Petrus Thaborita

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Petrus Jacobi Thaborita
Algemene informatie
Volledige naam Peter Jacobusz van Bolsward
Geboren 1450
Geboorteplaats Bolsward
Overleden 1527
Land Friesland
Beroep geschiedschrijver, monnik
Werk
Thema's Geschiedenis van Friesland
Bekende werken Archief voor vaderlandse en inzonderheid Vriesche geschiedenis, oudheid- en taalkunde
Portaal  Portaalicoon   Geschiedenis

Petrus Jacobi Thaborita (Nederlandse naam: Peter Jacobusz van Bolsward) (Bolsward, 1450 - 1527) was een Friese geschiedschrijver.

Zijn vader was Jakob Schuitmaker, zijn naam kan dus ook geschreven zijn als Petrus Schuitmaker. Petrus is op latere leeftijd in het klooster getreden, was weduwnaar en had 2 zonen. De achternaam had hij gekregen van het klooster Thabor bij Sneek, waarin hij lekebroeder was. Door hem is een chronologisch overzicht gemaakt van wetenswaardigheden uit de historie van Friesland, gedeeltelijk uit overlevering/oude documenten, en gedeeltelijk als ooggetuige. Voornamelijk beschreef hij de gebeurtenissen in de omgeving van Sneek, van Bolsward tot Franeker en Harlingen. De geschiedenis van Friesland begon in 781, omdat toen de kerstening bijna volledig was. Zijn laatste bijdragen waren uit de winter van 1520, waarbij er blijkbaar veel sneeuw gevallen was. Een andere broeder van Thabor, Worp van Thabor nam zijn werk over als geschiedschrijver.

Deze lekebroeder schreef niet altijd even consequent, eerder fonetisch, in de "oude Duitse letter op klein kwartoformaat". Let op het gebruik van de "lange s", de "ſ".

Petrus Thaborita begint met:
In't Jaer ons Heren ſeuen hondert ende lxxxi doe ontfanc Vrieslant eerst dat Karſten ghelove, al eer een deel ende nae een deel.

De Slag bij Warns:
In't iaer ons Heren M. CCC. xlv Grave Willem, die xix Grave van Hollant, als hij quam van Pruſen, ſoe vergaderde hy volc, ende toech in Westvrieslant, ende, daer die eerſte anlande quamen, beſochten ſie ſinte Olofs kerckhoff; dear nae quam die Grave an die eg van Sinte Oloff, ende wisted niet wat die anderen ghedaen hadden. Ende die Vrieſen quamen, ende ſloghen den Grave doet mit viii bearn roetzen, ende mit achttien ridderen, ende vyf hondert man, behalven die daar drencten.

De gedragingen van Albrecht van Saksen in de 17-jarige bezetting:
Item als die Frieſen dus iammerliken van Fraenker veriaecht ende geſlaghen waren, ſoe veruolchden des Hartoghen knechten die Vriesen, ende sloghense doet in die kercken, beyde in Oestergoe ende in Westergoe, ende namen die kelcken ende cyborien, mitte heilighe ſacramenten; ende die heilighe sacramenten worpen ſie mit onweerdicheit opder eerden, alſoe dat ſommighe heylige ſacramenten worden weder gheuonden, sommighe oec niet. Ende die heylige olye traden ſie mit voeten, ende smeerden hoer schoenen daer mede. Ende die gheſlaghen Frieſen foer Fraenker bleuen legghen onbegrauen acht daghen of meer; want niemant dorste ſyn doeden toe huys van anxte vanden knechten halen ende begraven.

Int iaer ons Heren xv hondert, doe lieten des Hartoghen onder heren twie Frieſen fanghen ende toe Fraenker brenghen, ende aldaer iammerlic ende onghehoerlic doden, als palen doert lyf iaghen ende druwen mit peerden, beneden int lyf ende bouen by den halſe weder wt, ende rechten ſie op byden weghe tusſchen Fraenker ende Harlinghen. Die ene man hiet Ewert Dragher van Sneeck ende Minna Bongher hiet die ander. Ende op een ander tyt doe paelden ſy noch twie of drie mannen.

Over de dood van Grote Pier:
In dat ſelue iaer van 20 ſoe is gheſtoruen groet Pyer, op ſinte Lucas nacht. Van deeſe Pier was grote ſpraeck in Hollant, in Brabant ende in ander landen, van ſin grote ſtercheit ende gruwelicheit, ende van ſin grote oghen; ende ſy maectent groter dant was; mer noch tans wasſet een groet, ſwaert, man mit grote oghen, grote ſchouwer ende een groten baert, ende gruweliken van aenſyen, ſonderlingh als hy toernich was; ende hy was grof ende plompt van ſpraeck ende weſen; want hy en conſte nyet bequam ſpreken voert recht ofte voer heeren; mer mit ſin groue Fryeſche ſlaghen quaem hy mede vort, ende dat ghyngh hem alſoe plomp of, dat alle menſchen, die daer by ſtonden, worden beweghen tot lachgen; ende hy was froem ende fel op die vianden, mer hy was redelyk van herten als een Kerſten man.

H.W.C.A. Visser en H. Amersfoordt hadden de beschikking over de handgeschreven documenten van Petrus, ter beschikking gesteld door mr. Anton Reinhard Falck. Er is veel moeite gedaan om onbekende woorden te verklaren, en soms is dit niet gelukt. Dit geheel werd gepubliceerd in het "Archief voor vaderlandse en inzonderheid Vriesche geschiedenis, oudheid- en taalkunde", dat in drie delen verscheen in de periode 1824 tot 1828. Het manuscript van Petrus bevindt zich in de collectie van Tresoar.[1]

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • H.W.C.A. Visser en H. Amersfoordt (red.), Archief voor vaderlandsche, en inzonderheid Vriesche geschiedenis, oudheid- en taalkunde, Leeuwarden 1824-1828 (drie delen).[2][3][4]