Pigouviaanse belasting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een Pigouviaanse belasting (of subsidie) is een manier voor de overheid om inefficiënties die worden veroorzaakt door negatieve externe effecten te corrigeren.[1] De belasting is vernoemd naar de Britse econoom Arthur Pigou die het concept in 1920 publiceerde in zijn boek The Economics of Welfare. Pigou stelt dat marginale private kosten en marginale maatschappelijke (of sociale) kosten door externaliteiten uiteen kunnen lopen waardoor het gevaar van marktfalen bestaat. De Pigouviaanse belasting is een belasting die wordt geheven om ervoor te zorgen dat deze negatieve externe effecten als het ware worden geïnternaliseerd. De analyses van Pigou werden later door andere economen bekritiseerd. De voornaamste kritiek kwam van Nobelprijswinnaar Ronald Coase die in 1960 stelde dat de benadering van Pigou miskende dat externaliteiten wederkerig van aard zijn, waardoor het probleem van externaliteiten te eenzijdig werd belicht.

Externaliteiten[bewerken]

Bij het produceren van goederen en het verlenen van diensten kunnen zowel private als maatschappelijke kosten ontstaan. Private kosten zijn de kosten die een producent of dienstverlener draagt, terwijl maatschappelijke kosten de kosten zijn die op de maatschappij als geheel worden afgewenteld. Een klassiek, hypothetisch voorbeeld is dat van een fabriek die vervuild afvalwater dumpt in een rivier, waardoor de boer die voor zijn gewassen afhankelijk is van het rivierwater schade lijdt. Evenzo kan het handelen van een economisch agent baten met zich meebrengen die niet alleen voordelig zijn voor de agent, maar ook voor de maatschappij als geheel. Wanneer een huiseigenaar bijvoorbeeld zijn vervallen huis opknapt, stijgt niet alleen de waarde van zijn huis, maar ook die van de huizen van zijn buren. Deze maatschappelijke kosten en baten worden in de economie externaliteiten of externe effecten genoemd. Door de aanwezigheid van externe kosten en baten, bestaat het gevaar dat marktspelers die in hun eigen belang handelen een maatschappelijk ongewenst optimum bereiken; er is dan sprake van marktfalen. Dit is een fundamenteel verschil met het gedachtegoed van klassieke economen die onder aanvoering van Adam Smith beargumenteren dat vrije markten zichzelf reguleren en dat handelen uit eigen belang leidt tot optimale uitkomsten.

Werking van een Pigouviaanse belasting[bewerken]

De werking van een Pigouviaanse belasting.

Pigou vond het de taak van de overheid om de marginale private en maatschappelijke kosten en baten gelijk te maken om zo de algehele welvaart te bevorderen. De overheid kon dit volgens hem bereiken via belastingen, subsidies en regulatie. Door het heffen van een Pigouviaanse belasting, kan de overheid ervoor zorgen dat in plaats van het private optimum, het sociale optimum wordt bereikt. Hierna volgt met behulp van het diagram met een partieel evenwicht een uitleg aan de hand van een voorbeeld. (Sociaal en maatschappelijk worden door elkaar heen gebruikt.)

Stel dat er een fabriek is die autobanden produceert. De kostencurve van deze fabrikant is gelijk aan de blauwe lijn in het diagram. Zonder belastingen ligt het private optimum (het punt waar de winst maximaal is) daar waar de marginale private kostencurve gelijk is aan de marginale opbrengst (in dit geval de door de fabrikant ontvangen verkoopprijs per band). In het voorbeeld zijn de maatschappelijke kosten echter hoger dan de kosten voor de fabrikant. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat de fabriek bij het produceren van de autobanden, schadelijke stoffen uitstoot die zorgen voor een hoog ziekteverzuim onder de lokale bevolking. Als deze negatieve externe effecten worden meegenomen in de kostencurve van de fabrikant, ontstaat de marginale maatschappelijke kostencurve (de zwarte stijgende lijn in het diagram). Het punt waar de marginale sociale kosten gelijk zijn aan de marginale baten, is het sociaal optimum. In het voorbeeld ligt de output bij dit sociaal optimum lager dan bij het private optimum. De Pigouviaanse belasting is de belasting die ertoe leidt dat het sociale optimum wordt bereikt. Door een belasting per product te heffen die gelijk is aan het verschil tussen de marginale maatschappelijke en private kosten bij het sociaal optimum, worden de negatieve externe kosten als het ware geïnternaliseerd bij de fabrikant. Voor winstmaximalisatie is nu immers vereist dat hij een hoeveelheid produceert die hoort bij het punt waar de rode doorlopende lijn gelijk is aan de marginale opbrengst: het sociaal optimum.

Kritiek[bewerken]

De meeste kritiek op de Pigouviaanse belasting richt zich op het bepalen van de belasting en de implementatie ervan. Pigou en Friedrich Hayek merken op dat de aanname dat de overheid de marginale sociale kosten van een negatieve externaliteit kan bepalen en daar een monetaire waarde aan kan hangen een zwakte is van de Pigouviaanse belasting. William Baumol suggereert dat het meten van maatschappelijke kosten vrijwel onmogelijk is. Ronald Coase beargumenteert dat alle sociale kosten wederkerig zijn van aard waardoor als een bepaalde belasting eenmaal is vastgesteld, deze niet gewijzigd dient te worden. Anderen geven aan dat politieke factoren de implementatie van Pigouviaanse belastingen kunnen bemoeilijken.

Meetbaarheidsprobleem[bewerken]

Arthur Pigou zei: "Het moet echter worden toegeven dat we zelden genoeg weten om te beslissen op welke terreinen en in welke mate de Staat, omwille van [het uiteenlopen van private en maatschappelijke kosten], zich kan bemoeien met individuele keuzes."[2] Met andere woorden, het theoretisch model van de econoom is gebaseerd op kennis die we niet bezitten; het is een model dat uitgaat van gegevens die in feite niet gegeven zijn.

William Baumol en Polodoo (2008) hebben beargumenteerd dat het bijzonder lastig is om de maatschappelijke kosten van een externaliteit te meten, vooral daar vele kosten van psychologische en individuele aard zijn.[3] Zelfs wanneer er een meeteenheid voor het psychologisch effect bestond, zou het onmogelijk zijn al die gegevens te verzamelen voor ieder betrokken individu om zo een optimaal productieniveau te vinden. Aangezien het niet mogelijk is het optimale niveau te vinden, is het ook niet mogelijk de optimale Pigouviaanse belasting te vinden om dat niveau te bereiken. Het is volgens Baumol uiteindelijk het beste om een minimumstandaard voor aanvaardbaarheid van negatieve externaliteiten in te stellen, en een belastingsysteem te ontwikkelen om die minimumstandaarden te bereiken. Baumol wijst erop dat de overheidscommissies een traditie hebben overeenstemming te vinden over minimumstandaarden, en dat de praktische uitvoerbaarheid van deze oplossing redelijk is.

Peter Boettke brengt naar voren dat "Het Pigouviaanse medicijn bestond uit het bijeenbrengen van marginale private kosten (subjectief begrepen) en marginale maatschappelijke kosten (objectief begrepen). Het probleem dat James M. Buchanan aankaartte, was dat de analist de voorwaarden, waaronder objectief meetbare kosten zouden kunnen worden vastgesteld door economische en beleidsacteurs, moest specificeren. In een algemeen competitief evenwicht zijn er ook geen afwijkingen tussen marginale private kosten en marginale maatschappelijke kosten. Met andere woorden, Buchanan wees er (net als Ronald Coase) op dat Pigouviaanse belastingen ofwel mogelijk maar overbodig zijn, ofwel onmogelijk zijn vast te stellen omdat de ter vaststelling vooronderstelde voorwaarden hetzij de noodzaak van de belasting elimineren dan wel (indien afwezig) de uitvoering daarvan uitsluiten." Anders gezegd, "Karen Vaughn heeft het dilemma dat zich in deze situatie voordoet blootgelegd. Om de juiste correctieve belasting te berekenen, moet de beleidsmaker de evenwichtsprijs kennen; dit terwijl de te corrigeren situatie een onevenwicht impliceert."[4][5]

Wederkerigheidsprobleem[bewerken]

Ronald Coase beredeneert dat de belasting die op een negatieve externaliteit creërende industrie drukt, niet zou moeten worden aangepast nadat deze is geïmplementeerd.[6] De kern van dit argument is dat alle maatschappelijke kosten wederkerig van aard zijn. Coase beargumenteert dat een fabriek die bepaalde gassen uitstoot niet geheel verantwoordelijk is voor de maatschappelijke schade die door die gassen ontstaat. Als de fabriek er niet was geweest, zou niemand last hebben van vervuilde lucht, en als er geen mensen in de buurt zouden wonen, zou ook niemand last hebben van vervuilde lucht. Vanwege deze wederkerigheid van schade, stelt Coase dat geen van de partijen de volledige verantwoordelijkheid draagt van de schade, en dat geen der partijen dus de volledige kosten zou moeten betalen.

De maatschappelijke schade wordt erger, zo vervolgt Coase, wanneer slechts een dader voor de maatschappelijke schade betaalt. Als de uitstotende fabriek voor die uitstoot een hoge prijs betaalt, zal het de productiehoeveelheid verlagen of de benodigde technologie aanschaffen om de uitstoot te verminderen. Met de komst van schone lucht, trekken er mogelijk inwoners naar het gebied. Dit verhoogt onmiddellijk de marginale maatschappelijke kosten van uitstoot, wat weer een belastingverhoging tot gevolg heeft. In wezen betekent dit dat iedere keer dat de belasting wordt verhoogd, er meer mensen naar het gebied trekken en de marginale kosten van de status quo verder stijgen. De fabriek wordt in feite gestraft voor het dusdanig verbeteren van de omgeving dat er mensen in de buurt willen wonen.

Een complexiteit van deze situatie zijn de meerdere lokale maxima, of de inwisselbare best-mogelijke scenarios. Het hangt allemaal af van de getallen. Wanneer de kosten van het verminderen van alle uitstoot hoger zijn dan de kosten van het verhuizen van de buren, zouden alle buren moeten verhuizen en zou de fabriek moeten doorgaan met het uitstoten van gassen. Als het verminderen van de uitstoot daarentegen goedkoper is, dient de fabriek de belasting te betalen of de technologie in huis te halen om te zorgen voor een schone lucht voor de omwonenden. Als de optimale oplossing eenmaal is geïmplementeerd, moet de belasting volgens Coase niet worden aangepast, ongeacht veranderde omstandigheden. Wat betreft het voorbeeld: wanneer er een belasting wordt ingesteld voor de fabriek en er komen nieuwe buren bij, dient de belasting voor de fabriek niet te worden verhoogd.

Politiek probleem[bewerken]

Politieke factoren zoals het lobbyen bij de overheid door vervuilers kunnen ook zorgen voor een verlaging van de belastingdruk, waardoor het verzachtende effect van de belasting afzwakt. Tegelijkertijd kan het gelobby van belangengroepen die het negatieve nut van de externaliteit hoger inschatten dan anderen ook leiden tot een verhoging van de belastingdruk, wat weer zorgt voor een sub-optimaal productniveau.

Politieke factoren kunnen resulteren in complementaire problemen wanneer tegenstanders van vervuiling met irrationeel hoge schadeniveaus komen aanzetten of vanuit een verborgen agenda opereren om de vervuilende speler uit de weg te ruimen ongeacht de mogelijkheden voor regulatie van de vervuiling. Beleidsmakers worden dan gestimuleerd absurd hoge belastingniveaus te implementeren; soms zelfs zo hoog dat er effectief gesproken kan worden van een verbod.

Evenzo bestaat de mogelijkheid dat lobbyisten, wiens agenda op zich volledig overeenkomt met de bestrijding van vervuiling, zorgen voor belastingverhogingen of -verlagingen, en op die manier de optimale werking van de belasting frustreren. Zulke gevallen doen zich bijvoorbeeld voor wanneer organisaties ten doel hebben de marktwaarde van de vervuiler te verlagen om deze vervolgens op te kopen. Anderzijds zijn er wellicht pogingen de marktwaarde van de vervuiler te verhogen voorafgaand aan diens verkoop. Voorbeelden van groepen die interveniëren om andere redenen dan uitstootreductie zijn tegenstanders van de arbeidsomstandigheden bij de vervuiler en groepen met religieuze bezwaren tegen alles wat te maken heeft met kernenergie.

Zie ook[bewerken]