Pilea peperomioides

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Pilea peperomioides
Pannenkoekenplant
Pannenkoekenplant
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Embryophyta (Landplanten)
Klasse:Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade:Fabiden
Orde:Rosales
Familie:Urticaceae (Brandnetelfamilie)
Geslacht:Pilea
soort
Pilea peperomioides
Diels (1912)
Afbeeldingen Pilea peperomioides op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Pilea peperomioides op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Pilea peperomioides (pannenkoekenplant) is een plant uit het plantengeslacht Pilea. Dit geslacht behoort tot de brandnetelfamilie (Urticaceae). Pilea peperomioides komt van nature alleen maar in China voor, in het bergachtige gebied van de provincie Yunnan. Van hier bracht in het begin van de 20e eeuw de Schotse botanicus George Forrest (1873-1932) de plant mee naar Europa. De Duitse botanicus Friedrich Ludwig Emil Diels (1874-1945) gaf haar in 1912 de naam peperomioides (op Peperomia gelijkend).

Pilea peperomioides heeft opvallend grote ronde bladeren en vlezige stengels. De bladeren hebben een doorsnede van ongeveer 10 cm en staan iets uit het midden op de bladsteel. Het glanzend succulente blad is vlezig en leerachtig en heeft een donkergroene kleur. De plant bereikt een hoogte van 30–40 cm (maximaal 60 cm) en bloeit met onopvallend kleine witte bloemen.

In Europa is Pilea peperomioides een kamerplant. De Nederlandse naam pannenkoekenplant verwijst naar de ronde vorm van het blad die aan een pannenkoek doet denken. In Engeland heeft de plant de naam Chinese money plant.

Trivia[bewerken]

In 1944 nam de Noorse missionaris Agnar Espegren, die toen China moest verlaten, een pannenkoekenplant mee naar Noorwegen. Sindsdien heeft zich de kamerplant via het doorgeven van stekken eerst in de Scandinavische landen en later over heel Europa verspreid.

Literatuur[bewerken]

  • A. Radcliffe-Smith, Pilea peperomioides, Kew Magazine, Deel 1, 1984, pp. 14–19