Planisfeer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Planisfeer van kunststof. Aan de randen zijn de datum- en tijdschalen zichtbaar.

Een planisfeer of draaibare sterrenkaart is een instrument bedoeld om de sterren en sterrenbeelden mee te leren herkennen. Het bestaat uit twee onderdelen, de sterrenkaart en daarbovenop een tweede schijf met een uitsparing waarin de sterrenhemel van een bepaald moment zichtbaar is. De sterrenkaart bevat alle sterren, sterrenbeelden en deep-sky objecten die vanuit een bepaald gebied op Aarde zichtbaar zijn. Dat gebied is een band rond de aarde, rond een bepaalde ontwerpbreedte. Aangezien veel sterren opkomen en later ondergaan, en de sterrenhemel van seizoen tot seizoen ook "verandert" (dat wil zeggen de zichtbaarheid en de posities van de sterren ten opzichte van de horizon), is een tweede schijf gemonteerd op de sterrenkaart, de bovenschijf, die dát gedeelte van de sterrenhemel toont dat op een bepaald moment zichtbaar is op de betreffende geografische breedte. Dat moment is in te stellen, op datum en tijd, door de schijven ten opzichte van elkaar te draaien. De voorloper van een planisfeer is het astrolabium, dat al bij de oude Grieken bekend was.

Geschiedenis[bewerken]

Het woord planisfeer (of planisferium) betekent letterlijk "hemelplein": de voorstelling van de sterrenhemel in een plat vlak. De eerste sterrenkaart die de naam planisfeer kreeg, was die uit 1624, van Jakob Bartsch. Bartsch was de schoonzoon van Johannes Kepler, de man van de beroemde wetten die de banen van de planeten beschrijven.

De sterrenkaart[bewerken]

Planisferen zijn, net als alle kaarten, gemaakt volgens een bepaalde projectiemethode. Voor planisferen worden twee methoden gebruikt, waarbij de keuze van de ontwerper voor de vorm en grootte van sterrenbeelden op de kaart bepalend zijn. Een veel gebruikte methode is de polaire azimutale equidistante projectie. Bij deze projectie wordt de hemel vanuit een van de hemelpolen in kaart gebracht (polair), waarbij punten op gelijke afstand van die hemelpool cirkels vormen (equidistant). De cirkels met een declinatie van 60°, 30°, 0° (de hemelevenaar), -30° en -60° worden vaak weergegeven, op gelijke afstanden van elkaar. De verhoudingen in een rechte lijn naar buiten toe zijn dan ook goed, maar haaks daarop (in de richting van de declinatiecirkels) treedt vertekening op. Die vertekening wordt erger naarmate men verder van het middelpunt komt. Het is het enige nadeel van deze projectie.

De stereografische projectie lost dit probleem op. Bij die projectie wordt de afstand tussen de declinatiecirkels steeds groter gemaakt. Hierdoor blijft de vorm gehandhaafd, maar wordt een sterrenbeeld veel te groot. Orion zou ongeveer twee maal zo hoog worden in vergelijking tot sterrenbeelden die dichter bij de hemelpolen liggen. Hetzelfde effect als waardoor Groenland zo enorm groot lijkt op Mercatorkaarten. Als er zeer grote afbeeldingen aan de rand zijn, dan betekent dat ook minder ruimte voor de sterrenbeelden rond de hemelpolen. En juist hoog aan de hemel zijn de sterren het best te zien. Dat is dus juist een reden voor de planisfeerontwerper om te kiezen voor de polaire azimutale equidistante projectiemethode.

De bovenschijf[bewerken]

De bovenschijf bevat de "horizon", die het doorzichtige deel (dus het deel waarin de sterrenhemel van een bepaald moment te zien is) omlijnt. Die horizonlijn heeft bij de meeste planisferen de vorm van een uitgezakte ovaal. Dit wordt veroorzaakt door dezelfde vertekening als waardoor sterrenbeelden van vorm veranderen.

De horizon wordt voor een bepaalde breedte getekend en bepaalt dus in feite waar een bepaalde planisfeer te gebruiken is. Sommige zeer dure planisferen hebben meerdere bovenschijven, zodat deze gewisseld kunnen worden, of hebben een bovenschijf met meerdere horizon-lijnen, voor meerdere geografische breedten.

Als een planisfeer op een andere breedte gebruikt wordt dan waarvoor deze is ontworpen, dan zijn laag boven de horizon sterren te zien die niet op de kaart staan. De hele kaart zou eigenlijk als het ware iets moeten opschuiven. Dat is voor een betaalbare planisfeer moeilijk. Om de sterrenhemel in een ander gebied goed te kunnen bestuderen zal een planisfeer voor dat gebied gebruikt moeten worden.

Nu is het zo dat over het algemeen vlak boven de horizon niet zoveel te zien is, door heuvels, bossen, bebouwing, of gewoon doordat de atmosfeer waar doorheen gekeken moet worden te dik is en weinig sterlicht doorlaat. Zeker in de 5° vlak boven de horizon zijn nauwelijks sterren te zien. Vandaar dat een speling van 5° ten opzichte van de ontwerpbreedte geen probleem is. Met andere woorden: van +5° tot -5° van de ontwerpbreedte is de planisfeer nog steeds zeer nauwkeurig. In het voorbeeld (50° NB) is dat dus van 45° (Midden-Frankrijk) tot 55° NB (Noord-Denemarken).

Coördinaten[bewerken]

Nauwkeurige planisferen geven op de een of andere manier de hemelcoördinaten weer, dus rechte klimming en declinatie. Die coördinaten kunnen staan in sterrenkundige jaargidsen zoals de Sterrengids, Sterren en Planeten (uitgaven van Stichting De Koepel in Utrecht) of de Hemelkalender (uitgave Vereniging voor Sterrenkunde, België).

Sommige planisferen hebben een aparte wijzer met de declinatie, die rond hetzelfde middelpunt draait als de bovenschijf. Sommige planisferen hebben een declinatieverdeling op de bovenschijf gedrukt, langs de lijn die noord en zuid langs de horizon verbindt. De rechte klimming wordt aangegeven aan de buitenrand, waar ook de datumcirkel zich bevindt.

Gebruik[bewerken]

Om de planisfeer goed te kunnen gebruiken moet deze eerst goed ingesteld worden, dus op de datum en het tijdstip dat de sterrenhemel bestudeerd gaat worden. Als dat gedaan is, is te merken dat dezelfde sterrenhemel om veel dagen in het jaar zichtbaar is, maar steeds op andere tijdstippen. De illustratie maakt dat duidelijk.