Politieke geschiedenis van Turkije

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dit artikel geeft een overzicht van de politieke geschiedenis van Turkije.

Van 1923 tot 1945[bewerken]

Turkse vlag
Mustafa Kemal Atatürk

De grondlegger van het moderne Turkije is Mustafa Kemal, beter bekend als Mustafa Kemal Atatürk ("Atatürk, vader van de Turken"). Deze achternaam werd hem in 1934 officieel toegekend door het Turkse parlement.

Atatürk leidde na de Eerste Wereldoorlog het verzet tegen de geallieerde bezetting van Turkije en de grenzen die door de geallieerden waren vastgesteld.

Na het verdrijven van de Grieken uit West-Turkije werden op de Conferentie van Lausanne (1923) nieuwe grenzen vastgesteld: het huidige Turkije. In datzelfde jaar werd het land officieel een republiek, met Atatürk als eerste president.

Atatürk begon onmiddellijk met hervormingen. Zo voerde hij het Latijnse alfabet in en bracht hij een scheiding van kerk en staat: alle religieuze scholen en rechtbanken werden ontbonden. Ook het dragen van religieuze hoofddeksels (de fez) en sluiers buiten de moskee werd verboden. In 1924 was de islam volgens de grondwet nog de staatsreligie; in 1928 werd dit artikel geschrapt.

Atatürk overleed in 1938. Hij werd opgevolgd door zijn naaste medestander Ismet Inönü. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef Turkije lange tijd neutraal, hoewel er sterke sentimenten waren voor aansluiting bij Duitsland. Pas in februari 1945 verklaarde het land de oorlog aan Duitsland.

Van 1945 tot 1983[bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog kwam Amerikaanse hulp op gang, niet in de laatste plaats vanwege de Sovjet-dreiging. Van de autocratie die Turkije onder Atatürk was, ontwikkelde het land zich in democratische richting. Er kwamen nieuwe politieke partijen, maar activiteiten van socialisten en communisten werden onderdrukt. Arbeiders mochten zich organiseren in vakbonden, maar ze kregen pas in 1963 het recht om stakingen te organiseren.

Turkije werd lid van NAVO in 1952

De verkiezingen van 1950 veroorzaakten een aardverschuiving in het politieke landschap. De Democratische Partij, een afscheiding van de Republikeinse Volkspartij van Atatürk, won 54% van de stemmen en ruim 80% van de parlementszetels. De partij had aanvankelijk (economisch) de wind mee, maar aan het eind van de jaren vijftig was daar weinig meer van over. Economisch ging het slecht, tegenstanders van de partij werden onderdrukt, er heerste woningnood en werkloosheid. In 1963 werd Turkije geassocieerd lid van de Europese Economische Gemeenschap, de voorloper van de Europese Unie.

Militaire staatsgrepen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Staatsgrepen in Turkije voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Deze problemen leidden in 1960 tot een militaire staatsgreep en de installatie van een Comité van Nationale Eenheid. De Democratische Partij werd verboden en de leiders ervan werden berecht. De militairen besloten een nieuwe grondwet te schrijven en zich vervolgens uit de politiek terug te trekken.

Dat deden ze inderdaad: in oktober 1961 werden nieuwe verkiezingen gehouden. In de tien jaar daarna werden er coalitieregeringen gevormd van diverse samenstelling. De opeenvolgende regeringen hadden te maken met toenemende botsingen tussen extremisten van links en rechts: links wilde de banden met de westerse wereld verbreken; rechts wilde een terugkeer naar autocratie en een staatsbestel op basis van de islam. En dan waren er ook nog de opstanden van Koerden in Oost-Turkije.

In 1971 waren de spanningen zo hoog opgelopen dat het leger zich opnieuw in de politiek mengde. Premier Demirel werd tot aftreden gedwongen, in 11 van de 67 provincies werd de staat van beleg afgekondigd en het leger werd gezuiverd. Al deze maatregelen brachten allesbehalve rust in het land, en opnieuw waren er diverse soms kortstondige coalitieregeringen, die slecht het hoofd konden bieden aan de onlusten tussen links en rechts, vooral op de universiteiten.

In 1974 bekoelde de relatie met de Verenigde Staten door de Turkse inval van Noord-Cyprus ( enosis ).

De militairen zagen de voortdurende onrust met lede ogen aan: straatterreur, politiek geweld, een stijgende inflatie en werkloosheid. In september 1980 pleegden ze een staatsgreep. Het parlement werd ontbonden, de grondwet buiten werking gesteld, er kwam een verbod op politieke partijen en vakbonden en de staat van beleg werd afgekondigd.

Van 1983 tot en met heden[bewerken]

Standbeeld van Atatürk in Marmaris

In 1983 ontwikkelden zich weer politieke activiteiten. De oude partijleiders mochten zich niet met politiek bemoeien, maar nieuwe partijen werden wel toegestaan.

Eén nieuwe partij kon op brede steun rekenen: de Moederlandpartij van Turgut Özal, die zich in 1989 tot president liet kiezen. Zijn populariteit daalde echter snel, als gevolg van zijn eigengereide optreden.

Vanaf 1987 mochten de oude partijleiders weer politiek actief zijn en onmiddellijk bleek de populariteit van oud-premier Demirel. Zijn Partij van het Rechte Pad werd bij de verkiezingen in 1991 de grootste politieke partij. In 1993 werd Demirel president en kreeg Turkije voor het eerst een vrouwelijke premier: Tansu Çiller.

Sinds de parlementsverkiezingen van november 2002 heeft een nieuwe partij, de islamistische[1] Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP), een absolute meerderheid in het parlement. De AKP noemt zichzelf conservatief-democratisch en presenteert zich als een moderne, pro-EU partij. Onder de huidige leider premier Recep Tayyip Erdoğan is de AKP gematigd geworden. Bij de verkiezingen van 2007 heeft de AK-partij haar stemmen van 34% naar 47% verhoogd mede dankzij de sterke economische groei.

Zie ook[bewerken]