Pre-Indo-Europees substraat van het Germaans

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De hypothese dat het Germaans een voor-Indo-Europees substraat heeft, is een poging de opmerkelijke plaats te verklaren die de Germaanse talen binnen het verband van de Indo-Europese talen innemen.

De theorie is zeker niet algemeen aanvaard. In het kort komt deze erop neer dat het Germaans ontstaan zou zijn in een proces van creolisatie tussen sprekers van een Indo-Europees dialect en sprekers van een oudere voor-Indo-Europese taal. Germaans zou zo een contacttaal zijn met een substraat van voor-Indo-Europese herkomst. De culturele en etnische identiteit van de sprekers van de veronderstelde voor-IE-substraattaal blijft onderwerp van academische discussie en onderzoek. Voorname kandidaten voor de substraatcultuur zijn de Ertebøllecultuur, trechterbekercultuur en de bandkeramische cultuur.

Voor-Indo-Europese invloed[bewerken]

De Germanist John A. Hawkins[1] voerde argumenten aan voor het bestaan van een voor-IE-substraattaal in het Germaans. Hij stelde dat de proto-Germanen een voor-Indo-Europees volk ontmoetten en veel zaken uit hun taal overnamen. Hij verklaarde de eerste Germaanse klankverschuiving uit de poging van de voor-IE-bevolking een taal te spreken die voor haar lastig te leren was omdat er voor haar vreemde klanken in voorkwamen.

De aanhangers van deze theorie noemen de veronderstelde voor-IE-taal soms Volkisch of Oud-Europees, maar een algemeen aanvaarde term is er niet. Van het woord volk wordt door hen aangenomen dat het van voor-IE-herkomst is.

Woorden die niet uit het PIE zouden stammen[bewerken]

Hawkins stelde dat meer dan een derde van de Germaanse woordenschat niet op het Proto-Indo-Europees (PIE) terug te voeren is en wees op de veronderstelde substraattaal als de bron van herkomst. Hier gaat het vooral om woorden uit bereiken van het leven die voor de Indo-Europeanen nieuw waren, bijvoorbeeld alles wat met zeevaart te maken had, maar ook de namen van dieren en vissen, wapens en termen uit de landbouw.

Een aantal Nederlandse woorden die volgens Hawkins van voor-Indo-Europese oorsprong zijn:

Zeevaart zee, schip, strand, eb, stuur, zeil, noord, zuid, oost, west
Oorlogsvoering zwaard, schild, helm, boog
Dieren/vissen karper, aal, kalf, lam, beer
Gemeenschap koning, knecht, ding
Diversen drink, loop, been, wijf

Controverse[bewerken]

Sommige van de niet-IE-etymologieën van Hawkins zijn omstreden. Tegenstanders van de theorie zijn naarstig gaan zoeken naar afleidingen uit het PIE voor alle woorden op de lijst van Hawkins en dit proces is nog in volle gang. Een aantal van de bovenstaande voorbeelden kunnen waarschijnlijk geschrapt worden. Zo is helm waarschijnlijk een afleiding van de stam van *helan ‘verbergen’, uit de wortel IE *ḱel- ‘verbergen, verhullen’.[2] Oost behoort bij IE *h₂eus- ‘dagen, dageraad’.[3] Sommige woorden komen wellicht wel uit het PIE, maar zijn in de andere takken van deze taalgroep gewoon verloren gegaan. Het woord wijf is bijvoorbeeld mogelijk verwant aan Tochaars A kip, B kwípevulva’,[4] die terug op een gereconstrueerde grondvoorm *gʷʰíbʰ- gaat.[5]

In een bijlage over Indo-Europese wortels bij de American Heritage Dictionary van 1969 somde Calvert Watkins nog een aanzienlijk aantal wortels op die in die tijd als uniek beschouwd werden voor het Germaans, maar in recentere uitgaven is dat aantal aanzienlijk teruggebracht.

In recentere behandelingen van het Proto-Germaans wordt de theorie ofwel buiten beschouwing gelaten ofwel regelrecht van de hand gewezen.

De theorie heeft nog steeds een zekere aanhang, bijvoorbeeld onder de taalkundigen van de Universiteit Leiden, zij het dat zij het percentage substraatwoorden wel aanzienlijk lager schatten (circa 10%). Het eerste etymologische woordenboek dat de theorie stelselmatig in zijn beschrijving heeft opgenomen is het Etymologisch woordenboek van het Nederlands.

Zie ook[bewerken]