Presocratische filosofie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Presocratici)
Ga naar: navigatie, zoeken
Filosofie
Banner-philosophy.png
Geschiedenis van de filosofie
Westerse filosofie Presocratische filosofie
Antieke filosofie
Middeleeuwse filosofie
Renaissancefilosofie
Moderne filosofie
Hedendaagse filosofie
Oosterse filosofie Arabische filosofie
Chinese filosofie

Indische filosofie

Japanse filosofie
Zoroastrisme

Religieuze filosofie Christelijke filosofie
Joodse filosofie
Islamitische filosofie
Categorie filosofie Boeken
Filosofen
Stromingen
Portaal  Portaalicoon  Filosofie
Griekse oudheid
Parthenon from west.jpg
Oud-Griekse cultuur
Portaal  Portaalicoon Oudheid Griekenland

Presocratische filosofie is de benaming voor de beginfase van de westerse filosofie tussen circa 600–400 v.Chr., toen Socrates en zijn volgelingen de filosofie nog niet beïnvloedden. Presocratische denkers waren afkomstig uit de Griekse kolonies, vooral in Ionië en Magna Graecia. Ze waren voornamelijk natuurfilosofen die schreven over kosmogonie, kosmologie en de werking van de natuur. In hun poging om het natuurgebeuren te verklaren, namen zij afstand van traditionele, religieuze denkbeelden. Ze speculeerden over grondsubstanties waaruit alles voortkomt en over principes die dat proces aansturen. In mindere mate richtten zij zich ook op de wiskunde, astronomie, epistemologie, logica en ethiek.

De presocraten kenden het aristotelische onderscheid tussen mythologische dichters en filosofische prozaschrijvers niet. Ze drukten zich nog mythisch uit en schreven soms in verzen. Wat hen echter onderscheidt van voorgangers is dat ze streefden naar discussie en theoretische verklaringen die reductionistisch, coherent en systematisch waren. Daarvoor ontwikkelden ze nieuwe, abstracte begrippen. Zodoende gelden ze als proto-wetenschappers.

De presocraten schreven niet veel, en in de verbreiding van hun ideeën waren ze naast het maken van afschriften aangewezen op reizen en voordrachten op straat. Niet één werk is intact overgeleverd. Er bestaan alleen fragmenten en testimonia in het werk van latere schrijvers. Sinds de negentiende eeuw onderzoeken historici, filosofen en filologen wat de presocratische denkbeelden inhielden en wat hun betekenis was in de klassieke oudheid.

Definitie[bewerken]

De Duitse onderzoeker Hermann Diels. Hij publiceerde enkele werken met studies van overgeleverde tekstfragmenten uit de klassieke oudheid, en die van belang waren voor verder onderzoek. Door zijn Die Fragmente der Vorsokratiker werd het begrip 'presocraat' gangbaar.

De begrippen presocraat (presocratici) en presocratische filosofie kwamen in de oudheid niet voor maar zijn modern. Deze aanduidingen zijn gangbaar geworden dankzij Hermann Diels, die fragmenten en testimonia van alle presocraten editeerde en uitgaf als Die Fragmente der Vorsokratiker in 1903. De term verwees naar de Griekse filosofen die niet waren beïnvloed door Socrates. Er is echter een tendens in Engelstalige vakliteratuur om van 'early Greek philosophers' ('vroege Griekse filosofen') te spreken, omdat presocraat misleidend is:[1]

  1. Pre-socraat suggereert dat het om personen gaat die voor Socrates leefden. Dat was niet altijd het geval. Sommige presocraten overleefden Socrates zelfs, zoals Democritus.[2]
  2. Het begrip is te eng. De categorisering van (presocratische) filosofen is voor discussie vatbaar. Criteria voor de categorie van presocratische filosofie zijn het gebruiken van rationele argumentatie, analogieën, vergelijkingen, observatie en experiment. Enerzijds maakten niet alle presocratische filosofen er gebruik van, zeker niet vóór Parmenides. Anderzijds maakten anderen, niet-filosofen, er juist wel gebruik van. Een volledig beeld van het vroege Griekse wijsgerige denken zou naast de gangbare presocraten ook kosmologen, onderwijzers in de retorica, theologen en dichters zoals Hesiodus, politici zoals Solon en in mindere mate geografen en artsen bevatten.
  3. Het begrip suggereert dat het om een duidelijk omschreven, uniforme groep gaat. Dat is niet het geval. Er waren onafhankelijke denkers en er bestonden scholen. Daarbij zijn de verschillen in opvattingen tussen presocraten en Socrates niet altijd even groot. Democritus' morele psychologie lijkt bijvoorbeeld op die van hem.[3]
  4. Het begrip als categorieaanduiding wekt de schijn dat Plato, de leerling van Socrates, niet reageerde en voort bouwde op het werk van presocraten. Dat is wel het geval, met name in zijn latere dialogen.[4]
  5. Filosofie houdt ook ethiek, logica en epistemologie in, maar bij de presocraten komen die takken weinig aan bod.

Latere klassieke auteurs hanteerden zelf categorieën zoals filosoof, historicus, politicus en arts. Ook maakten ze een globaal onderscheid tussen presocratische en postsocratische filosofie.[5] De eerste die dat deed, was Aristoteles (vierde eeuw v.Chr.), die stelde dat Socrates zich had afgewend van de natuur om zich te richten op de ethiek.[p 1] Soortgelijk is de stelling van Cicero, dat 'Socrates de wijsbegeerte van de hemel naar de aarde heeft gehaald'.[p 2][6] Die categorisering van en perceptie op de Griekse intellectuele geschiedenis werkt door in de moderne behandeling daarvan.

Wat presocraten onderscheidde van hun voorgangers zoals theologen is niet zozeer het soort vragen dat zij stelden (zoals etiologische), maar vooral de antwoorden die zij bedachten. Daarbij verwezen ze namelijk niet naar traditionele, mythische opvattingen en werden de goden niet langer beschouwd als de veroorzakers van het natuurgebeuren. Ze zochten naar een rationele, kenbare orde die vanuit de natuur zelf begrepen kon worden. Het menselijke intellect was de sleutel daartoe. De presocraten vormden hypothesen waarover ze discussieerden, en deden een beroep op het logisch overdenken en coherent maken van theorieën. Hun benaderingswijze was dus kritisch en niet dogmatisch.[7]

Bronnen[bewerken]

Soms is niet meer tekst van een auteur overgeleverd dan papyrussnippers. De afbeelding laat een stuk zien van de Dervenipapyrus met een fragment van Heraclitus (col. iv, 10-13).

Een paar presocraten stelden niets op schrift, zoals Pythagoras. Wat andere presocraten publiceerden, was kort van lengte en weinig in aantal. Alleen Democritus was een veelschrijver. De teksten waren in verzen of proza. Niet één werk is echter compleet overgeleverd. De filosofie van presocraten is slechts bekend dankzij fragmenten en testimonia bij latere auteurs, die variëren van Plato in de vierde eeuw v.Chr. tot Simplicius in de zesde eeuw n.Chr. Incidenteel gaat het ook om middeleeuwse auteurs en bronnen, zoals Johannes Tzetzes en de Suda. Simplicius vermeldde dat exemplaren van Parmenides' dichtwerk zeldzaam waren geworden in zijn tijd.[p 3] Teksten van Melissus, Zeno, Anaxagoras en Diogenes van Apollonia waren nog wel beschikbaar, maar de werken van Anaximander, Heraclitus en de atomisten waren al verloren gegaan. Van Empedocles' Zuiveringen is bekend dat in de twaalfde eeuw nog kopieën bestonden in Constantinopel.[8]

Fragmenten[bewerken]

Fragmenten (citaten) zijn soms enkele woorden, soms ook paragrafen. Betrekkelijk veel zijn bewaard door Plutarchus (Essays, tweede eeuw), Sextus Empiricus (tweede eeuw), Clemens van Alexandrië (Protrepticus en Mengelwerk, tweede eeuw), Hippolytus (Weerlegging van alle ketterijen, derde eeuw), Diogenes Laërtius (Leven en leer van beroemde filosofen, derde eeuw) en Johannes Stobaeus (Anthologie, vijfde eeuw). Daarnaast staan enkele citaten in het werk van de epicurist Philodemus, de stoïcijn Marcus Aurelius, Maximus van Tyrus, christelijke schrijvers als Origenes, Aëtius, Galenus de arts, Strabo de geograaf, Athenaeus, en neoplatonisten als Numenius, Plotinus, Porphyrius, Jamblichus, Proclus en met name Simplicius. Voor veel fragmenten is Simplicius de enige bron. Genoemde auteurs gebruikten niet altijd de oorspronkelijke tekst, maar bijvoorbeeld bloemlezingen, samenvattingen en doxografieën.[9]

Testimonia[bewerken]

Testimonia verschijnen eerst summier in het werk van Euripides en Aristophanes, maar vooral bij Plato, die vaak een eenzijdig of overdreven beeld schetste van presocratische denkbeelden. Hij vermeldde Parmenides, Cratylus, Hippias, Protagoras, Gorgias, Heraclitus, Zeno, Empedocles en Anaxagoras. Vooral belangrijk is Plato's leerling Aristoteles. Die behandelde de denkbeelden uitgebreider en gedetailleerder in al zijn grotere werken. Hij gaf bijvoorbeeld een overzicht van opvattingen aan het begin van de Metafysica. Zijn leerling Theophrastus was de eerste die een overzicht van opvattingen (doxografie) schreef als geschiedenis van de filosofie, waarvan fragmenten zijn overgeleverd. Testimonia worden ook door de auteurs gegeven die fragmenten bewaarden.[10]

Doxografische traditie[bewerken]

Theophrastus, leerling van Aristoteles, stond aan de basis van de latere doxografische traditie.

Theophrastus' verloren gegane overzichtswerk vormde de basis voor latere boeken waarin meningen (doxai of placita) werden samengevat. Hij wordt geciteerd door Simplicius en diende als voorbeeld voor het werk van Diogenes Laërtius, die naast citaten ook veel testimonia vermeldde en biografische informatie verschafte. Een ander voorbeeld is Aëtius met zijn Placita, waar fragmenten van bewaard zijn gebleven. Dit deels gereconstrueerde werk is de uitvoerigste maar niet altijd erg betrouwbare doxografische bron voor testimonia. Aëtius baseerde zich niet rechtstreeks op Theophrastus, maar op een tussenliggende bron, de stoïsche Vetusta placita. Die is gebruikt door Varro[p 4] en Cicero.[p 5] Tot slot zijn er doxografieën overgeleverd door kerkvaders en is er de pseudo-Plutarchische Stromateis, waarin details staan die elders niet voorkomen.[11] Doxografieën bevatten doorgaans echter alleen de stellingen van filosofen, en niet de achterliggende argumentatie.[12]

Plato en Aristoteles waren selectief in hun behandeling van presocratische denkbeelden en oordeelden er doorgaans negatief over. Ze streefden geen objectiviteit na. Dat gold ook voor Theophrastus, die zich in zijn opvattingen baseerde op zijn leermeester. Hij interpreteerde onderling verschillende benaderingswijzen van presocraten soms tevens op gelijke wijze.[13] Daarnaast is er soms sprake van stoïsche herinterpretatisch, bijvoorbeeld via de Vetusta placita.[14]

Ontwikkeling van het onderzoek[bewerken]

Modern onderzoek naar de presocraten en hun filosofie heeft twee doelstellingen: 1) het reconstrueren van de historische, sociale, taalkundige en intellectuele context in het werk van de filosofen, en 2) het reconstrueren van hun theorieën uit de diverse fragmenten en testimonia zodat ze filosofisch steekhoudend zijn. Eerstgenoemde is van oudsher het domein van de classicus, laatstgenoemde dat van de filosoof. Tegenwoordig zijn specialisten vaak in beide disciplines thuis.[15]

Premodern[bewerken]

Titelblad van een exemplaar van Diogenes Laërtius' Leven en leer van beroemde filosofen uit 1594. Dankzij dit werk is betrekkelijk veel informatie van en over Griekse filosofen bewaard gebleven.

De bestudering van het presocratische gedachtegoed begon in het klassieke Griekenland. De sofisten Hippias en Gorgias maakten een overzicht van presocratische opvattingen om die vervolgens te weerleggen. Plato en Aristotelens lijken hun presocratische informatie onder andere van hen te hebben overgenomen.[16] De stoïcijnen baseerden zich op de filosofie van Heraclitus, en de epicuristen hingen het atomisme aan dat was ontwikkeld door Leucippus en Democritus. Xenophanes' ideeën werden overgenomen door enkele sceptici. Naast aanhangers waren ook andere filosofen en leken geïnteresseerd in de presocratische filosofie, waarvoor onder meer doxografieën en filosofische biografieën werden geschreven.[17] Die hadden niet als doel objectief en representatief te zijn. Enkele ideeën van presocraten werden uitgelicht, geherinterpreteerd en gebruikt voor andere ideeën. De selecties en interpretaties van oude doctrines werden bovendien mettertijd aangepast naargelang de belangstellingen en voorkeuren in een bepaalde periode.[18]

In het middeleeuwse West-Europa waren veel Griekse teksten uit de oudheid niet beschikbaar. Pas in de vroegmoderne tijd werden veel teksten herontdekt, zorgvuldig uitgegeven en bestudeerd. Edities verschenen van Aristoteles' oeuvre (1495-1498), Plato's oeuvre (1513) en het boek van Diogenes Laërtius (1533). De presocraten bleven echter onderbelicht door de grote autoriteit die Plato en Aristoteles genoten.[19]

Negentiende eeuw[bewerken]

Kritische filosofiegeschiedenissen verschenen in de achttiende eeuw, maar pas in de negentiende eeuw nam de aandacht voor nauwkeurige studie van de filosofiegeschiedenis toe. In Duitsland besteedde Hegel er aandacht aan voor zijn eigen filosofie, en kwam de oudheidkunde als wetenschap op met als doel een beter begrip te krijgen van de klassieke oudheid. Nieuwe en verrijkte edities verschenen voor Aristoteles en Plato, en dientengevolge ook van presocraten. In Die Philosophie der Griechen (1844-1852) beschreef Eduard Zeller nauwkeurig de filosofiegeschiedenis met de opdeling van presocratisch, klassiek en hellenistisch die nog steeds gangbaar is, en onderscheidde hij de Ionische school, pythagoreïsche school, Eleatische school en een restcategorie.[20]

Belangrijk voor het onderzoek was de publicatie van Doxographi Graeci in 1879 door Hermann Diels, die de doxografie als waardevolle informatiebron zag. In het boek werd de gehele doxografische traditie geanalyseerd, gevolgd door de identificatie van de Vetus placita en Theophrastus als bronnen en een reconstructie van Aëtius' Placita. De eerste volledige editie van de presocratische fragmenten volgde in 1883 onder redactie van F.W.H. Mullach, Fragmenta philosophorum Graecorum. Daarin werden ook fragmenten van postsocraten en pseudepigrafen opgenomen, maar geen testimonia. Als reactie op de filosofische studies van Hegel en zijn navolgers verscheen in 1887 de Pour l'Histoire de la Science Hellène van P. Tannery met fragmenten en testimonia van de presocraten. Tannery verschoof de focus naar de wetenschapshistorische aspecten, maar verkondigde controversiële interpretaties en theorieën. In 1892 publiceerde John Burnet Early Greek Philosophy, een van de vroegste werken waarin de fragmenten waren vertaald in de volkstaal (hier het Engels), met begeleidend commentaar op de presocratische theorieën. Het handboek werd een standaardwerk tot halverwege de twintigste eeuw.[21]

Twintigste eeuw[bewerken]

In de twintigste eeuw ontstaan nieuwe benaderingswijzen, zowel geschiedkundig als filosofisch, en wordt het tekstmateriaal meer kritisch geanalyseerd.

Hermann Diels zorgde voor een tweede stap voorwaarts door in 1903 de driedelige Die Fragmente der Vorsokratiker uit te geven. Daarin verzamelde hij alle bekende testimonia (A-teksten) en fragmenten (B-teksten) van elke presocraat afzonderlijk met vertalingen in het Duits. Het materiaal was per filosoof geordend volgens biografie, geschrift en filosofie. Tevens voegde hij materiaal toe dat werd toegeschreven aan personen of legendarische figuren die doorgaans niet als filosofen gezien worden. Die Fragmente der Vorsokratiker was de eerste uitgave waarin al het presocratische materiaal was verzameld, en werd het standaardwerk binnen het onderzoek. Vier drukken volgden tijdens Hermanns leven en twee postuum tot 1952 onder redactie van Walther Kranz, die aanpassingen deed.

In de twintigste eeuw werden onderzoekers het erover eens dat Parmenides een breekpunt in de presocratische filosofie vormde, met kritieken waar latere filosofen rekening mee hielden.

De receptie van presocratische filosofie werd beïnvloed door Aristoteles en zijn volgelingen. Tot het begin van de twintigste eeuw hield men daar weinig rekening mee en accepteerde men oudere interpretaties. Dat veranderde dankzij W.A. Heidels Qualitative Change in Presocratic Philosophy in 1903, en H. Cherniss' boek Aristotle's Criticism of Presocratic Philosophy in 1935. Volgens Aristoteles waren de filosofen van de Milesische school bijvoorbeeld monisten: ze kenden één grondsubstantie voor de wereld, zoals aarde of water. Die stof kon volgens hen wel veranderen in een andere, zoals vuur of lucht, maar dit was geen wezenlijke transformatie. Alleen eigenschappen veranderden. Dat was volgens Heidel anachronistisch. De presocraten kenden niet het onderscheid tussen substantie en eigenschappen daarvan ('kwaliteiten' in Aristoteles' terminologie). Voortvloeiend uit deze kritische houding kwam C.H. Kahn in 1960 tot een nieuwe reconstructie van Anaximanders filosofie in Anaximander and the Origins of Greek Cosmology.[22]

Hellenistische bronnen behandelen Griekse filosofie vooral in termen van opeenvolging en scholen, waarvan de algemeen gangbare visies worden medegedeeld. Als gevolg hiervan beschouwden onderzoekers Parmenides niet als zelfstandig denker en breekpunt in de traditie. Dat veranderde in de twintigste eeuw. Omdat 'zijn' vooraf moest gaan aan 'worden', nam Hegel voor zijn schets van de historische ontwikkeling aan dat Parmenides (alles is) voorafging aan Heraclitus (alles wordt). De tegenovergestelde visie won later terrein. In de jaren dertig bleek dat Parmenides' kritiek op voorgaande kosmologieën de verdere presocratische discussies beïnvloedde.[23]

In de eerste helft van de twintigste eeuw werd gediscussieerd over de mate waarin presocraten wetenschappelijk dan wel religieus waren in hun denken. Er ontstond ook meer aandacht voor de pythagoreïsche school. Soms kreeg die een centrale rol toegedicht, en soms veronderstelde men dat er nooit een concrete school met een filosofisch programma heeft bestaan tussen 600 en 400 v.Chr. Walter Burkert toonde in Lore and Science in Ancient Pythagoreanism uit 1972 aan dat dat laatste waarschijnlijk het geval was, en dat Pythagoras ook meer een religieus leider dan een filosoof was. Daarnaast beschouwde hij Philolaus wel als historisch persoon die een pythagoreïsche bron vormde voor Plato en Aristoteles, wat daarvoor omstreden was.[24]

Er kwamen nieuwe filosofische benaderingswijzen. Het hegeliaanse idealisme werd in het Verenigd Koninkrijk verdrongen door de analytische filosofie, met weinig aandacht voor historische context, en op het continent door de fenomenologie. De fenomenoloog M. Heidegger vond dat de presocraten aan dezelfde metafysische problemen werkten als de moderne filosofie, en besteedde een reeks lezingen aan hen. Daarmee vergrootte hij de aandacht voor het onderzoek naar presocratisch denken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtten enkele leden van de analytische Wiener Kreis naar de Verenigde Staten. Hun filosofische benadering vond daar vervolgens ingang dankzij filosofen als Gregory Vlastos. Deze paste de methode toe op het onderzoek naar presocratische filosofie, en richtte een studieprogramma voor klassieke studies op dat in de VS navolging vond. De analytische methode was tevens geaccepteerd in het Engelse Cambridge, dat een centrum vormde voor presocratische studies. Van daaruit publiceerden onderzoekers G.S. Kirk en J.E. Raven in 1957 The Presocratic Philosophers, en W.K.C. Guthrie de zesdelige History of Greek Philosophy vanaf 1962, werken die anno 2017 nog steeds worden gebruikt. Sindsdien is de presocratische filosofie een gangbaar onderdeel geworden van de filosofie als vakgebied. Jonathan Barnes' The Presocratic Philosophers vormde in 1979 een soort benchmark.[25]

Straatsburger papyrus met fragmenten van Empedocles' werk ( I 262–300). De identificatie ervan gebeurde pas in de jaren negentig. P. Strasb. gr. Inv. 1665−1666.

Er worden nog steeds nieuwe teksten ontdekt, zoals de Straatsburger papyrus met nieuwe fragmenten van Empedocles en de orfische Dervenipapurys met presocratisch commentaar. Naast artikelen zijn er thans boeken over afzonderlijke presocraten, scholen en thema's zoals kosmologie beschikbaar. Sommige edities bevatten vooral fragmenten zonder veel commentaar, andere geven de fragmenten in de context waarin ze zijn overgeleverd, andere bevatten veel testimonia en filologisch commentaar. In het Nederlands zijn anno 2017 vertalingen beschikbaar van Democritus, Heraclitus, Parmenides, Zeno, Xenophanes en Empedocles, soms in meerdere edities.

Ontstaan en verbreiding[bewerken]

Ionië, een regio in westelijk Anatolië dat gekoloniseerd was door Grieken. Hier ontstond de vroegste filosofie.
Kaart van de Griekse wereld met de plaatsen waar presocraten actief waren in rood.

De presocraten waren niet afkomstig uit Griekenland zelf, maar uit de kolonies, met name de steden in Ionië (West-Turkije) en Magna Graecia (Zuid-Italië). Aan het begin van de zesde eeuw v.Chr. waren Thales, Anaximander en Anaximenes de eerste presocraten, afkomstig uit het Ionische Milete. Latere presocraten komen uit omringende plaatsen: Heraclitus uit Efeze, Xenophanes uit Colophon, Pythagoras uit Samos, Anaxagoras uit Clazomenae, en Melissus uit Samos. Leucippus en Democritus kwamen uit het verder gelegen Abdera, en Diogenes uit Apollonia aan de kust van de Zwarte Zee. Tegen het eind van de zesde eeuw v.Chr. verschenen Empedocles uit Acragas, Permanides en Zeno uit Elea, en Alcmaeon uit Croton, steden in Magna Graecia.

Ze leefden niet in isolatie, maar waren van elkaar op de hoogte. Tussen de kolonies bestond veel contact, zodat ideeën zich konden verbreiden. Bovendien is van diverse presocraten bekend dat zij reisden. Xenophanes en Empedocles vermeldden dat zelf, Parmenides, Zeno en Anaxagoras bezochten Athene volgens Plato, en Pythagoras migreerde van Samos naar Croton. In de bronnen is echter weinig bewijs voor daadwerkelijke ontmoetingen. Toch zijn die soms aannemelijk. Melissus van Samos was bijvoorbeeld erg goed op de hoogte van de filosofie van Parmenides, die zijn school had in Elea.[26]

De verbreiding van denkbeelden gebeurde deels schriftelijk, en deels mondeling door reiscontacten en voordrachten. In de Phaedo[p 6] staat dat Socrates op straat iemand hoorde voorlezen uit 'een boek' (enkelvoud, ek bibliou) van Anaxagoras. Hij raakte geïnteresseerd en schafte 'de boeken' (meervoud, biblious) aan. Op dat moment was Anaxagoras na een langdurig verblijf niet meer in Athene. Kennelijk had hij daar (minstens) een volgeling die kopieën van zijn boekrollen verkocht door een samenvatting voor te lezen als reclame. In de Apologie[p 7] merkt Socrates aan het eind van zijn leven op dat op de markt nog steeds boekrollen van Anaxagoras te koop zijn voor een drachme (destijds het dagloon van een ambachtsman). In de Parmenides[p 8] staat tot slot beschreven hoe Parmenides en zijn leerling Zeno in Athene aankomen tijdens de Panathenaeën, een festival met onder meer diverse competities en literaire voordrachten. Zeno draagt er zijn boek voor, waarna een discussie met Socrates volgt. Voordrachten vonden meer plaats, zoals bij Xenophanes.[p 9] Het doel daarvan was om de reputatie van een auteur te vergroten en om geld te verdienen door klanten te lokken voor bijvoorbeeld onderwijs, privévoordrachten en het vervaardigen van teksten.[27]

De welvarende, internationaal georiënteerde stad Milete. Hier waren de eerste filosofen, Thales, Anaximander en Anaximenes, actief. Hoewel soms naar hen verwezen wordt als 'Milesische school', vormden zij geen school in strikte zin. De stad was klein genoeg voor intellectuelen om elkaar te kennen zonder meester-leerlingverhouding.

Dat de filosofie ontstond in de kolonies is verklaarbaar. Milete was een welvarende handelsstad waar men een goede levensstandaard kende. Dat was het zichtbare resultaat van menselijk vernuft en handelen. Men hoefde kennelijk niet te vrezen voor de grillen van goden in een chaotische wereld, en zo ontstond een grotere waardering voor de rol van de mens in de wereld. Deze meer seculiere houding werd de grondslag voor filosofisch denken. Dit proces werd gestimuleerd doordat de Griekse stadstaten een hoge mate van vrijheid van denken kenden, en geen theocratie waren zoals in het Midden-Oosten. Bovendien bracht de welvaart met zich mee dat niet iedereen hoefde te werken, en dat sommigen dus gelegenheid hadden voor contemplatie die geen praktisch doel vereiste.[28] Aristoteles schreef bijvoorbeeld:

'Het was door het voorzien in de hoofdbenodigdheden van niet alleen het leven maar ook een goed leven, dat de zoektocht naar deze intellectuele voldoening begon.'[p 10]

Milete en andere Ionische steden stonden in betrekkelijk nauw contact met niet-Griekse culturen zoals Lydië, Perzië, Egypte en Fenicië. Naast import van goederen bestond ook import van ideeën. Zo was de Babylonische astronomie bekend in de kustgebieden van Anatolië en heeft die de Grieken tot onderzoek aangezet. Zo zou Thales een zonsverduistering in 585 v.Chr. hebben voorspeld.[29] Het is tevens mogelijk dat zijn theorie dat alles ontstond in en rustte op (oer)water terugging op oosterse tradities.[30] Zowel hij als andere presocraten zijn vermoedelijk beïnvloed door Midden-Oosterse kosmogonieën.[31]

Dat in de vijfde eeuw v.Chr. Athene en Magna Graecia belangrijker worden voor de ontwikkeling van de filosofie, kan worden verklaard door de verovering van Ionië door de Perzen en de mislukte opstand van onder andere Milete in 499, en door de groeiende dominantie van de stadstaat Athene. Van Xenophanes werd bijvoorbeeld beweerd dat hij Colophon verruilde voor Sicilië en Italië, waar hij mogelijk Parmenides beïnvloedde.[32]

Protowetenschappers[bewerken]

Presocraten onderscheidden zich onder andere door afstand te doen van traditionele verklaringen voor de wereld, maar religieuze en mythologische opvattingen werkten door in hun ideeën. Enkelen stonden ook bekend als magiërs, zoals Empedocles, die zich tevens mythologisch uitdrukte.

Presocraten noemden zichzelf geen filosofen, en in hun tijd werd ook geen goed onderscheid gemaakt tussen religie, filosofie en wetenschap. Hun attitude en benaderingswijze maakten van de presocraten geen wetenschappers in moderne zin, want ze verkozen niet-verifieerbare en speculatieve theorie boven observatie en experiment, maar ze gelden wel als protowetenschappers.

Religie[bewerken]

Een criterium om de presocraten als de eerste filosofen te beschouwen, is omdat zij afstand namen van religie, mythische voorstellingen en goden als verklaringen voor natuurverschijnselen. Personen zoals Hesiodus en Pherecydes van Syrus zijn dan wijze voorlopers van de filosofen. Afgezien van de atomisten waren veel presocraten theïstisch. Parmenides en Empedocles (maar ook Plato nog) wezen mythologie niet af, en theologie maakte deel uit van het denken van Xenophanes en Heraclitus. Onder meer Empedocles en Pythagoras hadden een hang naar mystiek,[33] en hun denken vertoont lichte beïnvloeding van het orfisme, een mysteriecultus.

Religie stond niet los van wetenschap, want presocraten beschouwden natuurkrachten en -elementen nog als goddelijk, zoals haat, liefde en de lucht. Dat had niettemin als doel de natuurlijke orde te verklaren als harmonisch geheel, terwijl de traditionele goden juist verstoringen daarvan verklaarden.[34] Een algemeen principe dat de natuur moest verklaren gold als ultieme verklaring en moest goddelijk zijn omdat het zelf geen oorzaak kende. Anaximander noemde zijn Oneindige bijvoorbeeld niet het eerste principe van de kosmos omdat het goddelijk zou zijn, maar noemde het Oneindige goddelijk omdat het het eerste principe is.[p 11] Presocraten filosofeerden dus over de natuur vanuit theïstisch perspectief, over de goden en over het goddelijke. Empedocles deed bijvoorbeeld beide om tot één theorie te komen. Die houding tegenover natuur en goden verklaart vroom taalgebruik bij presocraten, en ook de kritiek op traditionele opvattingen over de goden door bijvoorbeeld Xenophanes, omdat die oude voorstellingen onvoldoende passend waren.[35]

Categorisering[bewerken]

De belevingswereld van presocraten was niet hoofdzakelijk die van een filosoof of wetenschapper,[36] en het onderscheid tussen beide begrippen werd nog niet gemaakt.[37] Het is ook onduidelijk of ze onderscheid maakten tussen hun eigen activiteiten en die van hun voorgangers.[38] De begrippen filosofie (filosofia) en filosoof (filosofos) waren nog in ontwikkeling. Sofia had in Thales' tijd praktische connotaties: 'slimheid' en 'vakkundigheid'. Vanaf het eind van de vijfde eeuw v.Chr. werd het woord pas de aanduiding voor expertise in vroegwetenschappelijke kennis over hoe de wereld en de mens werkten.[39] De presocraten werden later door bijvoorbeeld Aristoteles beschouwd als fysici (fysikoi). Fysica was de studie van de natuurlijke dingen, en werd naast ethiek en logica een hoofdtak van filosofie. Omdat daar bij de presocraten de focus op lag, noemde Aristoteles hun werk fysiologia.[40]

Presocratische filosofie was niet uniform. In één adem wees Heraclitus de veelweterij af van de mythograaf Hesiodus, geograaf Hecataeus en filosofen Pythagoras en Xenophanes. Kennelijk golden zij toen alle vier als wijze mannen. Ze pretendeerden 'alles' te beschrijven: Hesiodus in mythische en genealogische termen, Hecataeus met een wereldkaart en beide filosofen met hun theorieën. Dat Heraclitus niet verwees naar de vroegste Milesische presocraten Thales, Anaximander en Anaximenes komt mogelijk omdat bij hen de focus lag op de fundamentele eenheid van de kosmos, een notie die Heraclitus ook verkondigde. Veelweterij verduisterde die eenheid. Wat de genoemde personen echter verbond, was de behoefte om alles te verklaren en te systematiseren.[41]

Vernieuwing[bewerken]

Wat presocraten (en sofisten) echter onderscheidde van onder anderen Hesiodus was dat ze een theorie over alles wilden maken die verklarend, systematisch, coherent, beargumenteerd, educatief, kritisch, onconventioneel en daarmee veranderend was en aanleiding gaf tot discussie.[42] Een voorbeeld van een presocratische redenering is onderstaand fragment van Melissus:

'Als het is, dan moet het een zijn; en als het een is, kan het geen lichaam hebben. Als het massa zou hebben, dan zou het delen hebben en niet langer een zijn.'[p 12]

Ze namen aan dat de wereld te begrijpen valt met het verstand, en daarom analyseerden ze problemen. Hun benadering was reductionistisch, generaliserend en holistisch, omdat ze zo veel mogelijk met zo min mogelijk wilden verklaren. Daarvoor definieerden ze bijvoorbeeld een oersubstantie (de archè) als basis voor de kosmos en zijn werking. Ze bekeken zaken zoals vuur van op een afstand, en stelden de vraag waarom vuur het huis verwarmde, zand in glas deed veranderen, ijzer deed smelten en baksteen juist hard maakte.[43]

Voor hun overdenkingen ontwikkelden ze nieuwe, abstracte concepten. Een eerste voorbeeld is archè, 'begin/oorsprong'. Dit betekende vervolgens 'beginsel', en kon gebruikt worden om er 'principes' in de natuur mee aan te duiden, 'heersende beginselen'. Een tweede voorbeeld is kosmos. Dit betekende oorspronkelijk 'orde' en 'sieraad', van het werkwoord voor 'ordenen/regelen/indelen/gereedmaken'. Kosmos was vooral mooie en goede ordening. In dagelijks taalgebruik was het niet nodig om naar het geheel der dingen te verwijzen, maar presocraten gingen dat wel doen. Kosmos kreeg daarom de betekenis van 'mooi en geordend geheel/universum'. Een derde voorbeeld is fysis. Aanvankelijk betekende dit 'natuurlijke groei', 'het verwekte', 'natuurlijke ontwikkeling'. Vandaar kreeg het de betekenis 'aard/aanleg/natuur' en vandaar 'begrip/betekenis', maar ook 'het geheel van de natuurlijke dingen', tegenover de door mensen gemaakte dingen. Presocraten onderzochten de natuur en de aard van de dingen.[44]

Werken[bewerken]

Pythagoras schrijvend in een boek. In werkelijkheid liet hij waarschijnlijk geen geschriften na, wat ook geldt voor andere filosofen uit de oudheid. Detail uit De school van Athene door Raphaël, Vaticaan, 1509.
Dichters zoals Homerus genoten veel aanzien en beïnvloedden (onrechtstreeks) de schrijfstijl van een aantal presocraten.

Pythagoras en Thales lieten waarschijnlijk geen geschriften na, maar anderen wel. Niet één geschrift is echter intact overgeleverd. Van sommige auteurs is niets bewaard gebleven, en van Anaximander bijvoorbeeld slechts één citaat. Daardoor bestaat discussie over de mate waarop het denken van presocraten kan worden gereconstrueerd. Toch is verhoudingsgewijs meer overgeleverd als men aanneemt dat hun geschriften niet lang maar juist bondig waren. Beknoptheid verklaart de vaak dogmatische indruk van de bewaarde fragmenten. De teksten bestonden dan vooral uit leerstellingen. Het is aannemelijk dat ze pregnant en niet wijdlopend waren, omdat ze bedoeld waren om voor te lezen. Ter plaatse konden leerstellingen dan verder besproken worden.[45] Het is door de focus op fysica-natuur, dat veel werken als titel Over de natuur (Peri fyseōs) kregen.

Diverse presocraten schreven in proza, een tekstvorm die zou zijn uitgevonden door Anaximander of Pherecydes van Syros. Proza kwam in de zesde eeuw v.Chr. op in Ionië en werd gebruikt voor praktische verhandelingen en onderzoeksverslagen. Toch hanteerde Heraclitus een spreukachtige, dichterlijke prozastijl, terwijl Xenophon, Parmenides en Empedocles schreven in verzen, met name dactylische hexameters. Soms gebruikten ze homerische formules.[p 13] Anaximander en Anaximenes schreven wel in proza, maar gebruikten toch poëtische bewoordingen en beeldspraak. Het gebruik van zulke beelden is ontleend aan Homerus en maakte de tekst levendig en concreet.[46] Bijvoorbeeld:

'Hij [Anaximander] zegt dat [...] er een soort vuurbol uit werd gevormd rond de lucht die de aarde omringt, zoals schors rond een boom.'

Nog in Plato's tijd werd geen goed onderscheid gemaakt tussen dichters en filosofen, en dichters golden van oudsher als wijzen of leermeesters. De werken van Hesiodus en Homerus (geschreven in dactylische hexameters) waren bijvoorbeeld een bron voor gedragsnormen, taalgebruik en praktische kennis. Presocraten verwierpen die traditie slechts ten dele. Xenophanes en Heraclitus verwierpen de inhoud van die gedichten wel, maar niet de esthetische en retorische vorm. Door poëzie te gebruiken en zich daarover uit te spreken, konden de filosofen tegelijk de traditie handhaven en bekritiseren, terwijl ze qua vorm aansloten bij wat het publiek gewend was. Dat was een voordeel bij voordrachten. Doordat barden goddelijke inspiratie zouden hebben en schreven in verzen, konden ook filosofen met verzen een beroep doen op een waarheidsclaim. Dat deden Parmenides en Empedocles. Tot slot waren verzen makkelijker te onthouden en moeilijker aan te passen door derden. Pas vanaf Plato werden dichters, mythologie en theologie tegenover filosofen en proza geplaatst.

Indeling[bewerken]

Grafische, chronologische weergave van presocraten en hun beïnvloeding. Rode pijlen geven tegenstellingen aan.

Grieken hadden de neiging om voor ideeën en middelen uitvinders aan te wijzen, en om te spreken van scholen en chronologische opvolging. In werkelijkheid werden concepten stapsgewijs ontwikkeld, waren scholen niet welomschreven, stonden filosofen in los-vaste relatie tot elkaar, en namen filosofen van voorgangers sommige dingen over, maar andere dingen juist niet. Een indeling in scholen verduistert die nuances.

Er bestaan verschillende indelingen voor presocraten. Een eenvoudige is op basis van groepen: Ionische filosofen, pythagoreeërs, Eleaten, atomisten.[47] Een andere is Ionisch, Italiaans en post-parmenidisch.[48] Een derde is chronologisch, met een eerste fase waarin wordt gespeculeerd over kosmologie en de archè, een tweede fase waarin Parmenides de filosofie een metafysische wending geeft en kritisch is over de mogelijkheid om zekere kennis van de wereld te krijgen, en tot slot een derde fase, waarin filosofen reageren op Parmenides' kritiek en eclectische filosofieën ontstaan.[49]

Daarnaast kende men in de klassieke oudheid de Zeven Wijzen, die bekend waren door hun praktische inzichten: Solon (ca. 594 v.Chr.), Chilon van Sparta (ca. 560 v.Chr.), Thales, Bias van Priene (ca. 570 v.Chr.), Cleobulus van Rhodos (ca. 600 v.Chr.), Pittacus van Mitylene (ca. 600 v.Chr.), Periander (625 - 585 v.Chr.), Aristeas van Proconessus (7e eeuw v.Chr.). Tot slot zijn er andere personen die als wijzen doorgingen en als voorlopers van de presocraten kunnen worden gezien: Pherecydes van Syros (ca. 540 v.Chr.), Anacharsis (ca. 590 v.Chr.), Theano (5e eeuw v.Chr.), Theagenes van Rhegium, Acusilaus, Cleostratus van Tenedos en Epimenides. Van veel anderen is weinig meer bekend dan alleen de naam.

Beknopte beschrijving[bewerken]

Forsokrat 2.JPG

Hieronder volgt een korte beschrijving van presocratische filosofen.[50] De beschreven denkers hadden soms volgelingen, maar daar is vaak weinig van bekend. Zie hiervoor de artikelen over de afzonderlijke filosofen.

Thales werd rond 624 v.Chr. geboren in Milete, Ionië, en overleed rond 546 v.Chr. Hij stelde dat water de archè is van het heelal. In de oudheid gold hij als de eerste filosoof, een van de Zeven Wijzen en als modelfilosoof op het gebied van onder andere ingenieurswezen, geometrie, politiek en natuurfilosofie. Tevens zou hij astronomisch onderzoek hebben gedaan en een zonsverduistering hebben voorspeld in 585 v.Chr. Vermoedelijk stelde hij niets op schrift. Naar Thales en zijn stadsgenoten Anaximander en Anaximenes wordt verwezen als de Milesische school.

Anaximander werd geboren rond 610 v.Chr. in Milete. Van hem is de vroegste kosmologie bekend, die tevens een van de eerste bekende prozawerken is. De uitvinding van de gnomon, het maken van de eerste wereldkaart en van een model van de sterrenhemel werden aan hem toegeschreven. Hij stierf rond 546 v.Chr. In zijn boek speculeerde hij over het ontstaan van de kosmos en de mens. De archè was volgens hem het onbepaalde Oneindige (apeiron), waar de elementen uit voortkwamen. Daar speelden de principes warm en koud een rol bij. De aarde rustte nergens op, maar hing in de lucht.

Anaximenes, actief rond de periode 546-526 v.Chr., was een jongere tijdgenoot van Anaximander. Hij schreef in eenvoudig proza, waarin hij voort bouwde op de ideeën van Anaximander. Zijn archè was eveneens het Oneindige, maar dan in de vorm van het element lucht. Door de principes verdunning en verdichting zou alles daaruit voortkomen.

De tetractys was een heilig diagram van de pythagoreeërs. Van boven naar beneden: 1 + 2 + 3 + 4 punten = 10, het veronderstelde perfecte getal. De getallenleer wordt hier gecombineerd met geometrie. Met die combinatie speculeerden zij over de wording van de kosmos: 1 is een punt, 2 een lijn, 3 het kleinst mogelijke vlak, 4 het kleinst mogelijke lichaam.

Pythagoras werd circa 570 v.Chr. geboren op Samos en stierf circa 490 v.Chr. Rond 530 migreerde hij naar Croton. Daar vormde hij een religieus-filosofischse sekte van pythagoreeërs en hield hij zich actief bezig met politiek. Hij stond bekend als een veelweter, schreef allerlei regels voor reinheid voor en geloofde in reïncarnatie (metempsychosis). Er deden wonderbaarlijke verhalen over hem de ronde, en hij zou veel hebben gereisd naar onder andere Egypte en Mesopotamië. Zijn filosofie draaide rondom het leiden van een zuiver leven, getallen(symboliek), muziekleer en geometrie. Daarvan stelde hij niets op schrift. Familieleden en generaties van volgelingen binnen en buiten de sekte lieten soms wel geschriften na, zoals Petron van Himera, Ion van Chios en Philolaus. Van andere presocratische pythagoreeërs is weinig meer dan de naam bekend, zoals Ameinias, Boïdas, Brontinus, Calliphon, Cercops, Democedes, Hippasos, Iccus van Taranto, Parmeniscus, Paron, en Xuthus.

Alcmaeon, actief midden vijfde eeuw v.Chr., was beïnvloed door de pythagoreeërs en geloofde eveneens in reïncarnatie. Hij was arts en speculeerde over de werking van de zintuigen. Het was zijn overtuiging dat alles in tegenstellingen kon worden opgedeeld, zoals warm-koud, licht-donker, droog-nat.

Xenophanes werd in Colophon, Ionië, geboren rond 570 v.Chr. Vanaf de Perzische invasie in 545 v.Chr. reisde hij rond, onder andere naar Zuid-Italiaanse steden. Zo leerde hij de pythagoreeërs kennen. Hij schreef dichtwerken over kosmologie, theologie en epistemologie. Hij verwierp het traditionele godsbeeld en pleitte voor cultureel relativisme en scepticisme. Hij ging uit van één abstracte god, die goed, almachtig en alwetend was. Mogelijk beschouwde hij het element aarde als de archè. Zijn werken waren bekend onder de titels Silloi, Parodieën en Over de natuur. Hij was van invloed op de ontwikkeling van Parmenides' denken.

Heraclitus was een aristocraat die leefde van 540 tot ongeveer 480/470 v.Chr. in Efeze, Ionië. Vermoedelijk was hij een oudere tijdgenoot van Parmenides, die op zijn filosofie reageerde. Hij kwam bekend te staan als arrogante misantroop, en aan zijn cryptische en pregnante schrijfstijl dankte hij de naam 'de Duistere'. Hij schreef één werk, dat hij in de tempel van Artemis in bewaring gaf. Daarin verwierp hij het traditionele godsbeeld, de geldende normen en de denkbeelden van andere denkers. Hij beschouwde de wereld als eeuwig, stelde dat alle tegengestelden zoals dag en nacht uiteindelijk één waren en dat alles stroomde. Dit alles gebeurde onder een alomvattende kosmische wet en onder invloed van het element vuur als drijvende kracht. Later waren er volgelingen van Heraclitus, zoals Cratylus.

Parmenides was een edelman in het Zuid-Italiaanse Elea die werd geboren rond 515 v.Chr. en stierf rond 449/440 v.Chr. Hij werkte als wetgever voor de stad en liet een schrijn bouwen voor de pythagoreeër Ameinias. Mogelijk kende hij ook Xenophanes. Hij was de grondlegger van de Eleatische filosofie, die hij vervatte in een dichtwerk, getiteld Over de natuur. Daarin schreef hij over biologie en astronomie. Ook beweerde hij als eerste dat de aarde een bol was. Zijn opvatting was dat de werkelijkheid één onveranderlijk geheel is, en dat verandering schijn is. Alleen als iets onveranderlijk was, kon het gekend en onderzocht worden.

Zeno werd rond 490 v.Chr. geboren in Elea, waar hij in de leer ging bij Parmenides. Volgens Plato reisde hij samen met zijn leermeester naar Athene. Zijn filosofie was bekend bij Democritus en Anaxagoras, maar vormde geen systeem. Vermoedelijk schreef hij maar één werk, en hij is vooral bekend om zijn paradoxen ter verdediging van Parmenides' leer. Zo zou beweging onmogelijk zijn.

Melissus werd geboren op Samos in de vijfde eeuw v.Chr. Hij was een politicus en admiraal die vocht tegen de Atheners. Hij hing de Eleatische filosofie aan, en die verwerkte hij in een tekst, Over de natuur of over dat wat is. Hij stelde dat de wereld niet eindig, maar oneindig moest zijn. Tevens ging hij ervan uit dat zintuiglijke indrukken bedrog waren, en dat de werkelijkheid eigenlijk anders moest zijn.

Empedocles ontwikkelde de elementenleer met de vier elementen vuur, aarde, water en lucht. Daaruit zou de kosmos zijn opgebouwd; geboorte en dood bestaan in zoverre, dat combinaties van elementen ontstaan en weer oplossen. Empedocles baseerde zich op elementaire transformatie en de inwerking op materie door principes als verdichting en verdunning zoals beschreven door zijn voorgangers. De elementenleer zou tot in de vroegmoderne tijd van invloed zijn in de geneeskunde en alchemie.

Empedocles leefde van circa 492 tot 432 v.Chr. Hij werd geboren in Acraga op Sicilië en behoorde tot de bovenlaag van de bevolking. Hij bemoeide zich met de politiek en werd een prominent figuur aan wie men wonderwerken toeschreef. Over zijn dood bestaan diverse anekdotes. Vermoedelijk was hij een redenaar, geneesheer en ook de leermeester van Gorgias van Leontini. In zijn denken werd hij beïnvloed door zowel de Eleaten als de pythagoreeërs. Zo geloofde hij in reïncarnatie, maar meende hij dat de zintuigen de weg naar ware kennis waren. Hij ontwikkelde de theorie van de vier elementen die de kosmos vormde onder invloed van de principes haat en liefde. Dat deed hij in verzen in een of twee geschriften, Zuiveringen en Over de natuur. Daarnaast zou hij ook epigrammen en tragedies hebben geschreven.

Philolaus werd geboren in het Zuid-Italiaanse Croton of Tarentum rond 470 v.Chr. Hij is de vroegste pythagoreeër waarvan tekstmateriaal bewaard is gebleven. Volgens Plato zou hij onder andere hebben lesgegeven in Thebe. Een leerling van hem was Archytas. Hij schreef een werk waarin hij pythagorisme combineerde met een natuurtheorie als reactie op Eleatische kritiek. Alles zou zijn opgebouwd uit het Beperkte en Onbeperkte: massa's en vormen. Hij beweerde onder andere dat de zon en de planeten draaiden rondom een centrale haard en dat er een tegenaarde (antichthon) bestond. Van veel overgeleverde fragmenten is onduidelijk of ze authentiek zijn.

Anaxagoras werd rond 500 v.Chr. geboren in Clazomenae, Ionië. Hij was de eerste filosoof die verhuisde naar Athene. Daar woonde hij twintig jaar, tot zijn vervolging voor goddeloosheid, waarna hij naar Lampsacus trok. Hij stierf in 428 v.Chr. Zijn filosofie was eclectisch. Hij schreef één boek, de Fysica, een kosmologisch werk waarin hij alle eerdere archès verwierp, omdat hij net als de Eleaten aannam dat niets kon ontstaan en vergaan. Volgens hem was de Nous ('geest') het bezielende en ordenende principe in de kosmos. Beweging was wel mogelijk. Ook kon de natuur gekend worden via de zintuigen.

Archelaüs leefde in de vijfde eeuw v.Chr. en stond bekend als de eerste filosoof die ethiek uitvoerig behandelde. Hij ging ervan uit dat morele kwaliteiten niet natuurlijk maar conventioneel waren.

Leucippus werd in de vijfde eeuw v.Chr. geboren in Milete of Abdera, en was de eerste die beweerde dat alles bestond uit atomen. Over hem is niets met zekerheid bekend. Hij zou de leerling van Zeno zijn geweest. Twee werken werden aan hem toegeschreven, Het grote wereldsysteem en Over de geest.

Democritus werd in het Thracische Abdera geboren rond 460 v.Chr. Zijn sterfdatum is onbekend. Hij was een volgeling van Leucippus en reisde veel naar onder andere Egypte en mogelijk India. Hij kende Anaxagoras' filosofie mogelijk. Samen met zijn leermeester Leucippus was hij de grondlegger van het atomisme, waarmee ze reageerden op de Eleaten. De kosmos bestond uit leegte (het niet-bestaande) en lichamen (atomen, het bestaande) in een oneindige ruimte. Die lichamen zijn eeuwig en kunnen bewegen. Democritus schreef veel: zestig titels zijn bekend. Die gingen over ethiek, natuurfilosofie, wiskunde, muziek, poëzie en technische thema's. Daarvan zijn voornamelijk enkele ethische stellingen overgeleverd.

Diogenes werd rond 460 v.Chr. geboren in de Miletische kolonie Apollonia. Wanneer hij overleed is onbekend. Hij verbleef enige tijd in Athene, en van zijn hand is slechts één werk bekend. Daaruit blijkt dat zijn denken eclectisch was. Hij schreef over de menselijke fysiologie en cognitie, maar ook over een kosmologie waarin hij de Milesische notie van een archè combineerde met de Nous van Anaxagoras. Die Nous structureerde het heelal. Volgens Diogenes was lucht de grondsubstantie van de kosmos, waaruit alles ontstond dankzij de principes van verdunning en verdichting.

Invloed[bewerken]

De presocratische filosofen legden de basis voor de verdere ontwikkeling van de westerse filosofie. Ze introduceerden onderwerpen en begrippen zoals zijn en worden, sensibel en intelligibel, analytisch en synthetisch, tijd en eeuwigheid, materialisme en idealisme, mechanisme en teleologie. Die onderwerpen werden door latere filosofen uitgewerkt.[51]

Enkele visies van de presocraten werden gangbaar binnen de antieke filosofie. Ten eerste de opvatting dat de wereld een logisch geheel is dat onderzocht en begrepen kon worden met het verstand. Ten tweede de parmenidische aanname dat de werkelijkheid niet zomaar kan worden gereduceerd tot wat men dagelijks ervaart. Ten derde Empedocles' theorie van de vier elementen als basis voor de natuur. Die theorie werd belangrijk binnen de geneeskunde en alchemie tot in de vroegmoderne tijd. De vraag of de natuur werd aangestuurd door geest en rede of slechts door mechanische processen vond zijn oorsprong in het presocratisch denken, en plaatste platonisten, peripatetici en stoïcijnen tegenover de epicureeërs. Verdere discussies over de opbouw van de ziel en zintuiglijke waarneming werden ook door de presocraten beïnvloed.[52]

Naast hun onderlinge invloed werkten de ideeën van de presocraten door in het werk van latere denkers. Toneelschrijvers als Euripides en Arstophanes en geschiedschrijvers als Herodotus en Thucydides waren bekend met presocratische noties. Inhoudelijk en stilistisch vertonen de hippocratische geschriften invloeden van onder meer Heraclitus en Empedocles. Vooral Plato reageerde expliciet op zijn voorgangers. Veel denkbeelden verwierp hij, maar hij nam elementen over van Parmenides, Heraclitus, Empedocles en het pythagorisme (bijvoorbeeld de Philebus, Phaedo en Timaeus).

In de hellenistische tijd baseerden de vroege stoïcijnen Zeno van Citium en Cleanthes zich op Heraclitus voor hun fysica en theologie, en baseerden de epicureeërs zich op het atomisme. Binnen het pyrrhonische scepticisme werden Xenophanes, Protagoras en Democritus als voorgangers gezien. Het pythagorisme zag een wederopleving (neopythagorisme), dat het neoplatonisme en de westerse esoterie beïnvloedde. Presocratische geschriften werden gelezen en gewaardeerd tot in de Romeinse keizertijd, maar werden schaars in de late oudheid. In de middeleeuwen was er weinig belangstelling voor.

Ook in de vroegmoderne tijd bleef hun invloed klein. Pas vanaf de achttiende eeuw worden presocratische denkbeelden actief bestudeerd en gebruikt door filosofen zoals Hegel, Nietzsche, Popper en Heidegger, maar ook door schrijvers zoals Goethe en Mulisch.

Zie ook[bewerken]