Probleemjongeren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Baldadige jeugd, Polygoonjournaal 1947

Probleemjongeren zijn jeugdigen die probleemgedrag vertonen. In bredere zin wordt de term ook gebruikt om jongeren te omschrijven die te maken hebben met een cumulatie van problemen, zoals gedragsstoornissen, persoonlijke of gezinsproblemen. Beide begrippen overlappen elkaar.

Definities[bewerken]

Het gaat hier om een term die enerzijds wordt gebruikt voor jongeren die probleemgedrag vertonen (door overlast of criminaliteit),[1] anderzijds voor jongeren met meervoudige persoonlijke en ontwikkelingsproblemen, waardoor zij aan de rand van de maatschappij dreigen te raken.[2] De WRR spreekt bij deze laatste groep van 'overbelaste jongeren'.[3] De twee definities zijn echter nauw verwant, omdat het probleemgedrag veelal wordt gezien als een symptoom van gestapelde persoonlijke problemen.

Kenmerken[bewerken]

Probleemjongeren hebben veelal maken met een complex aan problemen. In veel gevallen spelen een of meer van de volgende zaken een rol:[3][4]

De overbelasting die deze gestapelde problematiek met zich meebrengt, wordt als eerste stap gezien naar voortijdig schoolverlaten, grensoverschrijdend gedrag en criminaliteit. In deze situatie raken jongeren aan de rand van de maatschappij. Zij komen op diverse manieren in negatieve aandacht.

Oorzaken/risicofactoren[bewerken]

Het voortijdig schoolverlaten (zonder startkwalificatie) is een belangrijke indicator voor het afglijden en in de problemen van een jongere. Belangrijke risicofactoren voor voortijdig schoolverlaten blijken volgens onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau een laag opleidingsniveau van de ouders en een laag aanvangsniveau van de eigen opleiding, een slechte sociaal-economische situatie, niet-westerse afkomst, een verstedelijkte leefomgeving en het opgroeien in een eenoudergezin te zijn.[5] Een concentratie van probleemjongeren werkt grotere jongerenoverlast in de hand.

Aanpak[bewerken]

De aanpak van probleemjongeren loopt veelal in twee sporen:

  1. Het begeleidende spoor: In scholen en jeugdzorg wordt de problematiek van jongeren tamelijk vroeg opgemerkt. Hier begint het probleemgedrag, het spijbelen en dreigt het schoolverlaten. De WRR pleit ervoor om bepaalde scholen een ruimere taak te geven dan enkel kennisoverdracht en deze scholen in meer bredere zin en in samenwerking met hulpverlening verantwoordelijk te maken voor het vinden van een plaats in de maatschappij voor zijn leerlingen.[3] Het VSKO pleit juist voor opvang van probleemjongeren met schooluitval door specialisten buiten scholen.[6] Een probleem is dat de hulpverlening vaak versnipperd is. Bundeling blijkt meer effect te sorteren.[7]
  2. Het repressieve spoor: De jongere komt via het jeugdstrafrecht in aanraking met politie en justitie. Dit kan leiden tot de gebruikelijke boete of vrijheidsstraf, maar ook tot opvoedende straffen en/of gedwongen begeleiding (in Nederland middels een door de rechter opgelegde gedragsmaatregel), waarin naast de problematiek ook gewerkt wordt aan een strak leefritme.[8]

Zie ook[bewerken]