Procesfilosofie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Procesfilosofie, of proces-denken, is een stroming die de laatste dertig jaar opgang maakt binnen de geesteswetenschappen en er in bestaat dat alles (het universum, de wereld, de schepping, de mens, God) opgevat wordt als een continu gebeuren of proces. Ervan uitgaand dat niets stilstaat, maar alles evolueert, ontwikkelt en beweegt, is het proces-denken een dynamische denkrichting, die veel klassieke en gestabiliseerde ideeën in een nieuw en ander licht plaatst. Het proces-denken heeft nieuwe perspectieven geopend. Het heeft een nieuw licht geworpen op tal van zaken. Toch is het geen nieuwlichterij zonder basis. Het wil gegrondvest zijn op degelijke fundamenten.

Vanwaar het succes van het proces-denken?[bewerken]

De belangstelling voor het proces-denken is zeker het gevolg van het feit dat we te maken hebben met een denkstijl die aansluit bij heel wat gevoeligheden van de hedendaagse mens. Die mens bevindt zich in een wereld die heel snel evolueert. Die evolutie wordt ook vastgesteld in de hele kosmos. Aan wat de hedendaagse natuurwetenschappen ons leren, kunnen we zomaar niet voorbijgaan. De mens vindt zichzelf als ingeschakeld in een fantastisch universum dat hem draagt en in zekere zin ook heeft voortgebracht. We leven in een wordend heelal. Alles schijnt met alles samen te hangen.

Wat is de plaats van de mens in dit ruimer geheel? Het is de eeuwige vraag. Het proces-denken is in wezen een klassieke metafysica, maar dan wel dynamisch opgevat. Men voelt de nood aan een denken dat oude tegenstellingen tussen zijn en worden, het ene en het vele, stof en geest op een nieuwe wijze opneemt.

Voor de Bijbelvaste gelovige kan het proces-denken ook relevant zijn om begrippen als 'God', 'schepping en 'verrijzenis' goed te kunnen vatten. De bijbel toont immers een God die in de hele mensgeschiedenis voortdurend aanwezig is. Het gaat niet om een eenmalig gebeuren ooit in een ver verleden tijd, maar om een continu proces. Hierbij rijzen vragen als "Is de schepping niet nog steeds bezig?" en "Is onze wereld niet steeds aan het worden, net als God zelf?".

Oorsprong en bouwstenen van het proces-denken[bewerken]

Ook al is het proces-denken pas in de 20e eeuw tot ontwikkeling gekomen, het heeft haar wortels in een diep verleden. De gestelde vragen zijn immers zo oud als de filosofie zelf. De oudste Griekse filosofen - de Presocratici - stelden al de vraag naar de oorsprong van alles. Ze zochten antwoord op de fascinerende vraag naar de "archè" of het begin. Thales van Milete (6e eeuw v.Chr.) zou de oudste filosoof zijn. Een denker in zijn spoor is Heraclitus van Efese.

Een stem uit de Oudheid: Heraclitus (540 v.Chr.)[bewerken]

Heraclitus is de eerste om te poneren dat alles voortdurend in verandering is "Panta rhei" (=alles stroomt) is zijn devies. Op nog voor-wetenschappelijke wijze stelt hij dat één grote wet of formule alles bepaalt of verklaart: de tegengestelden zijn één en iedere realiteit is een synthese van tegengestelden. Hiermee bedoelt Heraclitus niet dat de contraria eenvoudig met elkaar identiek zouden zijn, maar wel dat ze wezenlijk op elkaar betrokken zijn en juist door hun spanning aan de werkelijkheid haar eigen structuur en dynamiek verlenen. Hij denkt aan dag en nacht, zon en regen, winter en zomer. Zo is volgens hem het geboren worden al het begin van het sterven. Uit deze dynamische eenheidsvisie volgt dat alles relatief is: Twee keer dezelfde beweging bestaat niet. Alles is weer anders. Dit is een radicaal mobilisme. Volgens Heratlitus is de grondstof van alles het vuur, want daarin voltrekt zich de grootste spanning. De menselijke ziel is volgens hem ook niets dan vuur.

Middeleeuwen en Moderne Tijd[bewerken]

In de tijd na Heraclitus bleef de vraag naar het ontstaan en de ontwikkeling van alles de denkers in de ban houden. De wijsgeren Plato en Aristoteles, die de grootste invloed hadden op de verdere tijden, huldigen een statisch wereldbeeld. De aarde leek centraal en onveranderlijk. Dit geocentrisch wereldbeeld werd door de Griekse denkers uitgebouwd en kreeg later in het werk van Claudius Ptolemaeus zijn klassieke uitbeelding. Het middeleeuwse beeld was een vreemde combinatie van Grieks-Romeinse elementen en bijbelse gegevens.

Pas met de Copernicaanse revolutie, kwam er een kentering. Het eeuwenoude wereldbeeld kwam in crisis. De nieuwe visie, het heliocentrisme lag aan de basis van een veel dynamischer wereldbeeld. Het echte dynamische wereldbeeld, waarbij de wereld gezien wordt als een creatief wordingsproces, breekt volgens Max Wildiers pas door in de hedendaagse tijd. Hierin spelen twee ontdekkingen een belangrijke rol: de evolutietheorie van Charles Darwin (19e eeuw) enerzijds en de relativiteitstheorie van Albert Einstein (1915) anderzijds. Door de evolutietheorie hebben we het leven leren zien als een stroom van gebeurtenissen waarin steeds nieuwe vormen optreden, die genetisch met elkaar verbonden zijn. Door de relativiteitstheorie en de verdere ontwikkeling inzake de kwantumtheorie, zijn we de subatomische werkelijkheid gaan opvatten als een stroom van energie en een netwerk van onderlinge relaties. Creativiteit en relativiteit bepalen aldus onze visie op de werkelijkheid.

Filosofisch[bewerken]

Voor Hegel (1770-1831) was het enige reële 'zijn' de 'absolute idee', die aanvankelijk niets is, behalve 'zijn'. Deze 'absolute idee' is in bestendige ontwikkeling en doorloopt achtereenvolgens de natuur, de mens en gans de geschiedenis; zodat alles wat is, een trap is in de ontwikkeling van die 'absolute idee'.