Progressieve inkomstenbelasting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Progressieve inkomstenbelasting is een vorm van inkomstenbelasting waarbij het gemiddelde belastingtarief hoger wordt naarmate het inkomen stijgt. Dit in tegenstelling tot vlaktaks waarbij ieder inkomen met hetzelfde percentage belast wordt en de degressieve belastingen waarbij het gemiddelde tarief lager wordt naarmate het inkomen stijgt. Strikt genomen is iedere belasting met één marginaal tarief ongelijk aan nul en een belastingvrije voet of een heffingskorting progressief (Benthamse progressie), maar doorgaans wordt bedoeld dat er minstens twee marginale tarieven ongelijk aan nul zijn.

Argumenten voor progressieve belastingen[bewerken]

  • Volgens het principe van het afnemend grensnut kunnen mensen met hoge inkomens gemakkelijker een deel van hun inkomen missen.
  • De hoogste inkomens zijn op zich zelf niet gerechtvaardigd omdat[bron?] ze verworven worden[bron?] uit vermogen of overbetaalde[bron?] topfuncties bij ondernemingen.
  • Mensen met een topinkomen hebben vaak een smallere heffingsgrondslag, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de hypotheekrenteaftrek, waardoor hun effectieve belastingdruk lager is dan het statutaire tarief.

Karl Marx pleitte in het Manifest van de Communistische Partij al voor progressieve belastingen: "Voor de meest ontwikkelde landen zullen evenwel de volgende maatregelen vrijwel algemeen toepassing kunnen vinden: (...) Sterk progressieve belastingen."[1]

Argumenten tegen progressieve belastingen[bewerken]

  • Het nut dat verschillende mensen aan inkomen toekennen kan niet worden vergeleken.
  • Progressieve belastingen zijn niet rechtvaardig omdat iedereen grosso modo evenveel van de overheid profiteert.
  • Progressieve belastingen zijn niet effectief omdat zij vaak ontweken of ontdoken kunnen worden.
  • Progressieve belastingen ontmoedigen extra inspanningen en het streven naar de meest winstgevende belegging van vermogen.

Praktische toepassing van progressieve belastingen[bewerken]

In de periode 1940-1970 golden overal in de Westerse wereld zeer hoge belastingtarieven voor de topinkomens. In het Verenigd Koninkrijk bedroeg het toptarief 95%, in de VS 91% en in Nederland 72%. In Zweden ondervond de schrijfster Astrid Lindgren in 1972 zelfs een marginale belastingdruk van 102%.

Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat hoge statutaire tarieven op zichzelf weinig betekenen, aangezien de heffingsgrondslag in deze gevallen veelal beperkt zal zijn of de wet legale mogelijkheden biedt om de hoge belastingen te ontwijken.

Nederland[bewerken]

In Nederland is sprake van een progressief belastingstelsel voor inkomen uit werk en woning (box 1), terwijl sinds 2001 voor inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen een vlaktaks geldt (box 3).

Aanhangig is het Belastingplan 2014 met onder meer een afbouw van de algemene heffingskorting die in 2015 materieel neerkomt op een schijventarief met een vierde schijf met een tarief van 54,1% en een vijfde schijf met een tarief van 52%, waarbij het marginale tarief dus bij een bepaald inkomen lager wordt. Het tarief is nog wel progressief in de zin dat het percentage van het hele inkomen dat in totaal aan inkomstenbelasting moet worden betaald, stijgt met het inkomen.

Voetnoten[bewerken]

  1. Manifest van de Communistische Partij, Hoofdstuk 2: Proletariërs en communisten