Proletariaat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kerstfeest voor het proletariaat in Berlijn, 1923

In het marxisme is het proletariaat (<Lat. proletarius; zie etymologie, hieronder) of de arbeidersklasse de klasse in een kapitalistische, industriële maatschappij "die uitsluitend van haar arbeid leeft en niet van de winst van een of ander kapitaal, die klasse, waarvan het wel en wee, waarvan leven en dood afhankelijk zijn van de goede en slechte tijden in het bedrijfsleven, met één woord, van de schommelingen van de concurrentie", aldus Friedrich Engels in 1847. In de klassieke marxistische theorie is het proletariaat de voornaamste revolutionaire tegenstrever van de bezittende/heersende klasse(n) binnen het kapitalisme. Doel van de proletarische strijd is om het kapitalisme en de "burgerlijke democratie" omver te werpen en te vervangen door een socialistisch economisch en politiek regime.

De opkomst van het proletariaat hangt samen met de Industriële revolutie die in de 18e eeuw begon in Engeland en zich in de 19e eeuw over Europa en Noord-Amerika verspreidde. Het gebruik van machines was voortaan een belangrijk middel om de concurrentie voor te blijven. Machines waren echter zeer kostbaar, waardoor de industrie in handen kwam van een steeds krimpende groep eigenaars, de bourgeoisie. De weinige werktuigen die de armen bezaten werden min of meer waardeloos. Deze accumulatietheorie bleek later onjuist; de arbeidende klasse van weleer bezit inmiddels zelf, via o.a. pensioenfondsen, de kapitaalgoederen.

Een ander belangrijk middel in de concurrentiestrijd, als zodanig geïdentificeerd door Adam Smith, is arbeidsdeling: arbeiders maakten niet meer een geheel eindproduct, maar vervulden elk een deelfase van de ontwikkeling van het product. Dit alles had als bedoeling de productie te versnellen met het oog op meer winst.

Het uitgangspunt van de marxistische theorie is dat alleen arbeid waarde voortbrengt, maar dat in het kapitalistische systeem een groot deel van deze waarde, de meerwaarde, aan de kapitalisten ten goede komt. Deze theorie maakt dan ook een scherp onderscheid tussen het proletariaat dat arm is omdat het maar een klein deel van de opbrengst van haar eigen arbeid krijgt en het lompenproletariaat dat geen nuttige arbeid verricht.

Het revolutionaire potentieel van de arbeidersklasse zagen Marx en Engels juist in de organisatorische discipline die arbeiders in de fabrieken aangeleerd werd. Op deze manier zou het kapitalisme uiteindelijk "zijn eigen doodgravers" scheppen: schaalvergroting zou de politieke organisatie van het proletariaat in de kaart spelen en het uiteindelijk in staat stellen het systeem omver te werpen. Hierin onderscheidt het proletariaat zich ook van andere onderdrukte klassen zoals de boeren (zie ook Agrarfrage).

In latere (vooral 20e-eeuwse) versies van het marxisme wordt het beeld van het proletariaat bijgesteld. Voor Lenin, in navolging van Plechanov, was het proletariaat de leidende klasse in een revolutionaire coalitie waar ook andere klassen deel van uitmaakten. In het leninisme en maoïsme worden ook de door imperialistische mogendheden gekoloniseerde volkeren als potentieel revolutionaire subjecten beschouwd. Waar het nationalisme in industriële maatschappijen in navolging van Marx doorgaans werd verworpen als "vals bewustzijn", werd het nationale streven in de derde wereld erkend als legitieme anti-kapitalistische strijd.

Etymologie[bewerken]

De term "proletariër" is afkomstig uit het oude Rome. Daar begon in de 2e eeuw v.Chr. de klasse van bezitslozen, die massaal naar de hoofdstad trokken, schrikbarend toe te nemen (zie artikel: Romeinse Republiek). Omdat er geen grootschalige industrie bestond, moesten deze families leven van allerhande marginale klussen en bij tijden van de gratis brooduitdelingen. Het woord proletarius betekent in het Latijn een man die niets bezit dan zijn kinderen (proles).

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]