Proosdij (sticht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De term proosdij wordt in eerste instantie gebruikt voor de waardigheid, de functie, de plaats of het gebied van een proost. Daarnaast wordt de term ook gebruikt voor de woning van een proost.

De belangrijkste kerkelijke functionarissen die titel proost voeren zijn ten eerste de plaatsvervangener van een abt in een klooster en ten tweede het hoofd van een collegiaal kapittel. Gaat het hierbij om een kathedraal kapittel, dan wordt ook wel de term hoogsticht gebruikt. De overige kaptittels zijn dan nedersticht of gewoon sticht (ook wel stift). De organisatie van de kapittels veranderde in de loop der tijd zodanig dat de proost het beheer over de goederen van het kapittel voerde en de deken leiding gaf aan de leden van het kapittel. In het algemeen is de term proosdij meestal verbonden met het tweede type proosten. De omvang van de proosdijen was zeer verschillend. Een eenvoudige proosdij bestond uit onroerend goed, waarvan de opbrengst voor de proost en het kapittel bestemd waren. De proosdij kon ook heerlijke rechten omvatten, zoals bij de Utrechtse proosdijen. Vele dorpen in de provincie Utrecht werden bestuurd vanuit een proosdij. Sommige rijksproosdijen bezaten ook landsheerlijke rechten in het Heilige Roomse Rijk. Zij waren daardoor Reichsunmittelbar en genoten rijksvrijheid. De proosten van Berchtesgaden en Ellwangen bezaten zelfs de vorstelijke waardigheid.

Deense en Zweedse kerk[bewerken]

De term proosdij kan ook gebruikt worden voor de onderverdeling van Deense bisdommen van de Evangelisch-Lutherse Kerk en Zweedse bisdommen van de lutherse kerk, waar een proosdij vergeleken kan worden met een decanaat.

Bekende proosdijen[bewerken]

Zie ook[bewerken]