Protectionisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Beluister

(info)

Protectionisme is een stelsel van maatregelen van de overheid waarbij getracht wordt bescherming te bieden aan binnenlandse landbouw, producenten en industrieën. Veelal wordt gebruikgemaakt van invoerbeperkende maatregelen, zoals invoerheffingen en invoerquota, of wordt de binnenlandse fabrikant gesteund door subsidies. Op deze manier kunnen landen die problemen hebben met de buitenlandse handel, hun eigen producten beschermen tegen goedkopere (betere) producten vanuit het buitenland. Ook kan er een verbod ingesteld worden op het invoeren van bepaalde goederen, de prohibitie. Of wordt er een maximumaantal bepaald dat mag ingevoerd worden, de contingentering. Een extreme vorm van protectionisme is isolationisme.

Of een land kan wegkomen met deze maatregelen hangt vaak af van de Wereldhandelsorganisatie. Hiervan zijn zo'n 149 landen lid, en zij legt de regels van handel tussen landen in verdragen en gerechtelijke uitspraken vast.

Een vroege vorm van protectionisme kwam voort uit de theorie van het mercantilisme. Deze politiek beschouwde economie als een nulsomspel waarbij de ene partij wint wat de andere verliest. Het legde daarom een grote nadruk op een positieve handelsbalans om de rijkdom van een land te vergroten. Thomas Mun en Engeland en Colbert in Frankrijk waren grote voorstanders van deze politiek. De Britten voerden onder meer in 1651 de Engelse Scheepvaartwetten in die de scheepvaart door niet-Engelse schepen van en naar Engeland en de Engelse koloniën inperkte en in 1815 volgden de Graanwetten.

Nadat de Britten een dominante positie hadden bereikt op de wereldmarkt, stonden zij in een positie waarin vrijhandel gunstiger was voor hen. Dit standpunt werd verdedigd door Adam Smith en de andere klassieke economen die daarbij de principes van absoluut en comparatief voordeel naar voren brachten. Protectionisme leidt volgens hen wel tot een verbeterde situatie binnen één bedrijfstak, maar het land als geheel gaat er op achteruit. David Ricardo stelde dat vanwege het comparatieve voordeel dat beide landen bij vrijhandel genieten, protectionisme bestreden moet worden.

Friedrich List zag het standpunt van Smith als te beperkt en stelde in 1841 in Das nationale System der politischen Ökonomie dat een industrie in ontwikkeling in de beginfase beschermd dient te worden tegen de buitenlandse concurrentie. Dit kan door het heffen van invoerrechten (Erziehungszölle). Voorstanders van protectionisme willen ook vaak voorkomen dat er werkgelegenheid verloren gaat in een bepaald land of proberen te voorkomen dat een bedrijfstak een bepaalde monopoliepositie verliest. Verder halen protectionisten het onafhankelijkheidsargument aan. Een land moet ervoor zorgen dat het wat productie betreft zoveel mogelijk onafhankelijk is van anderen landen. Mocht het dan in een oorlog geraken, dan kan het land zichzelf behelpen.[1]
Een belangrijk argument voor protectionisme volgt uit de ongelijkwaardige politieke en economische relatie tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden. Volgens de Dependencia-theorie houden ontwikkelingslanden zonder protectionisme een achterstand door de quasi-koloniale verhoudingen, waarbij het rijke centrum arbeid en grondstoffen onttrekt aan de arme periferie.
Ook een reden om voor protectionisme te pleiten is het spreidingsargument bij landen met een tamelijk eenzijdige productiestructuur. Door dit een breder karakter te geven, kan een land beter inspelen op de eventueel veranderde vraag in het buitenland naar vervangende producten. Dit betekent dat mensen bijgeschoold dan wel omgeschoold dienen te worden. Door het nemen van bepaalde protectionistische maatregelen wil men dit proces zo soepel mogelijk laten verlopen.
Weer een ander reden is het zogeheten 'pauper-labour'argument. Enkel en alleen met behulp van beschermende rechten zouden hoge reëele lonen en een hoge levensstandaard gehandhaafd kunnen blijven. Anders zouden arbeiders van een bepaald land bloot staan aan de hevige concurrentie van landen met een aanmerkelijk lager loonpeil, met als gevolg een sterke druk om de lonen te verlagen.[2]

Een voorbeeld van protectionisme zijn onderdelen van het Europese landbouwbeleid. Via importheffingen worden Europese boeren beschermd tegen te lage wereldmarktprijzen. Via de (melk)quotering wordt voorkomen dat er een overproductie ontstaat op de Europese markt en er overschotten moeten worden gedumpt op de wereldmarkt.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Zwijndrecht, J. van (1953): Beknopt leer- en leesboek der economie I, J.B. Wolters, p. 224-226
  2. Roos, F. de (1975): Theorie der internationale betrekkingen, H.E. Stenfert Kroese, p. 222-223 en 229