Naar inhoud springen

Rachel Ruysch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Rachel Ruysch
Rachel Ruysch
Persoonsgegevens
Geboren Den Haag, 3 juni 1664Bewerken op Wikidata
Overleden Amsterdam, 12 augustus 1750Bewerken op Wikidata
Geboorteland Nederland
Opleiding en beroep
Leermeester Willem van Aelst, Maria Sibylla MerianBewerken op Wikidata
Beroep Kunstschilder
Werkveld schilderkunstBewerken op Wikidata
Oriënterende gegevens
Stroming rococo[1]Bewerken op Wikidata
Stijl stilleven, bloemstillevenBewerken op Wikidata
Bekende werken Bloemen in een glazen vaas, met perziken en aalbessen, op een marmeren blad, Stilleven met bloemen in een glazen vaas, Stilleven met bloemen op een marmeren tafelblad, Still-Life with FlowersBewerken op Wikidata
Werklocatie Den Haag,[2] Amsterdam,[2] Düsseldorf,[2] Amsterdam,[2] Amsterdam[2]Bewerken op Wikidata
Erkenning en lidmaatschap
Lid van Confrerie PicturaBewerken op Wikidata
Kunstenaars­map­locatie Frick-kunstreferentiebibliotheek, National Gallery of Art-bibliotheek[3]Bewerken op Wikidata
Handtekening
Signatuur
Handtekening
Handtekening
Links
RKD-profiel
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Rachel Ruysch: Bloemstilleven, 1704, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel

Rachel Ruysch (Den Haag, gedoopt 3 juni 1664Amsterdam, 1750) was een Hollandse schilder uit de barok. Ze wordt beschouwd als een van de bekendste vrouwelijke kunstschilders van haar tijd en werd geroemd om haar bloemstillevens. Door haar langdurige en succesvolle carrière, die over zes decennia heen strekte, is ze nu een van de best gedocumenteerde vrouwelijke kunstenaars uit de 17de eeuw in Nederland.

Persoonlijk leven en carrière

[bewerken | brontekst bewerken]

Ruysch werd geboren in Den Haag op 3 juni 1664, als dochter van wetenschapper Frederik Ruysch en Maria Post, de dochter van architect Pieter Post. Op driejarige leeftijd verhuisde het gezin naar Amsterdam toen haar vader werd benoemd tot hoogleraar in de anatomie en de plantkunde aan het Athenaeum Illustre. Op jonge leeftijd begon ze de bloemen en insecten uit de verzameling van haar vader te schilderen in de stijl van Otto Marseus van Schrieck.[4] Samen met haar jongere zuster Anna Ruysch leerde ze tekenen en schilderen uit deze omvangrijke collectie aan botanisch en zoölogisch studiemateriaal.[5]

In 1679, op vijftienjarige leeftijd, stuurde haar vader Ruysch in de leer bij Willem van Aelst, een vooraanstaande schilder werkzaam in Amsterdam, bekend om zijn bloemstillevens. De studio van Van Aelst had zicht op de studio van bloemschilder Maria van Oosterwijck. Ruysch was bij van Aelst in de leer tot aan zijn dood in 1683.[6] Naast schilderen, leerde Van Aelst haar ook bloemschiktechnieken, die zich in haar werk vertaalden tot een meer realistisch en driedimensionaal eindproduct. Op achttienjarige leeftijd produceerde en verkocht Ruysch onafhankelijk ondertekende werken.[7]

Ruysch trouwde in 1693 met de portretschilder Jurriaen Pool (1666-1745) met wie ze tien kinderen kreeg. Gedurende haar huwelijk en volwassen leven bleef Ruysch schilderen en opdrachten uitvoeren voor internationale opdrachtgevers.[7] Over het algemeen werd er in deze tijd verwacht dat vrouwen zich bezighielden met toegepaste kunstvormen die traditioneel meer door vrouwen werden beoefend, zoals naaien en weven. Ruysch bleef echter tijdens haar huwelijk als schilder werkzaam, aangezien er een grote vraag was naar haar bloemstukken. Haar schilderijen brachten vaak meer op dan de portretten die haar man maakte, en haar gevestigde reputatie stelde haar in staat een professionele carrière te combineren met het opvoeden van een gezin.[5]

In 1699 verhuisde Ruysch en haar gezin terug naar Den Haag, waar Ruysch in 1701 als eerste vrouw lid werd van de kunstschildersgilde Confrerie Pictura .[8]

Tussen 1708 en 1716 was Ruysch werkzaam als hofschilder voor keurvorst Johan Willem van de Palts en zijn vrouw, Anna Maria Luisa de' Medici in Düsseldorf.[9] Ruysch beoefende dit werk in Den Haag, en maakte vanuit haar huis schilderwerken die zij met regelmaat naar Düsseldorf bracht. Keurvorst van de Palts had in 1695 haar vader bezocht en haar werk gezien. Nadat Eglon van der Neer, sinds 1698 eveneens hofschilder voor de keurvorst, in 1703 overleed, leverde Ruysch, alsook Jan Weenix en Adriaen van der Werff, jaarlijks werk in voor het hof. Ruysch vernoemde haar tiende kind Jan Wilhelm (gedoopt op 21 juli 1711) naar de keurvorst, en de keurvorst en zijn vrouw werden ook benoemd tot peetouders van het kind. [10] Na het overlijden van Johan Willem van de Palts in 1716, verhuisde Anna Maria Luisa de' Medici een groot deel van hun kunstcollectie, waaronder de werken van Ruysch, naar haar familieresidentie in Firenze, Palazzo Pitti.[11]

Ruysch bleef actief schilderen tot op 84-jarige leeftijd, maar haar productie nam geleidelijk af. Ze overleed in 1750.[9]

Kunsthistorici beschouwen Ruysch als een van de meest getalenteerde stillevenschilders, ongeacht geslacht. [12] Aan het eind van haar leven had Ruysch honderden schilderijen geproduceerd, waarvan er meer dan 250 gedocumenteerd werden en aan haar toegeschreven. [7]

Werken en stijl

[bewerken | brontekst bewerken]
Stilleven met bloemen in het Groeningemuseum
Zie Lijst van schilderijen van Rachel Ruysch voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Ruysch was zeer goed opgeleid in het tekenen en de technieken van vroegere tradities. Deze kennis verbeterde haar schildervaardigheden. In tegenstelling tot veel Nederlandse stillevenschilders uit de late zeventiende eeuw, die vaak de voorkeur gaven aan meer ingetogen en wetenschappelijk georiënteerde botanische composities, ontwikkelde Ruysch een meer dynamische en asymmetrische stijl. Haar boeketten bevatten kronkelende stengels, hangende bloesems en levendige diagonalen die breken met de meer schematische conventies van botanische illustraties.[13] Elk bloemblad werd zorgvuldig gecreëerd met delicate penseelstreken. De achtergrond van Ruyschs schilderijen is meestal donker, wat populair was voor bloemschilderkunst in de tweede helft van de 17e eeuw. Haar asymmetrische composities met hangende bloemen en wilde stengels creëerden schilderijen die een grote energie uitstraalden.

In haar vroege werk schilderde Ruysch een groot aantal bosbodemtaferelen met kleine dieren, reptielen, vlinders en paddenstoelen. Ruyschs leraar Willem van Aelst toonde haar lossere en meer spontane composities, en later verfijnde en populariseerde zij deze stijl. Haar latere boeketten, met hun uitgebreide gelaagdheid en ritmische beweging, droegen bij aan de ontwikkeling van de voorkeur voor meer dynamische bloemstillevens in het begin van de achttiende eeuw.[14] Later richtte ze zich bijna uitsluitend op complexe bloemboeketten, waarbij ze de nauwkeurige wetenschappelijke observaties die ze had opgedaan uit de collecties van haar vader combineerde met verzonnen arrangementen die in de natuur niet konden bestaan. Dit resulteerde in een esthetiek die naturalisme met inventiviteit vermengde.[15]

Ruysch genoot zowel tijdens haar leven als na haar dood grote faam. Haar schilderijen werden tijdens haar leven verkocht voor prijzen van wel 750 tot 1200 gulden. Ter vergelijking: Rembrandt ontving tijdens zijn leven zelden meer dan 500 gulden voor een schilderij.[16]

In de eenentwintigste eeuw heeft het werk van Ruysch hernieuwde wetenschappelijke en curatoriële aandacht gekregen.

In maart 2021 werd het werk van Ruysch opgenomen in de "Eregalerij" van het Rijksmuseum. Ruysch, Gesina ter Borch en Judith Leyster zijn de eerste vrouwen die in de galerij zijn opgenomen.[17]

In 2025 organiseerden het Toledo Museum of Art, de Alte Pinakothek in München en het Museum of Fine Arts (Boston) de tentoonstelling Rachel Ruysch: Nature into Art. Deze vond plaats in de Alte Pinakothek [18] van 26 november 2024 tot 16 maart 2025; in het Toledo Museum[19] van 12 april tot 27 juli 2025; en in het Museum of Fine Arts[20] (onder de titel Rachel Ruysch: Artist, Naturalist, and Pioneer) van 23 augustus tot 7 december 2025. De tentoonstelling Rachel Ruysch: Nature into Art bood de eerste grootschalige internationale herwaardering van haar oeuvre. De bijbehorende catalogus ontving de George Wittenborn Memorial Book Award in 2024.[5]


  • Driessen, J. (1995) Tsaar Peter de Grote en zijn Amsterdamse vrienden. In samenwerking met het Amsterdams Historisch Museum.
  • Kooymans, L. (2004) De Doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch, p. 327-329.
[bewerken | brontekst bewerken]
Zie de categorie Rachel Ruysch van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.