Reciproke inhibitie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Door reciproke inhibitie worden de biceps en de antagonerende triceps niet tegelijkertijd aangespannen.

Reciproke inhibitie, ofwel wederzijdse remming, is het mechanisme dat ervoor zorgt dat een spier aan een kant van een gewricht zich ontspant als de spier aan de andere kant van het gewricht, diens zogenaamde antagonist, wordt aangespannen. Zo wordt geregeld dat buig- en strekspieren harmonieus samenwerken bij bewegingen, en wordt voorkomen dat spieren elkaar zinloos tegenwerken, en zelfs zouden kunnen beschadigen.

Dit gebeurt doordat zenuwbanen in het ruggenmerg elkaars activiteit afremmen: elke zenuwbaan die naar een spier toe loopt, heeft een aftakking die een inhiberende (remmende) zenuwbaan innerveert, die op zijn beurt inwerkt op de zenuw naar de antagonistische spier. Doordat deze zenuw een remmend effect heeft, voorkomt deze dat de spier aan de andere kant tegelijkertijd kan aanspannen.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De term 'reciproke inhibitie' werd in 1906 ingevoerd door de Britse neurofysioloog en latere (1932) Nobelprijswinnaar Charles Scott Sherrington.