Resolutie 1210 Veiligheidsraad Verenigde Naties

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vlag van Verenigde Naties
Resolutie 1210
Van de VN-Veiligheidsraad
Datum 24 november 1998
Nr. vergadering 3946
Code S/RES/1210
Stemming
voor
15
onth.
0
tegen
0
Onderwerp Olie-voor-voedselprogramma
Beslissing Verlengde het programma met 180 dagen en vergrootte het maximumbedrag.
Samenstelling VN-Veiligheidsraad in 1998
Permanente leden
Vlag van China China · Vlag van Frankrijk Frankrijk · Vlag van Rusland Rusland · Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk · Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Niet-permanente leden
Vlag van Brazilië Brazilië · Vlag van Bahrein Bahrein · Vlag van Costa Rica Costa Rica · Vlag van Gabon Gabon · Vlag van Gambia Gambia · Vlag van Japan Japan · Vlag van Kenia Kenia · Vlag van Portugal Portugal · Vlag van Slovenië Slovenië · Vlag van Zweden Zweden
Irak
Irak

Resolutie 1210 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties werd op 24 november 1998 unaniem aangenomen door de VN-Veiligheidsraad.

Achtergrond[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Golfoorlog (1990-1991) en Olie-voor-voedselprogramma voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Op 2 augustus 1990 viel Irak zijn zuiderbuur Koeweit binnen en bezette dat land. De Veiligheidsraad veroordeelde de inval onmiddellijk en later kregen de lidstaten carte blanche om Koeweit te bevrijden. Eind februari 1991 was die strijd beslecht en legde Irak zich neer bij alle aangenomen VN-resoluties. In 1995 werd met resolutie 986 het olie-voor-voedselprogramma in het leven geroepen om met olie-inkomsten humanitaire hulp aan de Iraakse bevolking te betalen.

Inhoud[bewerken]

Waarnemingen[bewerken]

Het was nodig de Iraakse bevolking van humanitaire hulp te voorzien totdat Irak aan de geldende resoluties, en vooral resolutie 687 (1991), had voldaan. Die hulp moest gelijk verdeeld worden in het hele land, en moest ook verbeterd worden.

Handelingen[bewerken]

De Veiligheidsraad besloot de provisies in resolutie 986 uit 1991 opnieuw te verlengen met een periode van 180 dagen, met ingang op 26 november. Ook bleef het maximumbedrag waarvoor de landen in totaal Iraakse olie mochten invoeren gehandhaafd op 5,256 miljard Amerikaanse dollar.

De secretaris-generaal werd gevraagd te rapporteren als Irak niet in staat zou blijken voldoende olie te produceren om dat bedrag te halen. Verder bleven ook de provisies in resolutie 1175, volgens welke Irak onderdelen mocht kopen voor de olie-installaties, van kracht gedurende de nieuwe periode. De secretaris-generaal werd gevraagd hier in samenspraak met Irak een gedetailleerde lijst van op te stellen.

Verwante resoluties[bewerken]