Rijksgraafschap Wittem

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rijksgraafschap Wittem
Rijksgraafschap binnen het Heilige Roomse Rijk
 Hertogdom Limburg 1206 – 1794 Eerste Franse Republiek 
Wittem.PNG
Algemene gegevens
Hoofdstad Wittem
Religie(s) Rooms-katholiek
Regering
Regeringsvorm Graafschap
Staatshoofd Graaf

Wittem was een tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits behorende heerlijkheid, later rijksgraafschap binnen het Heilige Roomse Rijk. Kern van de heerlijkheid vormde het kasteel Wittem met een aantal daar omheen liggende dorpen.

Geschiedenis[bewerken]

Middeleeuwen: de heerlijkheid onder de geslachten Julémont en Corsselaar[bewerken]

Wittem was oorspronkelijk een leen van het hertogdom Limburg en behoorde omstreeks het jaar 1100 toe aan Thibald van Voeren en zijn echtgenote Guda van Valkenburg. Thibald wordt gezien als eerste heer van Valkenburg, dus wellicht hoorde Wittem toen bij het land van Valkenburg. Guda trok zich na het overlijden van haar man in 1106 terug in de abdij Sint-Jacob te Luik en vermaakte in 1125 bij testament Wittem aan de Luikse abdij. Of er toen al een kasteel was te Wittem is niet zeker.

In 1206 verwierf Willem van Julémont[1] de heerlijkheid van de Sint-Jacobsabdij. Het geslacht Julémont, dat behoorde tot de ridderclan der Scavendriesen, zou het kasteel en de heerlijkheid bijna anderhalve eeuw (tot 1344) in bezit hebben. Arnold I van Julémont werd in 1268 gevangengenomen in Keulen, bij een mislukte ontzettingspoging van bisschop Engelbert II van Valkenburg. In de Limburgse Successieoorlog koos hij, als enige Scavendries, de zijde van Brabant. Na de Slag bij Woeringen, waaruit Brabant als overwinnaar tevoorschijn kwam, ontving Arnold II de heerlijkheid Epen van de hertog van Brabant. Waarschijnlijk verwierf hij ook Gulpen en bouwde hij kasteel Neubourg, nadat de oude burcht van de Scavendriesen, het mottekasteel Gracht Burggraaf, was verwoest.

In de eerste helft van de veertiende eeuw verwierf Johan I Corsselaar Wittem. Deze Johan was een bastaardzoon van hertog Jan II van Brabant en diens maitresse Catharina Corsselaar. Johan I van Corsselaar was gehuwd met Catharina van Holsit (Holset?), dochter van Thomas I van Holsit uit het geslacht Julémont. Hij kocht in 1344 het Kasteel Wittem voor 2.300 gulden van Gerard van Julémont, zoon van Arnold II en een verwant van Johans echtgenote. In 1352 verwierf hij de helft van de dorpen Mechelen en Wahlwiller van Philippa, vrouwe van Valkenburg en Montjoie, en in 1356 de andere helft van de hertog van Brabant en Limburg. In 1365 volgde een deel van Nijswiller en in 1369 wordt de heerlijkheid Eys een leen van Wittem. Door het (tweede) huwelijk van Johan I Corsselaar met Amalberga van Duivenvoorde-Wassenaer kwam ook de heerlijkheid Boutersem in zijn bezit (in 1395 deelde de dynastie Corsselaar zich in een Wittemse tak en een Boutersemse).

Ook Johan II Corsselaar van Wittem en zijn zoon Johan III stonden in hoog aanzien bij de Brabantse hertogen. In 1383 werd Johan II raadsheer van Johanna van Brabant en in 1385 werd hem als drost van Brabant de verdediging van 's-Hertogenbosch opgedragen. Johan III werd door hertog Anton van Bourgondië in 1406 benoemd tot kastelein en drost van het land van Valkenburg. Van 1428-43 was hij hoogschout voor Brabant in het tweeherige Maastricht. Jan III vernieuwde tevens het kasteel Wittem. Zijn opvolger Frederik Corsselaar was, behalve heer van Wittem, vanaf 1445 erfmaarschalk van Limburg, vanaf 1452 slotvoogd van Dalhem, een jaar later drossaard van Valkenburg, en vanaf 1463 hoogschout van Brabantse zijde te Maastricht. Hij was in 1454 tegenwoordig op het bekende Banket van de Fazant plaats, waarop Philips van Bourgondië tot de kruistocht tegen de Turken opriep. Omstreeks 1466 verkocht de heerlijkheid aan Dirk van Pallandt.

De vrije rijksheerlijkheid Wittem onder het huis Pallandt[bewerken]

Dirk van Pallandt was de eerste heer van Wittem uit het huis van Pallandt. Hij was tot 1463 ook hoogschout van Brabantse zijde te Maastricht geweest, en kocht in 1467 het drostambt van Valkenburg. Als trouw leenman van Karel de Stoute streed hij in 1471 mee tegen de koning van Frankrijk. In 1481 werd hij met veel pracht en praal in Valkenburg begraven. Omdat zijn zoon Johan nog minderjarig is, treedt Edmund II van Pallandt tot 1493 op als voogd. In 1495 huwt hij Anna van Culemborg, waarmee de familie van Pallandt het graafschap Culemborg verwerft. Ook Johan betoont zich een trouw vazal van de Habsburgers door Maximiliaan van Oostenrijk te steunen in de strijd tegen Gelre. Na Johans overlijden in 1515 wordt hij opgevolgd door zijn enige zoon Gerard van Pallant, die echter wegens minderjarigheid pas in 1525 de eed kan afleggen.

Ondertussen was de heerlijkheid Wittem in 1520 verheven tot vrije rijksheerlijkheid, wellicht een beloning voor de overnachting van keizer Karel V op kasteel Wittem in oktober 1520, toen hij op weg was naar zijn keizerskroning in Aken. Na de dood van Gerard in 1540 verviel zijn weduwe, Margaretha van Lalaing, die met 10 kinderen achterbleef, tot waanzin. Het 3-jarige zoontje Floris werd om die reden opgevoed aan het hof van de landvoogdes Maria van Hongarije. Bij zijn meerderjarigheid in 1555 erfde hij Culemborg en werd aldaar als eerste graaf van Culemborg ingehuldigd. In 1566 was hij mede-ontwerper van het Smeekschrift der Edelen, dat in zijn vorstelijke woning te Brussel werd opgesteld. De hertog van Alva was hierover zo verbolgen, dat hij het huis met de grond gelijk liet maken, waarbij voor het eerst de kreet "Vivent les gueux" klonk. Vanaf dat moment was Floris openlijk calvinist en liet hij in Culemborg de nieuwe leer prediken. Toen Alva hem voor de Raad van Beroerten ter verantwoording riep, nam de graaf de vlucht. In 1568 nam Alva Culemborg en Wittem in beslag. Kasteel Wittem werd een jaar later verwoest. Floris' zoon Floris II van Pallandt werd protestants opgevoed en huwde in 1601 Catharina van den Berg, een nicht van Willem de Zwijger. In 1604 volgde een verzoening tussen Floris II en de regering in Brussel en kon hij terugkeren naar zijn bezittingen.

Wittem onder het huis Waldeck-Eisenberg[bewerken]

Floris II overleed kinderloos in 1639 en liet de vrijheerlijkheid na aan de schoonzoon van zijn zuster Elisabeth, Walraad van Waldeck-Eisenberg. Deze overleed reeds in 1640 overleed, waarna zijn weduwe, Anna van Baden-Durlach, vrouwe van Wittem werd. Anna was gehuwd met Walraad IV van Waldeck-Eisenberg. Na de dood van Anna van Baden-Durlach werd zij opgevolgd door een kleinzoon, de zoon van één van haar inmiddels overleden zoons. Deze Hendrik Walraad (Walraad V) was in 1742 te Culemborg geboren en dus nog minderjarig. Een jongere zoon van Anna van Baden-Durlach, George Frederik, werd daarom regent voor zijn neef. Walraad V overleed op 32-jarige leeftijd zonder nakomelingen in 1664. Zijn oom George Frederik volgde hem op in zijn bezittingen. George Frederik werd op 27 juni 1682 door de keizer tot rijksvorst verheven. Bij gebrek aan mannelijke nakomelingen werd vorst George Frederik van Waleck-Eisenberg na zijn dood in 1692 in Wittem opgevolgd door zijn dochter Albertine Elisabeth (1664-1727). Zij verkocht Wittem in 1717.

Het rijksgraafschap Wittem onder het huis Plettenberg[bewerken]

Op 11 juli 1722 werd heel Wittem aan Ferdinand Adolf van Plettenberg verkocht. Plettenberg kon het allemaal kopen dankzij zijn succesvolle tijd als diplomaat. Hij was als diplomaat en adviseur in dienst van de Duitse keizer. Hij ontving voor al zijn werk grote geldbedragen. Deze diplomaat kocht graag complete dorpen en landerijen en zo kwam hij ook in Zuid-Limburg terecht.

Op het moment dat Van Plettenberg Wittem kocht, bezat hij al een groot kasteel in Duitsland. Door Wittem te kopen, kon Plettenberg de status van rijksgraaf verwerven. Rijksgraven hadden een hogere status in Duitsland dan andere graven: Zij waren vertegenwoordigd op de Westfaalse gravenbank in de Rijksdag te Regensburg.

In 1732 werd Wittem (daar hoorde toen ook Mechelen, Epen, Wahlwiller, Nyswiller bij) verheven tot rijksgraafschap. Dat betekende voor Ferdinand Adolf van Plettenberg dat hij in een klap een stuk machtiger was geworden. Na deze belangrijke gebeurtenis kocht hij nog veel meer dorpen in Zuid-Limburg (zoals Gulpen en Slenaken) en aldus kwam een groot deel van de streek rondom Wittem in zijn bezit.

Toen Frans Jozef alle bezittingen van zijn vader erfde ging het goed mis. Door de enorme bedragen die Ferdinand Adolf van Plettenberg had uitgegeven waren de schulden en de hypotheken hoog opgelopen. Frans Jozef probeerde er alles aan te doen om niks van zijn bezittingen te hoeven verkopen maar tevergeefs. In 1769 werd Gulpen verkocht en in 1771 Slenaken. Al die tijd bleef Wittem wel in het bezit van de Van Plettenbergs. In 1779 overleed Frans Jozef van Plettenberg en zijn kleinzoon Maximiliaan Frederik erfde alles wat er nog over was van de landerijen in Wittem. Zijn beide zoons waren al eerder overleden.

Het einde van het rijksgraafschap[bewerken]

In 1794 kwam Wittem onder Frans bestuur en een paar jaar later hoorde het officieel bij het Frankrijk van Napoleon. Hiermee hield Wittem op rijksgraafschap te zijn. In de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 worden in paragraaf 24 Wittem en Eijs vermeld: als schadeloosstelling voor het verlies het Rijksgraafschap Wittem worden de graven van Plettenberg in het bezit gesteld van de dorpen Mietingen en Sulmingen, die tot dan toebehoorden aan de abdij Heggbach. De graaf van Plettenberg-Wittem werd daardoor graaf van Plettenberg-Mietingen.

Lijst van heren van Wittem[bewerken]

regering naam geboren overleden familie
1206 - ? Willem (Wychem) van Julémont
Arnold I van Julémont
ca 1288 Arnold II van Julémont zoon
ca 1322 Arnold III van Julémont zoon
 ? - 1344 Gerard van Julémont
1344 - 1371 Johan I Corsselaar van Wittem 1310 1371 schoonfamilie?
(aankoop)
1371 - 1405 Johan II Corsselaar van Wittem 1340 1405 zoon
1405 - 1443 Johan III Corsselaar van Wittem 1365 26 mei 1443 zoon
1443 - 1444 Hendrik I Corsselaar van Wittem 1375 1444 halfbroer
1444 - ? (ca 1470) Frederik Corsselaar van Wittem 1488  ?
 ? - 1481 Dirk van Pallandt 1481 schoonbroer van Johan III (aankoop)
1481 - 1514 Johan van Pallandt ca 1475 1514 zoon
1514 - 1540 Gerard van Pallandt ca 1510 1540 zoon
1540 - 1598 Floris I van Pallandt 1537 1598 zoon
1598 - 1639 Floris II van Pallandt 1578 1639 zoon
1639 - 1640 Walraad IV van Waldeck-Eisenberg 1640 echtgenoot van nichtje
1640 - 1649 Anna van Baden-Durlach 1587 1649 echtgenote
1649 - 1664 Walraad V van Waldeck-Eisenberg 28-3-1642 15-7-1664 kleinzoon
1664 - 1692 George Frederik van Waldeck-Eisenberg 1620 1692 oom; zoon van Walraad IV
1692 - 1720 Albertine Elizabeth van Waldeck-Eisenberg 9-2-1664 1-11-1727 dochter
1720 - 1722 Carl Gottfried van Giech 1670 1729 geen (aankoop)
1722 - 1737 Ferdinand Adolf van Plettenberg 25-7-1690 18-3-1737 geen (aankoop)
1737 - 1779 Frans Jozef van Plettenberg 17-3-1714 19-4-1779 zoon
1779 - 1794 Maximiliaan Frederik 20-1-1771 2-9-1813 kleinzoon

Zie ook[bewerken]